Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1127

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-03-2002
Datum publicatie
05-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/874
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(tweede enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/874 28 maart 2002

11236 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling varkensleveringen

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A & B, te C, appellant,

gemachtigde: mr M.M.G.M. Richter, werkzaam bij de Stichting Rechtsbijstand te Roermond,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J.C.M. Oudshoorn, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 15 november 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 oktober 2001. Bij dat besluit heeft verweerder appellante niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar tegen een schriftelijke mededeling van verweerder van 19 april 2001.

Bij brief van 13 december 2001 heeft appellante haar beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 8 januari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Het College heeft het onderzoek ex artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie onder toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gesloten en doet derhalve zonder zitting uitspraak.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Regeling varkensleveringen (Stcrt 2000, 14, hierna: de Regeling) bevat onder meer de volgende bepalingen:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(...)

c. varkenshouderijbedrijf: locatie van een landbouwbedrijf, niet zijnde een spermawincentrum of een quarantaineruimte, waar, anders dan voor recreatieve of educatieve doeleinden, een of meer varkens worden gehouden dan wel een locatie die voor het zodanig houden bestemd is;

(...)

f. A-bedrijf: varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 2 is aangewezen als A-bedrijf;

g. B-bedrijf: varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 3 is aangewezen als B-bedrijf;

h. C-bedrijf: varkenshouderijbedrijf dat krachtens artikel 4 is aangewezen als C-bedrijf;

i. D-bedrijf: varkenshouderijbedrijf dat niet is aangewezen als een A-bedrijf, een B-bedrijf of een C-bedrijf.

Artikel 2

De minister wijst op aanvraag van de exploitant diens varkenshouderijbedrijf aan als een A-bedrijf, indien:

(...)

Artikel 19

1. In afwijking van artikel 2 wijst de minister op aanvraag van de exploitant een varkenshouderijbedrijf dat niet voldoet aan artikel 2, onderdeel b, onderscheidenlijk c, aan als A-bedrijf voor de duur van ten hoogste één jaar, indien:

a. het varkenshouderijbedrijf onder de werking van de Regeling vervoersbeperkingen varkens is aangemerkt als basisfokbedrijf of subfokbedrijf als bedoeld in bijlage III van die regeling;

b. het varkenshouderijbedrijf voldoet aan alle overige voorwaarden van artikel 2, en

c. de exploitant van het varkenshouderijbedrijf verklaart zijn varkenshouderijbedrijf binnen één jaar zodanig in te richten dat wordt voldaan aan artikel 2, onderdeel b, onderscheidenlijk c.

(...)

5. Zodra het varkenshouderijbedrijf voldoet aan artikel 2, onderdeel b, onderscheidenlijk c, doch uiterlijk binnen één jaar na de dagtekening van het besluit, bedoeld in het eerste lid, kan de exploitant verzoeken om aanwijzing van het varkenshouderijbedrijf als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2. Bij de aanvraag voegt de exploitant een door een geaccrediteerde keuringsinstantie opgesteld bedrijfsrapport waaruit blijkt dat het varkenshouderijbedrijf voldoet aan alle in artikel 2 aan A-bedrijven gestelde voorwaarden.

6. De aanvraag, bedoeld in het eerste lid, wordt ingediend binnen vier weken na de dagtekening van de Staatscourant waarin deze regeling wordt geplaatst."

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten exploiteren een varkenshouderijbedrijf met UBN X, gevestigd te C aan de D-straat.

- Op 11 februari 2000 hebben appellanten een aanvraag ingediend om het bedrijf aan te wijzen als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling. Hierbij is verklaard dat het varkenshouderijbedrijf uiterlijk op 1 april 2001 beschikt over een toevoegstal die voldoet aan artikel 2, onderdeel b, van de Regeling.

- Bij brief van 31 maart 2000 heeft de Staatssecretaris van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij appellanten meegedeeld dat het bedrijf bij de handhaving van de Regeling wordt behandeld als zijnde een A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, aangezien voor het bedrijf een aanvraag voor aanwijzing als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling in behandeling is.

- Bij besluit van 24 november 2000 heeft verweerder appellanten meegedeeld dat is geconstateerd dat het varkenshouderijbedrijf voldoet aan de voorwaarden van artikel 19 van de Regeling. Het bedrijf wordt tot 1 april 2001 aangewezen als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling.

- Bij brief van 6 maart 2001 heeft de Directeur van de RVV appellanten geattendeerd op het feit dat het varkenshouderijbedrijf tot 1 april 2001 is aangewezen als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling. In deze brief wordt aangegeven dat indien het bedrijf op 1 april 2001 niet is aangewezen als een A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de Regeling, het bedrijf van rechtswege een D-bedrijf wordt. Aangegeven wordt dat voor aanwijzing tijdig een aanvraagformulier ingediend moet worden.

- Bij brief van 19 april heeft verweerder appellanten meegedeeld dat, aangezien zij voor 1 april 2001 geen aanvraagformulier voor een aanwijzing als A-bedrijf, als bedoeld in artikel 2 van de Regeling, hebben ingestuurd, de aanwijzing als A-bedrijf, als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, met ingang van 19 april is vervallen, hetgeen inhoudt dat het bedrijf van rechtswege een D-bedrijf is.

- Bij brief van 20 april 2001 hebben appellanten bezwaar gemaakt tegen de brief van 19 april 2001. In bezwaar hebben zij aangevoerd dat het hen in verband met de MKZ-crisis niet verweten kan worden dat zij niet op tijd konden beschikken over het bedrijfsrapport.

- Bij besluit van 17 mei 2001 heeft verweerder besloten het varkenshouderijbedrijf van appellanten met ingang van 17 mei 2001 aan te wijzen als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de Regeling.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

" (…)

Artikel 7:1 van de Awb stelt bezwaar open voor degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen. Artikel 8:1 van de Awb geeft aan dat een belanghebbende tegen een besluit beroep in kan stellen bij de rechtbank. Tegen besluiten, inhoudende algemeen verbindende voorschriften is op grond van artikel 8:2 Awb geen beroep mogelijk.

Volgens artikel 1:3 van de Awb is een besluit een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

U maakt bezwaar tegen de brief van 19 april 2001. In deze brief wordt u meegedeeld dat uw bedrijf van rechtswege is aangewezen als D-bedrijf, omdat u geen aanvraag voor aanwijzing als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de Regeling heeft ingediend.

In de artikelen 1, 2, (3, 4,) 6 en 19 van de Regeling is bepaald dat om als A- (B- of C-) bedrijf te kunnen worden aangemerkt, een varkenshouderijbedrijf moet worden aangewezen door de minister. Aanwijzing geschiedt op aanvraag van de exploitant van het varkenshouderijbedrijf .

Bedrijven die niet zijn aangewezen als A- (B- of C-) bedrijf zijn van rechtswege D-bedrijf. Varkenshouderijbedrijven die als D-bedrijven willen functioneren, hoeven geen aanvraag in te dienen. Er vindt geen aanwijzing voor D-bedrijven plaats (zie artikel 1 onderdeel i van de Regeling).

U was tot 1 april 2001 aangewezen als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling. Aangezien u voor 1 april 2001 geen aanvraag heeft ingediend om aangewezen te worden als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de Regeling, heeft er geen aanwijzing als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 plaatsgevonden en is uw bedrijf met ingang van 1 april 2001 van rechtswege een D-bedrijf geworden. Dit is u meegedeeld in de brief van 19 april 2001.

Naar mijn mening is de brief van 19 april niet aan te merken als een besluit in de zin van de Awb. Deze brief kan niet aangemerkt worden als een publiekrechtelijke rechtshandeling. Een publiekrechtelijke rechtshandeling is een handeling die naar haar aard gericht is op rechtsgevolg. De brief van 19 april 2001 is niet te beschouwen als een handeling die gericht is op rechtsgevolg. De brief is er namelijk niet op gericht om een verandering te brengen in een bestaande situatie. De brief is naar mijn oordeel een kennisgeving van een situatie die van rechtswege is ontstaan.

Aangezien de brief van 19 april 2001 niet is aan te merken als een besluit in de zin van de Awb, is er ingevolge de Awb geen beroep mogelijk bij een rechtbank. Het indienen van een bezwaarschrift is gelet op artikel 7:1 Awb ook niet mogelijk. Ik acht u kennelijk niet-ontvankelijk in uw bezwaar.

Het feit dat u door de MKZ crisis geen aanvraag hebt ingediend, aangezien er geen bedrijfsbezoeken mogelijk waren, doet aan bovenstaande niet af.

Voor zover uw bezwaarschrift is gericht tegen (artikel 19 van) de Regeling, acht ik u ook niet ontvankelijk in uw bezwaarschrift. De Regeling is een algemeen verbindend voorschrift, waartegen ingevolge de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk is.

Gelet op bovenstaande ben ik van oordeel dat u kennelijk niet-ontvankelijk bent in uw bezwaarschrift.

Overigens merk ik het volgende op.

Zoals hierboven is aangegeven is uw aanwijzing als A-bedrijf, als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, met ingang van 1 april 2001 van rechtswege vervallen. In de brief van 19 april 2001 is aangegeven dat uw aanwijzing als A-bedrijf, als bedoeld in artikel 19 van de Regeling, met ingang van heden is vervallen. Hiermee heeft men bedoeld te zeggen dat gedurende de periode van 1 april 2001 tot 19 april 2001 geen handhavingsmaatregelen zullen worden toegepast.

(…)."

4. Het standpunt van appellante

In het beroepschrift heeft de gemachtigde van appellante ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende aangevoerd.

" (…)

Het bedrijf van cliënten verloor met deze brief de A-status. Het Ministerie beschouwde het bedrijf vanaf 1 april 2001 als een bedrijf met een D-status.

Nu er wel verandering in status is opgetreden, kan er mijns inziens ook bezwaar en beroep worden aangetekend tegen het besluit van 19 april 2001.

Op 22 maart 2001 was door de RBD een bedrijfsbezoek ingepland. Dit kon geen doorgang vinden vanwege de MKZ-crisis. Naar aanleiding hiervan heeft mijn cliënt contact gehad met de heer Van Engelen van de RBD. De medewerker deelde mijn cliënt mede dat alles zou worden doorgeschoven tot na de MKZ-problematiek en dat mijn cliënt de A-status zou behouden.

Het bedrijf van A is op de lijst geplaatst zodat zo spoedig mogelijk een controle kan plaatsvinden vanwege de A- status. Vervolgens krijgt cliënt op 19 april 2001 een brief dat zijn A-status van rechtswege is vervallen.

A heeft vervolgens in een bezwaarschrift d.d. 20 april 2001 de RVV er op gewezen dat hij geen aanvraagformulier heeft ingestuurd omdat een medewerker van de Gezondheidsdienst hem heeft medegedeeld dat alles tot nader order zou worden doorgeschoven. Hij hoefde geen actie te ondernemen.

Bij de brief van 20 april 2001 heeft hij het meest recente bedrijfsrapport en de bloeduitslagen bijgevoegd. Begin december 2000 zijn er namelijk op het bedrijf voor het laatst varkens aangevoerd. De controles zoals bloedtappen, controle GD, iedere 14 dagen de dierenarts op het bedrijf gingen gewoon door.

Het kan A niet verweten worden dat hij niet op tijd kon beschikken over het bedrijfsrapport. De controle van de A-status wordt drie keer per jaar uitgevoerd door een medewerker van de Gezondheidsdienst. Gelet op het feit dat de medewerkers van de Gezondheidsdienst door de MKZ-crisis niet op het bedrijf van cliënt mochten komen, is er mijns inziens sprake van een overmachtsituatie. Het is in dit geval niet redelijk noch billijk om mijn cliënt hiervan de dupe te laten worden.

Dit alles heeft gespeeld in de periode 19 april tot en met 17 mei 2001. Tijdens deze periode konden dan ook geen opfokzeugen en vleesbiggen verplaatst worden naar het opfokbedrijf en mestbedrijf waar op dat moment voldoende ruimte was voor de opvang van deze dieren. Dit alles heeft tot gevolg gehad dat op het bedrijf van cliënten een flinke schade is ontstaan: overbezetting door extra 200 dieren gedurende ruim drie weken.

Vanwege het feit dat mijn cliënten schade (...) hebben geleden nu er geen dieren verplaatst mochten worden, verzoek ik u dit beroepschrift gegrond te verklaren.

(…)"

5. De beoordeling van het geschil

Het College onderschrijft hetgeen verweerder in het bestreden besluit heeft overwogen. Naar aanleiding van hetgeen door appellante is aangevoerd overweegt het College meer in het bijzonder nog het volgende. De verandering in status van A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling naar D-bedrijf is niet veroorzaakt door de brief van 19 april 2001. Deze verandering is namelijk van rechtswege opgetreden. De aanwijzing als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de Regeling was immers in tijd beperkt. Aangezien niet voor het einde van die tijd een aanwijzing als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de Regeling had plaatsgevonden, werd het bedrijf per 1 april 2001 automatisch een D-bedrijf. Besluitvorming door verweerder was daartoe niet vereist.

Dit betekent dat de brief van 19 april 2001 niets anders is dan een mededeling van een wijziging in een rechtstoestand welke wijziging reeds eerder, van rechtswege, had plaatsgevonden. Een dergelijke mededeling is geen besluit in de zin van artikel 1:3 Awb, zodat geen bezwaar of beroep daartegen mogelijk is.

Het College voegt hier nog aan toe verweerder niet bevoegd was om, in afwijking van de wettelijke regels, de aanwijzing van het bedrijf van appellante als A-bedrijf als bedoeld in artikel 19 van de regeling te continueren, omdat de termijn verstreken was. Verweerder was evenmin bevoegd om het bedrijf als A-bedrijf als bedoeld in artikel 2 van de regeling aan te wijzen, omdat nog geen voldoende gegevens voorhanden waren. Mededelingen van een medewerker van de RBD dat het bedrijf de A-status zouden behouden, kunnen dan ook, ongeacht of zij op die manier zijn gedaan en of zij namens verweerder zijn gedaan, niet tot het gevolg leiden dat de D-status niet van rechtswege is verkregen.

Nu niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan zou kunnen worden geoordeeld dat appellante door verweerder ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, acht het College het beroep kennelijk ongegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb merkt het College op dat een vordering betreffende de door appellante genoemde schade uitsluitend bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld, aangezien de schade niet het gevolg is van een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Awb.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 maart 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. S.F.E. Raeven