Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1008

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
03-04-2002
Zaaknummer
AWB 00/440
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:9
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/440 27 maart 2002

5135 EG-steunverlening akkerbouwgewassen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, te D,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J. Teigeler, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 30 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 april 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op zijn aanvraag om steun ingevolge de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 21 juli 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 14 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant werd hierbij vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door mr M.T. Veldhuizen, werkzaam bij verweerders ministerie. Tevens is aan de zijde van verweerder verschenen drs M. Honig van GeoRas, die een toelichting heeft gegeven met betrekking tot satellietopnames die zijn weergegeven op een beeldscherm.

Het College heeft het onderzoek ter zitting geschorst, teneinde verweerder de gelegenheid te geven om appellant alsnog te horen.

Bij besluit van 13 juni 2001 heeft verweerder na heroverweging beslist op het bezwaar van appellant.

Op 20 juli 2001 heeft appellant een beroepschrift ingediend tegen laatstgenoemd besluit.

Op 13 februari 2002 heeft is het onderzoek ter zitting voortgezet. Partijen hebben hierbij hun standpunten bij monde van hun gemachtigden nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In artikel 9, tweede lid, van Verordening (EEG) 3887/92 is onder meer bepaald dat, wanneer wordt vastgesteld dat de in de steunaanvraag "oppervlakten" aangegeven oppervlakte groter is dan de geconstateerde oppervlakte, het steunbedrag wordt berekend op basis van de bij controle feitelijk geconstateerde oppervlakte. Behoudens overmacht wordt er geen aan de oppervlakte gekoppelde steun toegekend wanneer het vastgestelde verschil groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte.

Bij de Regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In deze regeling wordt verstaan onder:

(…)

m. akkerland:

a) geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet agrarische doeleinden in gebruik was;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft een "Aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" bij verweerder ingediend (ontvangen op 6 april 1999) ter verkrijging van subsidie op grond van de Regeling voor zes percelen met een totale oppervlakte van (afgerond) 12,60 ha maïs.

- Bij brief van 16 november 1999 is aan appellant medegedeeld dat bij een controle door middel van teledetectie is vastgesteld dat het in voornoemde aanvraag opgenomen perceel met volgnummer 9 ter grootte van 2,50 ha, niet voldoet aan de definitie akkerland; appellant is in de gelegenheid gesteld hierop schriftelijk te reageren.

- Bij brief van 22 november 1999 heeft appellant gereageerd. Ter onderbouwing van zijn standpunt dat op perceel 9 maïs is verbouwd, heeft appellant diverse kopiefacturen van een loonbedrijf uit de jaren 1987 tot en met 1991 overgelegd.

- Bij besluit van 7 december 1999 is aan appellant medegedeeld dat zijn aanvraag is afgewezen. Hierbij is als reden vermeld dat het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte 2,50 ha bedraagt, zijnde 24,75% van de geconstateerde oppervlakte; aangezien het verschil tussen de aangevraagde en de geconstateerde oppervlakte groter is dan 20% van de geconstateerde oppervlakte, vervalt het recht op subsidie in zijn geheel.

- Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt bij brief van 20 december 1999.

- Vervolgens heeft verweerder op 20 april 2000 beslist op het bezwaarschrift.

- Ter zitting van het College van 14 maart 2001 is de behandeling van de zaak geschorst, teneinde verweerder de gelegenheid te geven om appellant alsnog te horen.

- Op 15 mei 2001 is appellant gehoord.

- Op 6 juni 2001 heeft GeoRas aan Laser medegedeeld dat GeoRas een additionele satellietfoto van perceel 9 van 2 september 1991 ter beschikking heeft gekregen, die de lezing van GeoRas bevestigt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren door verweerder na heroverweging ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe - samengevat - het volgende overwogen:

De door appellant overgelegde bewijzen in de vorm van facturen van een loonwerker-bedrijf kunnen door Laser niet worden geaccepteerd als bewijs van appellants stelling dat hij op perceel 9 in 1991 maïs heeft geteeld, omdat zij geen perceelsgebonden informatie bevatten.

Appellant beschikt over circa 38 ha landbouwareaal. Uit de facturen die betrekking hebben op het jaar 1991 valt slechts op te maken dat appellant in totaal 17 ha maïs gehakseld heeft. Het is voor Laser derhalve niet inzichtelijk of perceel 9 binnen de groep van percelen valt waarop maïs is verbouwd.

Anders dan appellant aanvoert, heeft verweerder bij zijn beslissing gebruik gemaakt van bestaande satellietfoto's. Deze satellietfoto's zijn op de internetsite van Eurimage terug te vinden.

Appellant heeft verklaard dat hij op perceel 9 en de omliggende percelen in 1991 maïs heeft verbouwd en voorts, in de periode tussen het oogsten van de maïs en het nemen van de tweede foto op 30 november, Engels raaigras heeft gezaaid. Dit gras groeit volgens appellant dermate snel dat de Landsat-satelliet het bewuste perceel op 30 november registreert als zijnde grasland. Ter onderbouwing van dit standpunt heeft appellant een verklaring van E, bedrijfskundig adviseur bij F, overgelegd.

Uit telefonisch contact met voornoemde E op 7 juni 2001 is verweerder gebleken dat E het bedrijf van appellant tussen 6 oktober 1991 en 30 november 1991 niet heeft bezocht, maar dat appellant hem heeft verteld dat Engels raaigras was ingezaaid en voorts dat E niet met zekerheid kon zeggen of perceel 9, op 6 oktober 1991 ingezaaid met Engels raaigras, op 30 november 1991 volledig met gras was bedekt. Uit het telefoon-gesprek heeft verweerder opgemaakt dat het de intentie van E was te verklaren dat onder normale weersomstandigheden Engels raaigras dermate snel kan groeien dat een perceel binnen een korte periode bedekt kan zijn met gras. Of dit ook voor perceel 9 in 1991 gold kon E niet aan verweerder bevestigen.

Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat E niet kan beoordelen of de grasmat een dermate hoge dichtheid heeft dat het perceel door de satelliet als zijnde grasland geregistreerd wordt, omdat hij geen deskundige is op het gebied van satellietfoto's.

Uit de door appellant overgelegde facturen blijkt dat in geen enkele van de vijf referentiejaren het tijdsverloop tussen de najaarsopname door de satelliet en de zaaidatum van het gras zodanig lang is dat de meting door GeoRas als diagnose een volle grasmat zou kunnen opleveren.

Omdat appellant vooral ten aanzien van het jaar 1991 twijfels koesterde, omdat in dat jaar de najaarsfoto dateert van 30 november, terwijl de factuur aangeeft dat het inzaaien van gras per 7 oktober 1991 zou hebben plaatsgevonden, heeft GeoRas op 6 juni 2001 aan Laser medegedeeld dat men de beschikking had over een additionele satellietfoto die is genomen op 2 september 1991. Deze foto bevestigt de lezing van GeoRas dat op perceel 9 in 1991 geen maïs werd verbouwd, omdat daarop duidelijk zichtbaar is dat op de omliggende percelen maïs werd verbouwd en dat perceel 9 bestond uit blijvend grasland.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

In enig jaar in de referentieperiode van 1987 tot en met 1991 heeft op perceel 9 maïs gestaan. Dit volgt uit het feit dat appellant een roulatiesysteem hanteert met betrekking tot het vernieuwen van grasland en het planten van maïs. De overgelegde facturen van de loonwerker bewijzen dat appellant een roulatiesysteem heeft toegepast. De percelen worden om de 2 à 3 jaar beplant met gras of maïs om de opbrengst van beide gewassen zo hoog mogelijk te houden, zodat in de bovengenoemde referentieperiode op ieder perceel, en daarmee ook op perceel 9, 1 à 2 keer maïs heeft gestaan.

Verweerder aanvaardt geen indirect bewijs van de zijde van appellant, maar past door het gebruik van satellietfoto's zelf wel indirect bewijs toe.

Verweerder heeft de satellietfoto van 2 september 1991 pas op 20 juni 2001, nadat de hoorzitting plaats had gevonden en de bestreden beslissing was genomen, aan appellant toegezonden.

Appellant twijfelt aan de juistheid van de analyses door GeoRas van de gebruikte satellietfoto's. Deze satellietfoto's zijn gemaakt met de banden 4, 5 en 7 en niet geschikt om een goede analyse van het gewas uit te voeren, aangezien het met deze banden niet mogelijk is het type vegetatie te onderscheiden. Op de hoorzitting kon GeoRas geen duidelijkheid verschaffen hoe de kleuren op de foto's worden geanalyseerd en hoe wordt beoordeeld welke gewassen op een perceel staan. GeoRas geeft voorts aan dat wegen en gebouwen niet worden waargenomen door de satelliet, terwijl de positionering van de percelen wel is gebaseerd op wegen. De topografische kaart is op de satellietfoto geprojecteerd zonder gebruik te maken van duidelijke referentiepunten. Appellants twijfel wordt tenslotte verder gevoed door het gegeven dat verweerder foto's heeft vervangen en een nieuwe foto van 2 september 1991 heeft toegevoegd.

De verklaring van Wolters is door verweerder ten onrechte niet serieus meegenomen als bewijs dat gras binnen zes weken een perceel vol kan bedekken.

Laser heeft het bezwaarschrift niet objectief en onpartijdig beoordeeld. GeoRas verstrekte maar zeer weinig informatie tijdens en na de hoorzitting van 15 mei 2001. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek gedaan. Voorts bevat het hoorzittingverslag onjuistheden, waardoor het een misleidend karakter heeft.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 7:9 van de Awb wordt, wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten en omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden meegedeeld en worden zij in de gelegenheid gesteld daarover te worden gehoord.

Verweerder heeft de bestreden beslissing onder meer gegrond op een na de hoorzitting door verweerder verkregen satellietfoto van 2 september 1991, alsmede op de diagnose door GeoRas van deze satellietfoto.

Naar het oordeel van het College moeten de satellietfoto van 2 september 1991 en de analyse van deze foto door GeoRas, worden beschouwd als feiten en omstandigheden als bedoeld in voormeld artikel van de Awb.

Omdat appellant niet in de gelegenheid is gesteld hierover te worden gehoord alvorens de bestreden beslissing is genomen, moet de conclusie zijn dat het bestreden besluit in strijd met artikel 7:9 van de Awb tot stand is gekomen en reeds hierom niet in stand kan blijven.

Het beroep is derhalve gegrond en het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het College acht termen aanwezig voor nadere beslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellant beslist met inachtneming van deze uitspraak;

- bepaalt dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge: honderdentwee Euro en tien Eurocent)

wordt vergoed door de Staat.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr D. Roemers, mr F.W. du Marchie Sarvaas,

in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. Th.J. van Gessel