Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1057

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-03-2002
Datum publicatie
04-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/832
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 8:29
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/832 21 maart 2002

32010 Bestrijdingsmiddelenwet/Toelating

Beschikking op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

1. de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, zetelend te Rotterdam,

2. de Stichting Natuur en Milieu, zetelend te Utrecht,

appellanten,

gemachtigde: ing. P.J.H.D. Verkoelen, directeur van appellante sub 1,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), zetelend te Wageningen, verweerder,

gemachtigde: mr F. Heus, advocaat te Den Haag.

Waaraan voorts als partij deelneemt:

BASF Nederland B.V., gevestigd te Arnhem,

gemachtigde: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda.

1. Bij een op 25 oktober 2001 ter griffie ontvangen beroepschrift hebben appellanten beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 14 september 2001. Dit besluit strekt tot ongegrondverklaring van het door appellanten ingediende bezwaarschrift, gericht tegen besluiten van verweerder van 31 mei 2001 en 7 juli 2001, waarbij de toelatingen van een vijftal bestrijdingsmiddelen met als werkzame stof bentazon op de voet van het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (de Wet) juncto artikel 7, vijfde lid, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (de Rtb 1995) zijn verlengd.

2. Bij brief van 20 december 2001 heeft verweerder een zestal producties overgelegd. Deze producties staan vermeld op een inventarislijst die aan deze beschikking is gehecht. Ter aanvulling hierop heeft verweerder bij brief van 4 maart 2002 appendix 4 bij het op de inventarislijst als productie 1 vermelde rapport (hierna aangeduid als het Alterra-rapport) overgelegd.

3. Bij besluit van 6 september 2000 heeft verweerder een door de Vereniging van Waterbedrijven in Nederland (Vewin) ingediend (informatie)verzoek om verstrekking van het Alterra-rapport afgewezen. Tegen dit besluit hebben Vewin en twee waterleidingbedrijven bezwaar gemaakt. Tegen het niet tijdig nemen van een beslissing op dat bezwaar hebben Vewin c.s. bij het College beroep ingesteld, dat is geregistreerd onder nr. AWB 01/835. Bij besluit van 11 januari 2002 heeft verweerder, onder verwijzing naar artikel 22 van de Wet, de bezwaren van Vewin c.s. alsnog ongegrond verklaard. Dit besluit is ingevolge het bepaalde in artikel 6:20, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bij het hiervoor genoemde beroep betrokken. Op dit beroep, dat op 7 maart 2002 ter zitting is behandeld, heeft het College nog niet beslist.

4. Verweerder heeft met betrekking tot de zes door hem overgelegde producties (met inbegrip van appendix 4 bij het Alterra-rapport) een beroep gedaan op het bepaalde bij artikel 8:29 van de Awb. Dit beroep, dat moet worden opgevat als een mededeling dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van evenbedoelde producties, heeft verweerder

- desgevraagd - bij brief van 15 februari 2002 als volgt onderbouwd:

" Het verzoek tot beperkte kennisname ziet op het gehele Alterra-rapport. Het Alterra-rapport is door de toelatinghouder met een verzoek om geheimhouding ingediend. Het Alterra-rapport valt derhalve onder het gesloten dossier-stelsel zodat andere toelatinghouders bij een aanvraag daarnaar niet kunnen verwijzen. Tevens geldt op grond van art. 22 lid 2 Bmw 1962 een geheimhoudingsplicht voor het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB) ten aanzien van het Alterra-rapport. Het betreft immers een kostbaar onderzoek dat een doorslaggevende rol heeft gespeeld bij de beoordeling van de aanvraag aan het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen. Indien derden kosteloos over dit rapport zouden kunnen beschikken, zou dit concurrentievervalsing met zich kunnen brengen. (…)

De evalutatie van het Alterra-rapport door het CTB is wel openbaar. Deze evalutatie is voor een ieder kenbaar uit bijlage I (blz. 2-4) bij de primaire besluiten van 31 mei 2000 met betrekking tot de bentazonhoudende bestrijdingsmiddelen Basagran, AgriChem Bentazon Vloeibaar, Bentazon Imex, Basagran B-duplo en Laddok N. Deze besluiten zijn vrij toegankelijk via de Bestrijdingsmiddelen databank op internet. Derden, zoals Vewin c.s., de Stichting Natuur en Milieu en de Zuidhollandse Milieufederatie kunnen langs deze weg kennisnemen van de evaluatie door het CTB van het Alterra-rapport.

Wellicht ten overvloede wijs ik u erop dat het verzoek ex art. 8:29 Awb zich ook uitstrekt over de aan u toegezonden aanvraagformulieren. Ook deze formulieren vallen onder de bescherming van art. 22 Bmw 1962 omdat daar bedrijfs- en fabricagegegevens uit kunnen worden afgeleid."

5. Ter beoordeling staat thans de vraag of de beperking van de kennisneming van de onderhavige producties in dit geding gerechtvaardigd is. Hieromtrent overweegt het College als volgt.

6. Ingevolge het bepaalde bij artikel 8:29, eerste lid, van de Awb, juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, kan een partij die verplicht is stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, bij het overleggen van stukken het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat voor een bestuursorgaan gewichtige redenen in ieder geval niet aanwezig zijn, voorzover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Uit het derde lid van artikel 8:29 van de Awb volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

7. Met betrekking tot het tweede lid van artikel 8:29 is in de memorie van toelichting bij dit artikel onder meer het volgende opgemerkt:

" (…) Wanneer een bestuursorgaan op deze bepaling [artikel 8:29] een beroep doet, vindt de rechter in de criteria van de Wet openbaarheid van bestuur (Wob) een ondergrens. (…) De omstandigheid dat een bestuursorgaan een verzoek om informatie op grond van die wet zou kunnen afwijzen, kan echter niet zonder meer doorslaggevend zijn in een procedure tussen partijen."

Aangenomen moet worden dat ook de omstandigheid dat een bestuursorgaan daadwerkelijk een verzoek om informatie op grond van de Wob heeft afgewezen niet zonder meer doorslaggevend kan zijn om een beroep op geheimhouding van dat bestuursorgaan te honoreren. Daartoe is een afzonderlijke toets op "gewichtige redenen" vereist.

In het onderhavige geval heeft verweerder met toepassing van artikel 22 van de Wet besloten om het tot openbaarmaking van het Alterra-rapport strekkende verzoek van Vewin niet in te willigen. Wat het karakter van die bepaling betreft, heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bij uitspraken van 10 augustus 2000, nr. 199900744, gepubliceerd in NJB 2000, p. 1880, en 19 december 2000, nr. 20000098, gepubliceerd in JB 2001, nr. 33, geoordeeld dat in artikel 22 van de Wet een uitputtende bijzondere openbaarmakingsregeling is vervat, waarvoor de Wob als algemene openbaarmakingsregeling wijkt.

Zoals blijkt uit hetgeen onder 3 is overwogen, ligt er een besluit, dat voor de toepassing van artikel 8:29 van de Awb gelijk te stellen is met een op grond van de Wob genomen besluit, om het Alterra-rapport niet openbaar te maken, doch gelet op hetgeen hiervoor is overwogen over de wetsgeschiedenis van artikel 8:29 van de Awb, is het enkele feit dat verweerder heeft besloten het Alterra-rapport niet openbaar te maken, niet doorslaggevend om het verzoek om geheimhouding van dat rapport in te willigen.

8. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:29 van de Awb volgt dat de ingevolge het derde lid van artikel 8:29 door het College te nemen beslissing een afweging van belangen vergt. Daarbij zijn enerzijds aan de orde het belang dat partijen over en weer gelijkelijk beschikken over de voor de beslechting van het geschil relevante informatie, alsmede het belang dat de rechter beschikt over alle informatie die nodig is om de hem voorgelegde zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt daarbij het belang dat bepaalde gegevens niet, althans slechts in beperkte mate, openbaar worden. Onder dergelijke gegevens dienen mede te worden begrepen concurrentiegevoelige bedrijfsgegevens.

Dit laatste belang heeft voor een geval als het onderhavige evenwel specifieke regeling gevonden in het omtrent gegevensbescherming bepaalde bij en krachtens de Wet.

9. Hetgeen verweerder ter motivering van zijn verzoek ex artikel 8:29 van de Awb heeft aangevoerd, brengt het College tot het oordeel dat hier ten aanzien van de zes door verweerder overgelegde producties (met inbegrip van appendix 4 bij het Alterra-rapport) sprake is van gewichtige redenen, als bedoeld in dat artikel, en dat derhalve beperking van de kennisneming, geplaatst tegen de achtergrond van het hier toepasselijke normatieve kader, gerechtvaardigd is.

10. Gelet op de hierna te geven beslissing zal, gelet op het vijfde lid van artikel 8:29 van de Awb, aan appellanten en BASF worden gevraagd of zij er in toestemmen dat het College (mede) op grond van de niet aan hen toegezonden, door verweerder bij zijn verweerschrift overgelegde producties (met inbegrip van appendix 4 bij het Alterra-rapport), zal beslissen op het voorliggende beroep.

Beslissing:

Het College beslist dat beperking van de kennisneming van de door verweerder bij brief van 20 december 2001 overgelegde zes producties (met inbegrip van appendix 4 bij het op de inventarislijst als productie 1 vermelde Alterra-rapport) gerechtvaardigd is, in die zin dat alleen het College hiervan kennis zal mogen nemen.

Aldus gegeven door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, op 21 maart 2002.

w.g. J.A. Hagen w.g. W.F. Claessens