Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1130

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
AWB 00/923
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/923 19 maart 2002

27313 Kaderwet EZ-subsidies/Besluit typering energieprogramma's

Uitspraak in de zaak van:

Afvalverwerking Regio Nijmegen B.V., te Nijmegen, appellant,

gemachtigde: mr R.E.G. Lichtenberg, als milieujuridisch adviseur verbonden aan Royal Haskoning, te Nijmegen,

tegen

de Minister van Economische Zaken, zetelend te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr drs R.F. Jassies, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 24 november 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 oktober 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van het Besluit subsidies energieprogramma's (Stb. 1994, nr. 204, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 19 november 1997, Stb. 1997, nr. 618; hierna: het Besluit), in het bijzonder het Programma Nieuwe Energie-efficiënte Transformatie-, Transmissie en Opslagtechnieken (hierna: NETTO), zoals dit is omschreven in de Uitvoeringsregeling BSE 1999-III (Stcrt. 1999, nr. 166; hierna: de Uitvoeringsregeling).

Verweerder heeft op 28 februari 2001 terzake van dit beroep een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 28 januari 2002 heeft appellante het College bericht dat zij A als getuige-deskundige ter zitting wenst te horen.

Op 5 februari 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben uiteengezet. De gemachtigde van appellante heeft zich doen bijstaan door B, werkzaam bij Royal Haskoning te Nijmegen en C, werkzaam bij appellante, de gemachtigde van verweerder door D en E, beiden werkzaam bij Senter. Als deskundige door appellante meegebracht, is verschenen A, wonende te Rijssen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Besluit is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In dit besluit en de daarop rustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

h. demonstratieproject: een samenhangend geheel van activiteiten die een technisch en economisch risico inhouden, bestaande uit het bij de aanvrager treffen van technische of beheersmatige voorzieningen met behulp van:

1° voor Nederland nieuwe apparaten, systemen of technieken;

2° een voor Nederland nieuwe toepassing van apparaten, systemen of technieken;

(…)

Artikel 2

1. Onze Minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan degene die in Nederland een project uitvoert, dat past in een energieprogramma en naar het oordeel van Onze Minister het beste bijdraagt aan de realisering van de doelstellingen van het programma.

2. Onze Minister stelt bij ministeriële regeling de energieprogramma's vast. Een energieprogramma bevat een beschrijving van met elkaar samenhangende doelstellingen en soorten projecten, gericht op het bereiken van energiebesparing, de inzet van duurzame energie of de toepassing van energietechnieken die tot een geringere belasting van het milieu leiden.

(…)

Artikel 8

1. Onze Minister beslist in ieder geval afwijzend op een aanvraag:

a. (…)

b. in geval van een demonstratieproject of een marktintroductieproject, indien het project niet ook voor anderen rendabele toepassingsmogelijkheden biedt.

2. Onze Minister kan, indien vooralsnog onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project, de aanvraag gedeeltelijk afwijzen, met dien verstande dat subsidie wordt verleend ter zake van de projectkosten, verbonden aan de uitvoering van een eerste fase van het project, gedurende een in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden tijdvak."

Ter uitvoering van artikel 2, tweede lid, van het Besluit is de Uitvoeringsregeling vastgesteld, waarbij onder meer het volgende is bepaald:

" Artikel 1

Als programma's als bedoeld in artikel 2, tweede lid, van het Besluit subsidies energieprogramma's worden vastgesteld de programma's opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlagen 1 tot en met 7, onder A."

In bijlage 2 van de in artikel 1 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlagen, onder A is onder meer het volgende bepaald:

" Bijlage 2

A. Programma Nieuwe energie-efficiënte transformatie-, transmissie- en opslagtechnieken (NETTO)

Het doel van het programma NETTO is het bevorderen van de toepassing van energie-efficiënte transformatie-, transmissie- en opslagtechnieken zodanig dat maximaal wordt bijgedragen aan de vermindering van de inzet van primaire brandstof. De technieken moeten bijdragen aan een verhoging van het omzettingsrendement van de productie van energie.

Het programma bestaat uit twee onderdelen.

1. Haalbaarheidsprojecten

(…)

2. Demonstratie- en marktintroductie-projecten

Het programma ondersteunt demonstratie en marktintroductie van een verbeterde transformatie-, transmissie- of opslagtechniek dan wel een combinatie van deze technieken.

Het programma richt zich op projecten die betrekking hebben op (combinaties van) technieken

- waarbij een significante verbetering van het omzettingsrendement wordt gerealiseerd ten opzichte van reeds bestaande technieken;

- waardoor de toepassingsmogelijkheid van de techniek(en) wordt verrruimd.

(…)

Overige beoordelingsaspecten

De projecten die voor subsidie in aanmerking komen dienen in ieder geval te voldoen aan de volgende voorwaarden:

a) het project moet een reële slaagkans hebben;

b) (…)

c) (…); demonstratie- en marktintroductieprojecten kunnen slechts dan voor subsidie in aanmerking komen indien de technische en financieel/economische haalbaarheid voldoende aannemelijk is gemaakt; (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemd formulier, ondertekend op 8 november 1999 en door verweerder ontvangen op 11 november 1999, heeft appellante een aanvraag bij verweerder ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van het Besluit voor een warmte-uitwisselingsproject, waarbij warmte die vrijkomt bij het verbranden van afval in het bedrijf van appellante en die wordt afgevoerd naar de lucht, wordt aangewend voor het opwarmen van het te zuiveren afvalwater in de naast het bedrijf van appellante gelegen rioolwaterzuiveringsinstallatie (hierna: RWZI).

- Bij brief van 29 december 1999 heeft verweerder appellante verzocht voor de afhandeling van de aanvraag vereiste gegevens te verstrekken.

- Blijkens een bezoeknotitie van 14 januari 2000 opgesteld door E heeft laatstgenoemde namens verweerder op 12 januari 2000 een bezoek gebracht aan appellante teneinde de vragen die door verweerder in voornoemde brief van

29 december 1999 waren gesteld, te bespreken.

- Door verweerder is op 13 januari 2000 een project-analyse opgesteld.

- Op 28 januari 2000 heeft de adviescommissie Netto (hierna: de Commissie) vergaderd. Uit het verslag van deze (eerste) vergadering blijkt dat de Commissie de beoordeling van het project heeft aangehouden tot de volgende vergadering en dat de Commissie verweerder heeft verzocht aan te geven op welke gronden het project kan worden afgewezen.

- Bij Memo van 31 januari 2000 heeft E een advies opgesteld ten behoeve van de leden van de Commissie naar aanleiding van voormeld verzoek om mogelijke afwijzingsgronden voor het project aan te geven.

- Op 2 februari 2000 heeft de Commissie opnieuw vergaderd. In het verslag van deze (tweede) vergadering is hetgeen is besproken met betrekking tot de aanvraag van appellante, als volgt weergegeven:

" NETTO99 D404 (ARN, Rendementsverbetering van turbines)

Door de heer Nonhebel wordt een notitie uitgereikt over een mogelijke afwijzingsgrond van het project. De commissie neemt vervolgens het standpunt in dat de toegepaste techniek (het uitbreiden van het condensoroppervlak voor het vergroten van het condenserend vermogen enerzijds, en het toepassen van een watergekoelde condensor anderzijds) niet nieuw is en wijst de aanvraag af op grond van het BSE, artikel 1 onder h. De adviescommissie is van oordeel dat het het project niet als een voor Nederland nieuw apparaat, systeem of techniek kan worden aangemerkt."

- Bij besluit van 22 februari 2000 heeft verweerder afwijzend op de aanvraag om subsidie beslist. Dit besluit luidt - voor zover hier van belang - als volgt:

" Uw aanvraag is afgewezen op grond van het Besluit subsidies energieprogramma's (BSE), artikel 1 onder h. De adviescommissie is van oordeel dat uw project, het uitbreiden van het condensoroppervlak voor het vergroten van het condenserend vermogen enerzijds en het toepassen van een watergekoelde condensor anderzijds voor Nederland niet nieuw is."

- Op 31 maart 2000 heeft appellante met verweerder een gesprek gevoerd over de afwijzing van haar aanvraag. Van dit gesprek is door verweerder een verslag gemaakt.

- Bij brief van - eveneens - 31 maart 2000 heeft appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 12 mei 2000 heeft verweerder appellante uitgenodigd om op 8 juni 2000 om 9.30 uur haar bezwaren in een hoorzitting nader toe te lichten.

- Bij brieven van 29 mei 2000 en 5 juni 2000 heeft verweerder aan appellante kopieën toegezonden van stukken uit het dossier dat betrekking heeft op haar aanvraag.

- Op 8 juni 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar appellante haar bezwaren tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie heeft toegelicht.

- Bij brieven, verzonden op 19 juni 2000, heeft verweerder naar aanleiding van de door appellante verstrekte gegevens en hetgeen tijdens de hoorzitting aan de orde is geweest, de leden van de Commisie bij monde van de voorzitter verzocht:

" (…)

a. een nieuw advies op te stellen. Indien u wederom een negatief advies uitbrengt, verzoek ik u de afwijzingsgrond(en) nader te motiveren;

b. aandacht te besteden aan de vraag of er mogelijk sprake is van een nieuwe toepassing van een bestaande techniek, zoals omschreven in art. 1 onder h sub 2 BSE.

(…)"

- Bij brieven van 23 juni 2000 heeft verweerder, op verzoek van het lid van de Commisie, F, aan de leden van de Commissie nadere stukken uit het dossier van appellante toegezonden.

- Bij faxbericht van 30 juni 2000 heeft F het nieuwe advies van de Commissie aan verweerder doen toekomen en heeft hij verweerder bericht omtrent een wisseling in de samenstelling van deze Commissie.

- Bij brief van 3 juli 2000 heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij niet in staat is om, zoals tijdens de hoorzitting was meegedeeld, vóór 6 juli 2000 een beslissing op het bezwaarschrift te nemen en dat hij ernaar streeft om het bezwaarschrift

11 augustus 2000 af te handelen.

- Bij brief van 9 augustus 2000 heeft verweerder deze termijn opnieuw verlengd en heeft verweerder appellante meegedeeld dat hij ernaar streeft het bezwaarschrift voor 8 september 2000 af te handelen.

- Bij brief van 1 september 2000 heeft verweerder appellante een door de Commissie uitgebracht nieuw advies toegezonden en heeft hij appellante in de gelegenheid gesteld haar zienswijze aangaande dit advies binnen twee weken na dagtekening van die brief naar voren te brengen. Verweerder heeft appellante verzocht om in haar schriftelijke reactie tevens aan te geven of zij naar aanleiding van het nieuwe advies van de Commissie opnieuw gehoord wenste te worden.

- Bij brief van 15 september 2000 heeft appellante haar zienswijze met betrekking tot het door de Commissie uitgebrachte nieuwe advies aan verweerder doen toekomen.

- Bij telefonische mededeling van 25 september 2000 heeft appellante verweerder bericht dat zij geen gebruik wil maken van de door verweerder geboden gelegenheid om opnieuw te worden gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Het bestreden besluit houdt, samengevat weergegeven, het volgende in:

" Bevindingen

Op 11 november 1999 heb ik uw aanvraag in het kader van het BSE-programma Netto ontvangen. Hieraan was een projectvoorstel toegevoegd. Ten aanzien van deze aanvraag heeft de Commissie een advies gegeven. In dit advies is gesteld dat de toegepaste techniek - het uitbreiden van het condensoroppervlak voor het vergroten van het condenserend vermogen enerzijds, en het toepassen van een watergekoelde condensor anderzijds - niet nieuw is. Volgens de Commissie voldeed uw project niet aan de eisen van artikel 1 onder h BSE.

Ik zal alleen afwijken van het advies van de Commissie indien het advies in strijd met het Besluit of op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Ten aanzien van het advies geldt derhalve dat slechts van een beperkte toetsing sprake kan zijn. Dit geldt evenzeer voor de bezwaarprocedure.

Uw bezwaren hebben mij aanleiding gegeven om in het kader van de bezwaarschriftprocedure de Commissie te verzoeken een nieuw advies te formuleren, waarbij de argumenten uit uw bezwaarschrift en de pleitnota zouden worden betrokken. Zoals ik hierboven reeds heb aangegeven staat het tenderprincipe van het Besluit niet toe dat met betrekking tot een aanvraag na de sluitingstermijn van de tender nog aanvullende informatie of nieuwe feiten worden ingezonden. Gelet hierop heb ik bij de heroverweging van mijn beschikking van 22 februari 2000 alleen die argumenten betrokken voor zover deze kunnen worden aangemerkt als een nadere toelichting op uw onderliggende aanvraag. Voor zover er sprake is van nieuwe, aanvullende of zelfs met uw aanvraag afwijkende informatie is deze door mij niet meegenomen.

(…)

U stelt dat het project een demonstratieproject is als bedoeld in artikel 1 onder h sub 2 BSE. De Commissie heeft geoordeeld dat hiervan geen sprake is, omdat niet is voldaan aan artikel 8 lid 1 onder b BSE. Hierover merk ik het volgende op.

De conclusie van de Commissie dat op grond van het gegeven dat niet is voldaan aan de in artikel 8 BSE gestelde eis, geen sprake is van een demonstratieproject zoals bedoeld in artikel 1 BSE, is mijns inziens niet zonder meer juist. Deze omissie in de conclusie ten aanzien van de vraag of sprake is van een demonstratieproject is voor mij echter geen reden om af te wijken van het advies van de Commissie. Uw project voldoet mogelijk aan de definitie van een demonstratieproject zoals gegeven in artikel 1 BSE, maar daarmee is nog niet voldaan aan de (overige) aan een project gestelde eisen.

In Bijlage 2 onder A van de uitvoeringsregeling BSE 1999 - III is aangegeven dat het programma Netto zich richt op projecten die betrekking hebben op (combinaties van) technieken (...) waardoor de toepassingsmogelijkheid van de techniek(en) wordt verruimd.

Voorts is aangegeven dat een project om voor subsidie in aanmerking te komen dient te voldoen aan een aantal voorwaarden. Eén van die voorwaarden is dat het project een reële slaagkans moet hebben. De Commissie is van mening dat de parallelle koppelling van een water- en een luchtgekoelde condensor geen reële technische optie is. Verder wordt in de Bijlage onder 2 letter c gesteld dat demonstratie- en marktintroductieprojecten slechts dan voor subsidie in aanmerking kunnen komen indien de technische en financieel/-economische haalbaarheid voldoende aannemelijk is gemaakt. Ook op dit punt is de Commissie van mening dat aan deze voorwaarde niet is voldaan. Tevens wijst de Commissie er naar mijn oordeel terecht op dat ook niet is voldaan aan artikel 8 lid 1 onder b BSE, hetgeen volgens de aanhef van dit artikel leidt tot afwijzing van het project.

(…)

Ik ben het niet met u eens. In mijn beschikking van 22 februari 2000 is klaarblijkelijk onvoldoende weergegeven op welke gronden de Commissie een negatief advies heeft uitgebracht. Uit de beschikbare stukken en (deels mondelinge) informatie die ik heb ontvangen van hen die bij de primaire fase betrokken zijn geweest, is mij echter gebleken dat het eerste advies tot stand is gekomen op basis van dezelfde gronden als het nieuw geformuleerde advies. Het nieuwe advies gaat nader in op uw bezwaren en argumentatie. Daaruit blijkt dat de Commissie negatief adviseert omdat zij van mening is dat de met het project gekozen technische oplossing zeer waarschijnlijk niet zal leiden tot een onder alle omstandigheden goed functionerende installatie. Tevens zal het project op economische gronden niet leiden tot navolging. De Commissie concludeert dan dat geen sprake is van een demonstratieproject, welke conclusie gelijk is aan het eerste advies. Ik heb hierboven reeds aangegeven dat deze conclusie naar de letter genomen niet zonder meer correct is, maar dat ik - omdat niet is voldaan aan de overige eisen die in het kader van het programma Netto aan een demonstratieproject worden gesteld - de

argumenten die leiden tot de conclusie wel degelijk onderschrijf. Er is naar mijn oordeel geen sprake van een koerswijziging in de advisering.

U stelt in uw reactie op het nieuwe advies dat de Commissie op 2 januari 2000 van mening is dat geen sprake is van een nieuwe techniek, terwijl op 30 juni j .1. de Commissie aangeeft dat sprake is van een nieuwe configuratie.

Hierover merk ik op dat het oordeel van de Commissie dat geen sprake was van een nieuwe techniek, is gebaseerd op beantwoording van de vraag "is het vergroten van het condensoroppervlak technisch nieuw?" De Commissie oordeelt dat dit niet het geval is. In het nieuwe advies wordt antwoord gegeven op de vraag "is vergroting van de condensorcapaciteit middels het parallel opereren van een watergekoelde en een luchtgekoelde condensor technisch nieuw?" De Commissie stelt ten aanzien van deze vraag dat een dergelijke configuratie - voor zover haar bekend - nieuw is, maar dat een dergelijke

configuratie geen reële technische optie is en ook op economische gronden niet zal leiden tot navolging door anderen. Derhalve is niet voldaan artikel 8 lid 1 sub b BSE.

(…)

Conclusie

Mij is niet gebleken dat het advies van de Adviescommissie op basis van de in de tenderperiode verstrekte gegevens op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Weliswaar is in mijn beschikking van 22 februari 2000 onvoldoende aandacht besteed aan de motivering van de gronden op basis waarvan de Commissie tot een negatief advies is gekomen, echter met het door de Commissie opgestelde nieuwe advies is naar mijn oordeel deze tekortkoming voldoende hersteld. Opvolging van het advies leidt mijns inziens niet tot een onjuiste toepassing van het in het BSE gestelde.

Ik neem het nieuwe advies dan ook over. Ik zie geen aanleiding alsnog tot subsidiëring van uw project over te gaan."

In het verweerschrift heeft verweerder dit standpunt herhaald en heeft hij daaraan nog het volgende toegevoegd:

" (…)

Bespreking beroepsgronden

(…)

Ten aanzien van de terugverdientijd is de Commissie bij haar beoordeling uitgegaan van hetgeen hieromtrent in het verslag van het bedrijfsbezoek op 12 januari 2000 is opgenomen. [Zie verslag bedrijfsbezoek, bijlage 3, pagina 2, tweede alinea.] Appellant stelt onder (3) dat de terugverdientijd naar zijn mening niet aan de orde is geweest. Ik zie echter geen aanleiding te twijfelen aan het waarheidsgehalte van het onderhavige verslag. De door appellant genoemde terugverdientijd van acht tot tien jaren betreft dan ook een gegeven dat ten tijde van de beoordeling door de Commissie niet als uitgangspunt kon hebben gediend.

Appellant heeft van het verslag van het bedrijfsbezoek geen kopie ontvangen. Ten tijde van het opstellen van dit verslag was daar mijns inziens geen reden toe. Ik ben voornemens in de toekomst na het afleggen van een bedrijfsbezoek een verslag daarvan aan het bezochte bedrijf te doen toekomen.

Ten aanzien van hetgeen appellant onder (4) aanvoert met betrekking tot de warmte-uitwisselingsinstallatie, wil ik u wijzen op de doelstelling van het programma Netto. Het geformuleerde doel is het bevorderen van de toepassing van energie-efficiënte transformatie-, transmissie- en opslagtechnieken zodanig dat maximaal wordt bijgedragen aan de vermindering van de inzet van primaire brandstof. In de toelichting op het programma Netto is vervolgens opgenomen dat het programma beoogt om projecten te demonstreren op het gebied van energieconversie, -transport en -opslag. Appellant stelt dat sprake is van overdracht van energie in de vorm van warmte op het influent. In haar nieuwe advies heeft de Commissie aangegeven dat de verwarming van het influent geen techniek is die onder bovengenoemde doelstelling van het programma Netto valt. De verwarming van het influent vindt weliswaar plaats middels overdracht van de restwarmte van de AVI op het influent van de RWZI, hetgeen mogelijk leidt tot een meer efficiënte inzet van de door de AVI geleverde energie, maar ik ben met de Commissie van mening dat met deze warmteoverdracht op het influent geen techniek is gemoeid die kan worden geschaard onder de doelstelling van het programma Netto."

Ter zitting heeft verweerder in aanvulling op het vorenstaande aangevoerd:

" De adviescommissie is van mening dat vergroting van de condensorcapaciteit van een turbine-installantie niet vernieuwend is, en dat de door ARN gekozen technische oplosing zeer waarschijnlijk niet tot een onder alle omstandigheden goed functionerende installatie zal leiden. Hierom, en ook op economische gronden, zal het project - zo heeft de Commissie ingeschat - niet tot navolging leiden. Daarmee worden de toepasingsmodelijkheden van de techniek niet verruimd. Deze verruiming is één van de eisen waaraan een project voor NETTO moet voldoen. Bovendien merkt de commisie nog op dat de warmtelevering aan de RWZI geen energietransformatietechniek is. Het project past dus niet in de in NETTO opgenomen beschrijving van projecten (artikel 2 van het Besluit subsidies energieprogamma's; Nota van toelichting op het oorspronkelijke Besluit, Stbl. 1994, 204)."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder de onderhavige aanvraag afgewezen om reden dat het onderhavige project niet valt onder artikel 1, onder h, van het BSE en dat de door appellante toegepast techniek niet nieuw is voor Nederland.

Uit de beslissing van verweerder van 19 oktober 2000 blijkt niet duidelijk of de aanvullende informatie die appellante op 12 januari 2000 (ARN B.V. ref. memo 07.05.05) heeft verstrekt, door verweerder in behandeling is genomen. Zulks blijkt evenmin uit de beslissing van verweerder van 22 februari 2000.

In de aanloopfase van het project is veel aandacht besteed aan de parallelle koppeling van de luchtgekoelde en de watergekoelde condensor. De leverancier van de watergekoelde condensor is in haar aanbieding voor de levering aan appellante uitgebreid op deze materie ingegaan en heeft appellante en haar adviseur overtuigd van de werking van het mechanisme, welke overtuiging is bekrachtigd door middel van garanties voor werking van de installatie. Voor het parallelbedrijf is geen zeer ingewikkelde regelapparatuur benodigd, omdat het evenwicht zich 'vanzelf ' instelt. Inmiddels is de installatie drie weken in bedrijf zonder dat zich problemen met het thermodynamische evenwicht hebben voorgedaan.

In het nieuwe advies van de Commissie is een terugverdientijd van het project opgenomen van 20 jaar. Deze terugverdientijd heeft verweerder ontleend aan een verslag van een bedrijfsbezoek van verweerder aan appellante op 12 januari 2000. Appellante betwist dat de terugverdientijd tijdens dat bezoek aan de orde is gesteld en wijst er op dat zij nimmer een kopie van dit verslag heeft ontvangen. De werkelijke terugverdientijd van het project ligt rond de 8 tot 10 jaar.

Beperking van uitbreiding van de RWZI is niet het beoogde doel geweest. De warmte-uitwisselingsinstallatie is een toepassing van een transformatietechniek met betrekking tot conversie of overdracht van energie en past binnen de beschrijving van het NETTO programma. Door de warmteuitwisselingsinstallatie krijgt restwarmte een nuttige toepassing. Vanuit energetisch oogpunt is deze toepassing efficiënter dan toepassing van andere door appellante geproduceerde warmte.

Onduidelijk voor appellante is waarom verweerder enerzijds aangeeft dat de Commissie ten onrechte geoordeeld heeft dat geen sprake is van een demonstratieproject in de zin van artikel 1, onder h, sub 2, van het Besluit en verweerder anderzijds aangeeft geen aanleiding te zien om van het advies van de Commissie af te wijken. Appellante is van mening dat de bestreden beslissing op dit onderdeel onzorgvuldig tot stand is gekomen en niet voldoende is gemotiveerd.

Tevens is in de bestreden beslissing gesteld dat het onderhavige project mogelijk voldoet aan de definitie van een demonstratieproject. Appellante acht dit niet juist, nu het project in het kader van het Programma Energiewinning uit Afval en Biomassa reeds is aangemerkt als een demonstratieproject in de zin van artikel 1, onder h, sub 2, van het Besluit.

Appellante is van mening dat in de onderhavige beslissing sprake is van een radicale koerswijziging van verweerder. De Commissie heeft in haar eerste advies van 2 februari 2000 gesteld dat de toegepaste techniek niet nieuw is en de aanvraag afgewezen op grond van artikel 1, onder h, van het Besluit. Vervolgens heeft de Commissie in haar nieuwe advies van 30 juni 2000 aangegeven dat de parallele schakeling van de watergekoelde condensor aan de luchtgekoelde condensor nieuw is, maar heeft de Commissie geadviseerd het project af te wijzen omdat enerzijds de vergroting van de condensor niet vernieuwend is en anderzijds het project geen navolging zal krijgen.

In de bestreden beslissing heeft verweerder, op basis van onder meer mondelinge informatie, geoordeeld dat het eerste advies van de Commissie op basis van dezelfde gronden tot stand is gekomen als het tweede advies van de Commissie. Nu deze mondelinge informatie voor appellante niet beschikbaar is, is de bestreden beslissing op dit onderdeel onzorgvuldig tot stand gekomen.

Op grond van het vorenstaande vordert appellante vernietiging van het bestreden besluit onder gegrondverklaring van haar beroep.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellante niet in aanmerking komt voor subsidie op grond van het Besluit. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 2, eerste lid, van het Besluit kan verweerder subsidie verstrekken aan degene die in Nederland een project uitvoert dat past in een energieprogramma. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat de energieprogramma's bij ministeriële regeling worden vastgesteld. In het kader van de besluitvorming met betrekking tot de onderhavige aanvraag om subsidie op grond van het energieprogramma NETTO diende dus allereerst de vraag te worden beantwoord of het project past binnen dit energieprogramma.

Uit het bestreden besluit blijkt dat verweerder de afwijzing van de aanvraag van appellante heeft gehandhaafd, zij het dat verweerder dit besluit op andere gronden heeft doen steunen dan op het aan de beslissing in primo ten grondslag gelegde artikel 1, aanhef en onder h, van het Besluit. Uit het bestreden besluit blijkt echter niet dat verweerder zich op het standpunt stelt dat het onderhavige project niet past binnen het energieprogramma NETTO en dat het project mitsdien ingevolge artikel 2 van het Besluit niet voor subsidie in aanmerking komt. Integendeel, uit dit besluit valt veeleer op te maken dat verweerder van oordeel is dat het onderhavige project wel past binnen genoemd energieprogramma.Verweerder heeft zich blijkens de overwegingen bij dit besluit - waarvan de hier van belang zijnde passages zijn weergegeven in rubriek 3 van deze uitspraak - op het standpunt gesteld dat het project niet voldoet aan de voorwaarden die in het energieprogramma NETTO aan projecten worden gesteld op het gebied van reële slaagkans en technische en financieel/-economische haalbaarheid. Voorts heeft verweerder het standpunt ingenomen dat het project niet voldoet aan het bepaalde in artikel 8 van het Besluit.

Voor een beoordeling of voldaan wordt aan de voorwaarden die in het energieprogramma NETTO aan projecten worden gesteld op het gebied van reële slaagkans en technische en economische haalbaarheid, is eerst plaats als is vastgesteld dat het project past binnen een energieprogramma als bedoeld in artikel 2 van het Besluit, en dat het project mitsdien in beginsel voor subsidieverlening in aanmerking komt. Immers, genoemde voorwaarden maken, respectievelijk onder a en onder c, deel uit van de 'Overige beoordelingsaspecten' zoals die in Bijlage 2 onder A van de Uitvoeringsregeling zijn genoemd, en worden - blijkens de aan de aldaar opgesomde voorwaarden voorafgaande inleidende zin - gesteld aan projecten die voor subsidie in aanmerking komen. Uit de omstandigheid dat de afwijzende beslissing mede is gebaseerd op het standpunt dat het project niet voor subsidie in aanmerking komt omdat niet is voldaan aan deze voorwaarden, kan worden afgeleid dat verweerder de voorvraag of het project past in het energieprogramma NETTO bevestigend heeft beantwoord.

Ook uit het standpunt van verweerder dat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 8 van het besluit valt af te leiden dat verweerder het project niet als een project heeft aangemerkt dat niet past in het energieprogramma NETTO. Daartoe overweegt het College het volgende.

Artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit heeft betrekking op demonstratie-projecten en marktintroductieprojecten. Bij de beslissing in primo heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het onderhavige project niet kan worden aangemerkt als een demonstratieproject als omschreven in artikel 1, onder h, van het Besluit. Bij het bestreden besluit heeft verweerder ten aanzien van dit punt te kennen gegeven de conclusie van de Commissie in het nieuw uitgebrachte advies van 30 juni 2000, inhoudende dat op grond van het gegeven dat niet is voldaan aan de in artikel 8 van het Besluit gestelde eis er geen sprake is van een demonstratieproject, niet zonder meer juist te achten. Verweerder heeft gesteld dat het project mogelijk voldoet aan de definitie van een demonstratieproject zoals gegeven in artikel 1 van het Besluit, maar dat daarmee nog niet is voldaan aan de (overige) voor een dergelijk project geldende eisen. Vervolgens is verweerder ingegaan op de in Bijlage 2 onder A van de uitvoeringsregeling genoemde voorwaarden. Aan de beoordeling of aan deze vereisten is voldaan kan, zoals hiervoor reeds aan de orde is geweest, eerst worden toegekomen, indien vaststaat dat het project past in een energieprogramma, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit, zodat verweerders standpunt dienaangaande - zoals gezegd - erop wijst dat hij heeft gemeend dat zulks met het project het geval is.

In artikel 8, tweede lid, is bepaald dat, indien onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project, de aanvraag gedeeltelijk kan worden afgewezen. Ook in dit geval zal allereerst sprake moeten zijn van een project dat past in een energieprogramma, als bedoeld in artikel 2 van het Besluit, omdat uit de mogelijkheid van een gedeeltelijke afwijzing reeds voortvloeit dat de aanvraag voor het overige kan worden toegewezen.

Gelet op het vorenstaande blijkt uit dit onderdeel van het bestreden besluit naar het oordeel van het College evenmin dat verweerder het project heeft aangemerkt als een project dat niet past in het energieprogramma NETTO.

Eerst in het verweerschrift en ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder te kennen gegeven dat het onderhavige project niet past in het energieprogramma NETTO en op grond van artikel 2 van het Besluit niet voor subsidie in aanmerking komt. Nu dit standpunt niet is neergelegd in het bestreden besluit, komt het College tot de conclusie dat dit besluit niet op een deugdelijke motivering berust.

Het College heeft ook uit anderen hoofde bedenkingen tegen het bestreden besluit en overweegt dienaangaande het volgende.

Ingevolge artikel 8, tweede lid, van het Besluit kan, indien vooralsnog onvoldoende vertrouwen bestaat in de technische haalbaarheid van het project, de aanvraag gedeeltelijk worden afgewezen, met dien verstande dat subsidie wordt verleend ter zake van de projectkosten, verbonden aan de uitvoering van een eerste fase van het project, gedurende een in de beschikking tot subsidieverlening te vermelden tijdvak.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder de conclusie van de Commissie dat de configuratie van een parallelle koppeling van een luchtgekoelde condensor en een watergekoelde condensor technisch geen reële optie is, overgenomen en heeft hij deze conclusie mede aan de afwijzing van de aanvraag ten grondslag gelegd. Uit de bestreden beslissing blijkt echter niet dat verweerder zich daarbij beraden heeft over de vraag of van de mogelijkheid die artikel 8, lid 2, van het Besluit biedt om bij twijfel ten aanzien van de technische haalbaarheid de aanvraag gedeeltelijk af te wijzen, gebruik kon worden gemaakt Ook overigens is niet gebleken dat verweerder een afweging als hier bedoeld bij zijn besluitvorming heeft betrokken. Naar het oordeel van het College is het bestreden besluit ook op dit punt niet deugdelijk gemotiveerd.

Voorts heeft verweerder blijkens het bestreden besluit gemeend dat reeds op grond van het bepaalde in artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit afwijzend op appellantes aanvraag diende te worden beslist. Daarbij heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat het project voor anderen geen rendabele toepassingmogelijkheden biedt, omdat de terugverdientijd twintig jaar is. Dit gegeven heeft verweerder ontleend aan een verslag dat is opgesteld naar aanleiding van een bedrijfsbezoek aan appellante op 12 januari 2000. Verweerder heeft erkend dat dit verslag niet is toegezonden aan appellante. Appellante heeft eerst uit het nieuwe advies van de Commissie van 30 juni 2000 kennis kunnen nemen van het bij verweerder bestaande uitgangspunt dat moet worden uitgegaan van een terug-verdientijd van twintig jaar. Appellante heeft gemotiveerd aangegeven dat de terugverdien-tijd rond de acht tot tien jaar ligt en heeft bestreden dat de terugverdientijd bij genoemd bedrijfsbezoek onderdeel van bespreking is geweest. Verweerder heeft in de bestreden beslissing op dit punt volstaan met te verwijzen naar het hier bedoelde - niet aan appellante bekende - verslag, waaruit een terugverdientijd van twintig jaar zou blijken.

Het College is van oordeel dat, nu appellante eerder niet in de gelegenheid is gesteld om kennis te nemen van het verslag, haar de mogelijkheid is onthouden om voldoende tijdig op de inhoud van het verslag te reageren.

Ter zitting heeft verweerder desgevraagd verklaard dat hij omtrent de terugverdientijd geen navraag heeft gedaan bij appellante en dat de terugverdientijd op 20 jaar is begroot op grond van de beschikbare gegevens van het project. Nu verweerder de Commissie zonder meer heeft gevolgd in haar standpunt dat de terugverdientijd zo lang is, dat het project geen voor anderen rendabele toepassingmogelijkheden biedt, welk standpunt is ontleend aan het door E opgestelde verslag van een bedrijfsbezoek, en verweerder heeft gesteld dat de Commissie er in dat verband terecht op heeft gewezen dat de weigerings-grond van artikel 8, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit van toepassing is, is het College van oordeel dat het bestreden besluit op dit onderdeel niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand is gekomen.

Het voorafgaande leidt tot de slotsom dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd op grond van artikel 7:12, eerste lid, en artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), alsmede dat verweerder opnieuw op de bezwaren van appellante zal moeten beslissen, met inachtneming van het hierboven overwogene.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten aan de zijde van appellante. Deze kosten worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt vastgesteld.

Van de kosten die appellante heeft gemaakt voor door een derde verleende beroepsmatig verleende rechtsbijstand komen voor vergoeding in aanmerking de kosten voor het verschijnen ter zitting van de gemachtigde van appellante. Deze kosten worden vastgesteld op € 322,--.

Voorts komen naar het oordeel van het College voor vergoeding in aanmerking de door appellante gemaakte kosten van de door haar naar de zitting meegebrachte deskundige. Ingevolge het bepaalde in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit proceskosten bestuursrecht wordt het bedrag van deze kosten vastgesteld op de vergoeding die ingevolge artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is verschuldigd. In artikel 8:36, tweede lid, van de Awb is het bij of krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde van overeenkomstige toepassing verklaard. Het College heeft voor het bepalen van de omvang van de kosten van de door appellante naar de zitting meegebrachte deskundige aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 1, onderdeel IV van het krachtens artikel 3 van deze wet gegeven Besluit tarieven in strafzaken en deze kosten als volgt begroot. In aanmerking genomen de tijdsduur van de zitting en de reisduur Rijssen - 's-Gravenhage, vice versa, heeft het College het aantal voor vergoeding in aanmerking komende uren ter zake van het tijdverzuim van de deskundige begroot op zeven, zodat de te vergoeden verzuimkosten worden vastgesteld op zeven maal € 54,-- = € 378,--. Tezamen met de door de deskundige gemaakte reiskosten, ad € 30,20 op basis van openbaar vervoer, tweede klasse, worden de kosten die appellante met betrekking tot de door haar naar de zitting meegebrachte deskundige heeft gemaakt vastgesteld op € 408,20.

In totaal bedragen de aan appellante te vergoeden proceskosten derhalve € 730,20.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder, met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen, opnieuw beslist;

- bepaalt dat de Staat aan appellante vergoedt het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van € 204,20 (zegge:

tweehonderdvier euro en twintig cent);

- veroordeelt verweerder in de kosten van de procedure aan de zijde van appellante, begroot op € 730,20, (zegge:

zevenhonderddertig euro en twintig cent) onder aanwijzing van de Staat als de rechtspersoon die deze kosten aan

appellante dient te betalen.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.A. Fierstra en mr R.J.G.M. Widdershoven, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. M.J. van den Broek-Prins