Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE1005

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
03-04-2002
Zaaknummer
AWB 01/636
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/636 27 maart 2002

5197 Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen

Uitspraak in de zaak van:

Stichting "Het Drentse Landschap", te Assen, appellante,

gemachtigde: mr P.J.J.G. Sluijter, advocaat te Assen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr A. Worlanyoh-Vogel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 18 november 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 oktober 1999.

Bij dat besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om subsidie op grond van de Subsidieregeling zeldzame landbouwhuisdierrassen (hierna: de subsidieregeling) ongegrond verklaard.

Het beroepschrift is met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) naar de arrondissementsrechtbank te Assen gezonden.

Bij uitspraak van 31 juli 2000 kenmerk 99/810 WET PO9 GO3 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en bepaald dat verweerder opnieuw op de bezwaren beslist.

Tegen deze uitspraak heeft verweerder hoger beroep ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS). Bij uitspraak van 1 augustus 2001 no. 2000004053/1 heeft de ABRvS de uitspraak van de rechtbank vernietigd en de rechtbank alsnog onbevoegd verklaard. Doende wat de rechtbank had moeten doen heeft de ABRvS het beroepschrift met toepassing van artikel 6:15 Awb aan het College gezonden. Het beroepschrift met bijlagen (waaronder de procesdossiers) is op 2 augustus 2001 ter griffie van het College ontvangen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 februari 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht.

2. De ontvankelijkheid van het beroep.

2.1 De statuten van appellante luiden, voor zover hier van belang, als volgt:

" Artikel 5.

1. De stichting wordt bestuurd door het algemeen bestuur.

(…)

Artikel 7.

1. Het dagelijks bestuur is belast met de voorbereiding van door het algemeen bestuur te nemen besluiten en met de uitvoering van deze besluiten.

2. Het dagelijks bestuur heeft de dagelijkse leiding bij het bestuur van de stichting, het beheren van in artikel 3 onder 1.a. van deze statuten genoemde registergoederen en van andere vermogensbestanddelen, met inachtneming van de door het algemeen bestuur vastgestelde beleidslijnen.

Artikel 8.

(…)

8. Een bestuur kan ter vergadering alleen dan geldige besluiten nemen indien de meerderheid zijner in functie zijnde leden ter vergadering aanwezig of vertegenwoordigd is.

9. Een bestuur kan ook buiten vergadering besluiten nemen, mits alle bestuursleden in de gelegenheid zijn gesteld schriftelijk, telegrafisch, per telefax of per telex hun mening te uiten. Van een aldus genomen besluit wordt onder bijvoeging van de ingekomen antwoorden door de secretaris een relaas opgemaakt, dat na mede-ondertekening door de voorzitter bij de notulen wordt gevoegd.

(…)

Bestuursbevoegdheid en vertegenwoordiging.

Artikel 9.

1. Twee leden van het dagelijks bestuur zijn te zamen bevoegd de stichting in en buiten rechte te vertegenwoordigen. Van hen dient tenminste één de funktie van voorzitter, secretaris of penningmeester te vervullen.

2. Het dagelijks bestuur is bevoegd tot het sluiten van overeenkomsten als bedoeld in artikel 291 lid 2 van Boek 2 van het Burgerlijk Wetboek. Het sluiten van deze overeenkomsten behoeft de goedkeuring van het algemeen bestuur voorzover dit bestuur niet anders bepaalt.

(…)"

Bij de stukken bevindt zich een volmacht, afkomstig van de voorzitter en de secretaris van appellante en gedateerd december 1999, waarbij deze verklaren volmacht te geven aan A, directeur/rentmeester van appellante, om namens hen een aantal nader genoemde handelingen te verrichten en voorts al datgene te doen wat de gevolmachtigde raadzaam zal oordelen, alles met de macht van substitutie.

Het beroep is namens appellante ingesteld door A.

2.2 Verweerder heeft zowel in zijn verweerschrift bij de rechtbank als in hoger beroep bij de ABRvS betoogd dat het beroep niet bevoegdelijk namens appellante is ingesteld. De rechtbank heeft deze stelling van verweerder verworpen. De ABRvS is er niet op ingegaan omdat de uitspraak van de rechtbank reeds om een andere reden - de onbevoegdheid - diende te worden vernietigd.

Het College overweegt het volgende.

Uit de hogerweergegeven bepalingen uit de statuten van appellante blijkt dat slechts het algemeen bestuur bevoegd is te besluiten tot het instellen van beroep. Die bevoegdheid komt niet toe aan voorzitter en secretaris - zij zijn immers alleen bevoegd namens appellante in rechte op te treden - zodat de door hen afgegeven volmacht, wat daar verder ook van zij, in elk geval niet kan inhouden een machtiging tot het namens appellante instellen van beroep.

Door het algemeen bestuur is een besluit van die strekking, naar door de gemachtigde van appellante ter zitting is medegedeeld, niet genomen. Zonder meer staat evenwel vast, aldus genoemde gemachtigde, dat alle bestuursleden met het beroep kunnen instemmen.

Het College is van oordeel dat, nu een besluit overeenkomstig deze instemming ten tijde dat het beroep werd ingesteld niet is genomen op de in de statuten voorgeschreven wijze, geen sprake is van een rechtsgeldig genomen besluit van het algemeen bestuur. De situatie is voorts niet vergelijkbaar met die waarop de door appellante aangehaalde uitspraak van de ABRvS van 10 maart 2000, JB 2000,117 betrekking heeft. In dat geval ging het om een besluit ten aanzien waarvan de instemming van een derde partij - het bisdom - vereist was. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr D. Roemers en mr. F.W. du Marchie Sarvaas,

in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel , als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. Th.J. van Gessel