Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0781

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 02/335
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste en enige aanleg
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 3
Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen 7
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 2
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3a
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 4
Bestrijdingsmiddelenwet 1962 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 02/335 27 maart 2002

32030

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. de Stichting Zuid-Hollandse Milieufederatie, zetelend te Rotterdam,

2. de Stichting Natuur en Milieu, zetelend te Utrecht,

verzoeksters,

gemachtigde: mr drs J. Rutteman, werkzaam bij appellante sub 1,

tegen

het College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen (CTB), zetelend te Wageningen, verweerder,

gemachtigden: mr J.H. Geerdink, advocaat te Den Haag, en mr A.M.C. Groenhuis, dr H.E. Valke en ing G.M. van der Gist, allen werkzaam bij verweerder,

waaraan voorts als partijen deelnemen:

3. Cerexagri B.V., gevestigd te Vondelingenplaat Rt,

4. Dow AgroSciences B.V., gevestigd te Terneuzen en Wilrijk, België,

5. Luxan B.V., gevestigd te Elst,

6. Agrichem B.V., gevestigd te Oosterhout,

7. Aventis CropScience Benelux B.V., gevestigd te Oosterhout,

8. DuPont de Nemours (Nederland) B.V., gevestigd te Dordrecht,

9. Bayer B.V., gevestigd te Mijdrecht,

gemachtigde voor deze partijen: mr M.W.L. Simons-Vinckx, advocaat te Breda.

1. De procedure

Bij besluiten van 23 en 30 november 2001 heeft verweerder besloten de toelatingen van 23 bestrijdingsmiddelen met als werkzame stof (onder meer) mancozeb, welke toelatingen op de voet van het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: de Wet) juncto artikel 7, vijfde lid, van de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (hierna: de Rtb 1995) waren verlengd tot 1 december 2001, op basis van evengenoemde bepalingen te verlengen tot 1 december 2004. Op dezelfde wettelijke grondslag is bij besluit van 30 november 2001 de - eveneens tot 1 december 2001 verlengde - toelating van het bestrijdingsmiddel Vondozeb Dg, met als werkzame stoffen mancozeb en cymoxanil, verlengd tot 1 december 2002. Voorts heeft verweerder bij zijn besluiten van 23 en 30 november 2001 besloten de vliegtuigtoepassingen van mancozeb-houdende middelen per 1 december 2001 te beëindigen, alsmede, onder verwijzing naar de "Vaststellingsregeling beleid overgangs-, afleverings- en opgebruiktermijn CTB 2001" (hierna: het aflever- en opgebruiktermijnbeleid), voor die toepassingen een afleveringstermijn vast te stellen tot 1 december 2002, alsmede een opgebruiktermijn tot 1 juni 2003.

Tegen deze besluiten hebben verzoekster bij brief van 10 januari 2002, aangevuld bij brief van 7 februari 2002, een bezwaarschrift ingediend. Voorts hebben zij bij verzoekschrift van 14 februari 2002, binnengekomen op 15 februari 2002, aan de voorzieningenrechter van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, primair strekkende tot schorsing van de hiervoor genoemde besluiten van 23 en 30 november 2001, dan wel tot het treffen van andere maatregelen die ter bescherming van het milieu noodzakelijk worden geacht, en subsidiair strekkende tot schorsing van de besluiten voorzover zij in de vorm van een aflever- en opgebruiktermijn toestaan dat mancozeb-houdende bestrijdingsmiddelen met behulp van vliegtuigen worden verspreid.

Bij brieven van 1 maart 2002 zijn de betrokken toelatinghouders in de gelegenheid gesteld als partijen aan het geding deel te nemen.

Bij brief van 11 maart 2002 heeft de gemachtigde van de derde-belanghebbende partijen een nader stuk toegezonden.

Verweerder heeft onder overlegging van 28 producties onder dagtekening 12 maart 2002 schriftelijk op het verzoek om voorlopige voorziening gereageerd.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek, gelijktijdig met het onder nr. AWB 02/235 geregistreerde verzoek om voorlopige voorziening, behandeld ter zitting van 18 maart 2002, alwaar partijen, bij monde van hun gemachtigden, hun standpunten nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De toepasselijke regelgeving.

Sinds 1 februari 1995 is in de Wet, voorzover hier van belang, als volgt bepaald:

" Artikel 2

1. Het is verboden een bestrijdingsmiddel af te leveren, voorhanden of in voorraad te hebben, binnen Nederland te brengen of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten.

(…)

5. Het college maakt in de Staatscourant bekend dat een bestrijdingsmiddel, dat niet meer is toegelaten, gedurende een bij die bekendmaking bepaalde termijn in afwijking van het in het eerste lid bedoelde verbod nog mag worden afgeleverd, gebruikt dan wel in voorraad of voorhanden gehouden. Daarbij kan het voorschriften met betrekking tot het gebruik geven als bedoeld in artikel 5, tweede lid.

6. Bij regeling van Onze betrokken Minister kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de aflevering of het in voorraad of voorhanden hebben van de in het vijfde lid bedoelde bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen tevens regelen worden gesteld omtrent de verwijdering binnen een daarbij te bepalen tijdvak van een niet meer toegelaten bestrijdingsmiddel.

(…)

Artikel 3

1. Een bestrijdingsmiddel wordt slechts toegelaten indien:

a. op grond van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling, is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsprodukten, wanneer het overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens deze wet wordt gebruikt: (…)

(…)

3. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect;

4. geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van dieren, hetzij direct, hetzij indirect;

5. de gezondheid niet schaadt of de veiligheid niet in gevaar brengt van degene die het middel toepast; (…)

(…)

10. geen voor het milieu onaanvaardbaar effect heeft, (…).

Artikel 3a

1. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regelen worden gesteld met betrekking tot de toelatingscriteria als bedoeld in artikel 3, eerste lid, onderdeel a, en kunnen beginselen voor de beoordeling worden vastgesteld.

(…)

Artikel 4

(…)

2. Onze betrokken minister stelt regelen omtrent het indienen van een aanvraag, de bij een aanvraag door de aanvrager over te leggen gegevens en zelfstandigheden, de aan de gegevens en zelfstandigheden ten grondslag liggende onderzoeksmethoden en omstandigheden en de wijze van behandeling daarvan.

(…)

Artikel 5

1. De toelating van een bestrijdingsmiddel geldt voor een in het besluit tot toelating te bepalen termijn van ten hoogste tien jaren. De toelating kan één of meerdere malen met ten hoogste tien jaren worden verlengd indien is gebleken dat nog steeds aan de voorwaarden voor toelating is voldaan. Zonodig kan de toelating worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de aanvraag tot verlenging gemoeid is.

(…)"

Ter uitvoering van artikel 3a van de Wet is het Besluit milieutoelatingseisen bestrijdingsmiddelen (Stb 1995/37) (hierna: Bmb) vastgesteld. In het Bmb zoals dit laatstelijk is gewijzigd is - voorzover hier van belang - het volgende bepaald:

" § 1. Algemene bepalingen

Artikel 3

1. Onverminderd het tweede lid, wordt een gewasbeschermingsmiddel slechts toegelaten indien het middel voldoet aan de bij of krachtens de artikelen 5 tot en met 7a gestelde regels, (…)

§ 4. Risico voor waterorganismen

Artikel 7

1. Een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben in het oppervlaktewater een concentratie van minder dan:

a. 1. 0,01 van de LC50 voor acute toxiciteit voor vis en 0,01 van de acute EC50 voor Daphnia, en

2. 0,1 van de NOEC voor lange termijn toxiciteit voor vis en Daphnia;

b. 0,1 van de NOEC voor algen.

2. Een werkzame stof van een gewasbeschermingsmiddel en elk van zijn omzettingsprodukten hebben een maximale bioconcentratiefactor van minder dan:

a. 1000 voor werkzame stoffen, die gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn, of

b. 100 voor werkzame stoffen, die niet gemakkelijk biologisch afbreekbaar zijn.

3. Aan het eerste en tweede lid behoeft niet te zijn voldaan, indien de aanvrager

onderscheidenlijk houder van de toelating aantoont dat er geen onaanvaardbare directe of indirecte effecten zijn voor waterorganismen en organismen die afhankelijk zijn van waterecosystemen.

4. Bij regeling van Onze Minister worden nadere regels gesteld met betrekking tot de wijze waarop wordt bepaald of aan het eerste, tweede en derde lid is voldaan."

In de Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 (Stcrt. 41) (hierna: Rtb 1995), een ministeriële regeling als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet, zoals deze laatstelijk is gewijzigd, is het volgende bepaald:

" Art. 7.-1. Aanvragen tot toelating van een bestrijdingsmiddel, tot verlenging van de toelating van een bestrijdingsmiddel en tot wijziging van de samenstelling of uitbreiding van het gebruiksgebied van een toegelaten bestrijdingsmiddel worden ingediend bij het college onder gebruikmaking van aldaar verkrijgbare formulieren.

(…)

-3. Een aanvraag tot verlenging van een toelating wordt tenminste 14 maanden voor de afloop van de toelating ingediend (…).

(…)

-4. Binnen twee weken na ontvangst van het aanvraagformulier wordt de ontvangst van de aanvraag onder mededeling van een aanvraagnummer aan de aanvrager schriftelijk bevestigd. Binnen twaalf weken na de ontvangst van zowel het aanvraagformulier als de op grond van het tweede lid verschuldigde aanvraagkosten wordt de aanvrager meegedeeld of de aanvraag in behandeling is genomen (…).

-5. Het college kan indien de besluitvorming met betrekking tot een aanvraag tot verlenging van een toelating niet tijdig kan zijn afgerond de betreffende toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van deze besluitvorming.

(…)

Art. 10

1. Zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk vierendertig weken na ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, wordt de aanvrager een opgave gedaan van door hem, binnen een bij die opgave gestelde termijn, alsnog te leveren dan wel aanvullend te leveren gegevens en van te verrichten onderzoekingen (…).

2. Binnen acht weken na de ontvangst van zowel de gegevens, bedoeld in het eerste lid, als het verschuldigde bedrag wordt de aanvrager meegedeeld of de gegevens in behandeling zijn genomen.

(…)

4. Op schriftelijk verzoek van de aanvrager kan, indien de overgelegde gegevens aanleiding zouden kunnen zijn voor een besluit houdende gehele dan wel gedeeltelijke afwijzing van de aanvraag, de procedure overeenkomstig het eerste en tweede lid éénmaal worden herhaald. De aanvrager dient aannemelijk te maken dat de door hem alsnog te leveren gegevens voor het college aanleiding kunnen zijn voor het nemen van een ander besluit dan bedoeld in de eerste volzin.

(…)

Art. 14

1. Het college neemt zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen een termijn van achtenveertig weken na de ontvangst van het op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag dan wel na het in behandeling nemen van de gegevens, bedoeld in artikel 10, en de ontvangst van het in verband met deze gegevens op grond van artikel 38 verschuldigde bedrag, een besluit houdende toe- of afwijzing van de aanvraag.

(…)"

In de toelichting bij artikel 7, lid 5, van de Rtb 1995 wordt vermeld dat indiening van een aanvraag tot verlenging van een toelating na het in het derde lid genoemde tijdvak van 14 maanden tot gevolg kan hebben dat de toelating expireert voordat de besluitvorming op de verlengingsaanvraag is afgerond. Indien in zo'n geval de besluitvorming niet tijdig kan zijn afgerond en dit niet aan nalatigheid van de aanvrager is te wijten (bijvoorbeeld omdat het college aanvullende vragen stelt) zal het college de toelating verlengen voor de duur die benodigd is voor de afronding van de besluitvorming, aldus deze toelichting.

Besluiten tot verlenging van een toelating die zijn genomen met toepassing van het bepaalde bij artikel 5, eerste lid, derde volzin van de Wet, in samenhang gelezen met artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995, zijn in het navolgende aangeduid als "procedurele verlengingen".

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningen-rechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- De door verzoeksters aangevochten besluiten betreffen de toelatingen van de navolgende bestrijdingsmiddelen:

1. Dithane DG NewTec (10318 N)

2. Dithane DG (10515 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane DG NewTec)

3. Cymoxanil-M (11687 N)

4. Curzate M spuitpoeder (10865 N) (afgeleid van de toelating voor Curzate M)

5. Curzate M (8708 N)

6. Bakthane DF (10461 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane DG NewTec)

7. Bakthane vloeibaar (9497 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane vloeibaar)

8. Luxan mancozeb 450 FC (10054 N)

9. Luxan mancozeb vloeibaar (11487 N) (afgeleid van de toelating voor Luxan mancozeb 450 FC)

10. Brabant mancozeb flowable (10274 N)

11. Brabant mancozeb (8868 N) (afgeleid van de toelating voor Penncozeb 80 WP)

12. Vondocarb (6756 N)

13. Turbat (10002 N)

14. Pennfluid (11791 N)

15. Penncozeb 80 WP (8758 N)

16. Penncozeb DG (10412 N)

17. Mortar vloeibaar (11924 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane vloeibaar)

18. Manconyl 2 (11471 N) (afgeleid van de toelating voor Penncozeb 80 WP)

19. Manconex (11956 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane vloeibaar)

20. Holland Fyto Fythane DG (11938 N) (afgeleid van de toelating voor Dithane DG NewTec)

21. Dithane vloeibaar (7537 N)

22. Dithane M-45 spuitpoeder (11397 N)

23. Tridex DG (10560 N) (afgeleid van de toelating voor Penncozeb DG)

24. Vondozeb DG (12168 N) (afgeleid van de toelating voor Penncozeb DG)

- In bijlage II van de aangevochten besluiten, die op de niet-afgeleide toelatingen betrekking hebben, is vermeld dat in het kader van de versnelde herbeoordeling van mancozeb-houdende bestrijdingsmiddelen in december 1996 aan de toelatinghouders is gevraagd:

" o Een studie naar de omzettingsroute van de werkzame stof mancozeb in grondsoort volgens G.1.1 van het aanvraagformulier. Er dienen in de eerste 10 dagen van de studie tenminste 5 monsternametijdstippen te worden opgenomen. Indien een omzettingsprodukt in de omzettingsstudie wordt gevormd in een gehalte van meer dan 10% van de hoeveelheid opgebrachte werkzame stof, dient met dat omzettingsprodukt een omzettingssnelheidsstudie in tenminste 3 grondsoorten volgens G.1.1 van het aanvraagformulier en een schudproef of een kolomproefmet tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier uitgevoerd te worden.

o Een schudproef of een kolomproef met de werkzame stof mancozeb met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa- waarde van de werkzame stof ligt tussen 2 en 6, dan dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7-8.

o Een schudproef of een kolomproef met het omzettingsprodukt ETU met tenminste 3 grondsoorten ter bepaling van de Ks/l volgens G.1.2 van het aanvraagformulier. Indien de pKa- waarde van het omzettingsprodukt ETU ligt tussen 2 en 6, dan dienen sorptiegegevens geleverd te worden in tenminste 3 grondsoorten met pH 7-8.

o Een kolomstudie met verouderd residu in tenminste 1 grondsoort volgens G.J.2 van het aanvraagformulier.

o Uitvoering van (semi)-veldonderzoek met betrekking tot de effecten van het bestrijdingsmiddel op aquatische ecosystemen voor de meest kritische toepassing, met speciale aandacht voor de effecten op algen/kreeftachtigen/vissen."

- De toelatinghouders van mancozeb-houdende bestrijdingsmiddelen hebben in de periode na december 1996 aanvragen ingediend tot verlenging van de toelatingen van deze middelen.

- Bij brief van 5 november 1997 heeft verweerder de toelatinghouders van bestrijdingsmiddelen met als werkzame stof maneb, welke stof sterke overeenkomst vertoont met mancozeb, het volgende medegedeeld:

" Bij brief d.d. 3 juli 1997 levert u als antwoord op de vraag naar (semi-)

veldonderzoek naar de effecten op aquatische ecosystemen een risicoevaluatie voor (middelen op basis van) maneb en mancozeb, gebaseerd op laboratoriumstudies. U relateert daarbij de worst case PECO, gebaseerd op de nieuwste driftpercentages, aan de NOEC-waarden uit acute laboratoriumstudies met algen, kreeftachtigen en vissen. Deze NOEC-waarden betreffen initiële nominale concentraties. In alle gevallen zijn de NOEC-waarden hoger dan de PECO. Omdat het (semi-)statische testen betreft stelt u dat ook de metabolieten zijn meegenomen in de testen (maneb en mancozeb breken snel af in water). U meent dat, omdat het om worst case exposure condities gaat in de testen, er in de praktijk geen nadelige effecten zullen zijn mede vanwege de snelle verdwijning van maneb en mancozeb. Derhalve bent u van mening dat een (semi-)veldstudie overbodig is.

Bij bovenstaande risicoschatting plaatst het College de volgende kanttekeningen:

o als norm is genomen de NOEC-waarde uit de acute laboratoriumstudies inzake de toxiciteit. In deze studies wordt in het geval van vissen slechts gekeken naar mortaliteit als eindpunt en voor kreeftachtigen naar immobilisatie. Andere parameters zoals gedrag, groei en reproduktie blijven buiten beschouwing;

o een veiligheidsfaktor die normaal wordt toegepast bij de normstelling gebaseerd op acute toxiciteitsgegeven is niet toegepast;

o u gaat er van uit dat de metabolieten zijn meegenomen in de toxiciteitstesten. Niet alle metabolieten kunnen in het korte tijdsbestek van 48 uur in het geval van kreeftachtigen en 96 uur in het geval van de test met vissen op hun toxiciteit worden getest. Dit geldt met name voor de metabolieten ETU en EU die als laatste metabolieten worden gevormd.

Voor de metabolieten ETU en EU zijn toxiciteitsgegevens beschikbaar waaruit blijkt dat zij zeer weinig giftig zijn voor waterorganismen. Derhalve is de laatste kanttekening in onderhavig geval niet relevant meer.

Echter op grond van de eerste twee kanttekeningen bij de door u opgestelde risicoevaluatie wordt deze risicoevaluatie door het College niet acceptabel geacht. Derhalve blijft de vraag naar (semi-)veldonderzoek naar de effecten van bestrijdingsmiddel op aquatische ecosystemen -zoals verwoord in onze brieven d.d. 5 december 1996 (96/5885 en 96/5910)- gehandhaafd. Hierbij wordt opgemerkt dat bij de uitvoering van het (semi-)veldonderzoek m.n. aandacht besteed dient te worden aan de acute effecten en dat het onderzoek zich in eerste instantie m.n. kan richten op de effecten op phyto- en zoöplankton."

- In december 2000 heeft verweerder besloten de toelatingen van de onderhavige bestrijdingsmiddelen procedureel te verlengen tot 1 december 2001.

- Op 5 juli 2001 heeft verweerder aan de betrokken toelatingshouders zijn voornemen kenbaar gemaakt om alle toepassingen van bestrijdingsmiddelen op basis van mancozeb te beëindigen met ingang van 1 december 2001. Wat betreft de gronden waarop dit voornemen berust, is bij het besluit dat verweerder in zijn vergadering van 13 juni 2001 heeft genomen en dat (ten dele) is opgenomen in bijlage II van de aangevochten - niet op afgeleide toelatingen betrekking hebbende - besluiten, het navolgende overwogen:

" 1. voor alle toepassingen als gewasbehandelingen geldt dat de norm voor aquatische organismen wordt overschreden. Alle vliegtuigtoepassingen voldoen niet aan de norm zoals vastgesteld in higher tier onderzoek (waarin alleen alg en Daphnia zijn meegenomen). Voor de teelten appels en peren (alleen PENNFLUID, toepassing na 1 mei), uien, asperges, aardappelen, tarwe, bieten, bloembollen, bloemisterijgewassen (v.g. en o.g.), chrysanten (v.g. en o.g.) geldt dat wordt voldaan aan de norm zoals vastgesteld in higher tier onderzoek. Dit higher tier onderzoek dient nog wel ondersteund te worden door aanvullende gegevens (screening van additionele species macrocrustaceae en niet-arthropoden volgens HARAP). Voor de overige teelten geldt dat niet wordt voldaan aan de norm zoals vastgesteld in higher tier onderzoek. In het geleverde higher tier onderzoek zijn echter geen vissen meegenomen. In 1996 is voor mancozeb de vraag naar uitvoering van (semi-)veldonderzoek met betrekking tot de effecten van het bestrijdingsmiddel op aquatische ecosystemen voor de meest kritische toepassing, met speciale aandacht voor de effecten op algen/kreeftachtigen/vissen reeds gesteld.

5. Voor de metabolieten EBIS en EU het risico voor uitspoeling niet ingeschat kan worden omdat betrouwbare adsorptiegegevens ontbreken. Derhalve wordt vooralsnog niet voldaan aan de norm voor uitspoeling zoals opgenomen in het Bmb. Er ontbreken gegevens m.b.t. de adsorptie van EBIS en EU aan de bodem. Deze zijn reeds in 1996 gevraagd."

- Naar aanleiding van de zienswijze van de toelatinghouders op dit voornemen, heeft verweerder vervolgens de besluiten genomen ten aanzien waarvan thans het verzoek om een voorlopige voorziening is gedaan.

3. De besluiten ten aanzien waarvan een verzoek om voorlopige voorziening is gedaan en het standpunt van verweerder.

De door verzoeksters aangevochten besluiten van 23 en 30 november 2001 zijn in bijlage II bij deze besluiten op nagenoeg gelijke wijze verwoord en wel, zoals in het door verzoeksters overgelegde besluit ter zake van het middel Curzate M, als volgt:

" Het College besluit

o het voornemen de toelating van CURZA TE M te beëindigen met ingang van

1 december 2001 om te zetten in een beëindiging van de vliegtuigtoepassingen per 1 december 2001. Deze toepassingen voldoen niet aan de norm voor waterorganismen. De grond voor de beëindiging voor de overige toepassingen is komen te vervallen;

o voor de te beëindigen vliegtuigtoepassingen een afleveringstermijn tot 1 december 2002 vast te stellen, alsmede een opgebruiktermijn tot 1 juni 2003. Dit is conform de 'Vaststellingsregeling beleid overgangs-, afleverings- en opgebruiktermijn CTB 2001'.

o de toelating van CURZATE M te verlengen tot 1 december 2004 op grond van art. 5, eerste lid Bestrijdingsmiddelenwet 1962, en artikel 7, vijfde lid Regeling toelating bestrijdingsmiddelen 1995 ter afronding van de besluitvorming; de gegevens te leveren ten behoeve van de afronding van de besluitvorming alsmede de gegevens te leveren bij het indienen van een nieuwe aanvraag dienen uiterlijk 1 juni 2004 te worden overgelegd.

o de toepassing in aardappels tussentijds te beoordelen omdat op basis van monitoringsonderzoek een overschrijding is geconstateerd."

Daarnaast zijn in bijlage II, onder het kopje "Conclusie", voorzover hier van belang, de navolgende conclusies opgenomen:

" (…)

2. voor de toepassing van mancozeb in de teelt van appels en peren (…), uien, asperges, aardappelen, tarwe, bieten, bloembollen, bloemisterijgewassen (v.g. en o.g.), chrysanten (v.g. en o.g.) en populieren (…) geldt dat wordt voldaan aan de norm voor algen en kreeftachtigen zoals vastgesteld in higher tier onderzoek. Dit higher tier onderzoek dient nog wel ondersteund te worden door aanvullende gegevens (screening van additionele species macrocrustaceae en niet-arthropoden volgens HARAP).

(…)

2. Voor alle toepassingen als gewasbehandeling geldt dat de norm voor vissen, zoals gesteld in de eerste trap van de beoordeling, zoals opgenomen in het Bmb wordt overschreden. Derhalve dient door middel van een adequate risicobeoordeling aangetoond te worden dat onder veldomstandigheden geen sprake is van onaanvaardbare effecten. Gedacht kan worden aan bijvoorbeeld nader onderzoek volgens richtlijnen zoals opgenomen in het HARAP-document en/of het opnemen van driftregulerende maatregelen op het WG/GA."

(…)

6. voor de metabolieten EU en EBIS geldt dat er geen schatting gemaakt kan worden voor uitspoeling omdat na evaluatie blijkt dat betrouwbare gegevens ontbreken. Er dient een schudproef of een kolomproef met de metabolieten EBIS en EU met tenminste 4 grondsoorten ter bepaling van de ks/l volgens A.7.1.2a resp. A.7.1.3.1a van het aanvraagformulier. (…)"

Aan het in de bijlagen bij de besluiten van 23 en 30 november 2001 overwogene heeft verweerder in zijn schriftelijke reactie op het verzoek om voorlopige voorziening en ter zitting, samengevat weergegeven, nog het volgende toegevoegd.

Weliswaar is op 5 juli 2001 het voornemen bekend gemaakt om de onderhavige toelatingen te beëindigen per 1 december 2001, doch dit betrof niet een definitief besluit. Op dit punt is de onderhavige zaak dan ook niet te vergelijken met de zaken die hebben geleid tot de uitspraken van de - toenmalige - president van het College van 8 september 2000,

nr. AWB 00/599, en 16 februari 2001, nr. AWB 00/936.

Het is niet aan de toelatinghouders te wijten dat er nog gegevens moeten worden geleverd en dat de toets aan de artikelen 3 en 3a van de Wet nog niet is afgerond. Van belang hierbij is dat lid 3 van de artikelen 5, 6 en 7 van het Bmb de toelatinghouder uitdrukkelijk de mogelijkheid biedt om aan te tonen dat onder praktijkomstandigheden geen overschrijding plaatsvindt dan wel ongewenste effecten optreden. Aangezien de daarop betrekking hebbende, door de toelatinghouder te leveren gegevens, nodig zijn ter beoordeling van de aanvraag tot verlenging, kan de toelating met toepassing van artikel 5, eerste lid, van de Wet procedureel worden verlengd. Aldus is geen sprake van een situatie waarin op voorhand kan worden geconcludeerd dat voor een procedurele verlenging geen ruimte bestaat.

In het bijzonder kan de toelatinghouders noch het ontbreken van een "visstudie", noch het ontbreken van een screening van de additionele species macrocrustaceae en arthropoden worden verweten, aangezien destijds toestemming is gegeven om de vereiste mesocosmstudie te beperken tot phyto- en zoöplankton. Verwezen wordt in dit verband naar de in rubriek 2.2 weergegeven brief van verweerder van 5 november 1997, met de aantekening dat verweerder in het verleden niet op het ontbreken van deze studie is ingegaan en heeft nagelaten naar een dergelijke studie te vragen. Omdat de toxiciteit van mancozeb voor vissen thans veel groter blijkt dan in 1996 werd gedacht, kan onmogelijk worden ingestemd met het weglaten van een zogenoemd higher tier-studie. Dit neemt echter niet weg dat het ontbreken van deze gegevens, alle omstandigheden in aanmerking genomen, niet aan de toelatinghouders is te wijten.

Evenmin kan de toelatinghouders worden verweten dat thans nog geen betrouwbare adsorptiegegevens beschikbaar zijn. Immers, de toelatinghouders zijn niet eerder dan bij de bekendmaking van het voornemen tot beëindiging van de toelatingen ervan op de hoogte gesteld dat de in 1998 in het kader van de aanvraag tot toelating van het middel Acrobat geaccepteerde (voorlopige) Koc-waarden blijkens een evaluatie van het RIVM onbetrouwbaar en onbruikbaar zijn voor de risico-evaluatie. Zij hebben derhalve niet eerder de mogelijkheid gehad om nieuwe studies te leveren.

Van een onredelijk lange procedurele verlenging is geen sprake. Uit de toelichting bij artikel 7, vijfde lid, van de Rtb 1995 volgt dat de procedurele verlenging is bedoeld voor het leveren van aanvullende gegevens, zoals een lysimeteronderzoek, zodat, wat betreft de termijn, aangesloten mag worden bij de tijd die nodig is voor het leveren van zo'n onderzoek.

Bij de afronding van de besluitvorming ter zake van de verlengingsaanvragen zal de stand van wetenschap en techniek in aanmerking worden genomen en op basis daarvan worden beslist. In een lopende aanvraag worden evenwel noch de additionele testen gevraagd die noodzakelijk zijn om de mate van hormoonverstoring te beoordelen, noch de gegevens die bij een nieuwe aanvraag moeten worden geleverd. Wat betreft evenbedoelde additionele testen is er nog geen overeenstemming over de wijze waarop dat onderzoek moet worden uitgevoerd. Bovendien betreft het nieuwe vragen die nog niet eerder aan de toelatinghouders zijn gesteld.

Zoals blijkt uit het aflever- en opgebruiktermijnbeleid is het mogelijk om een aflever- en opgebruiktermijn vast te stellen indien een bepaalde toepassing wordt beëindigd. In verband met de beëindiging van vliegtuigtoepassingen kan derhalve een dergelijk termijn worden vastgesteld.

Bij de toelating kunnen weliswaar voorschriften worden gegeven omtrent de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding, doch uit de tekst van artikel 5, tweede lid, van de Wet volgt dat verweerder hiertoe niet verplicht is.

Bij de beoordeling van het risico voor de gezondheid is rekening gehouden met geïmporteerde voedingsmiddelen, die de grootste bijdrage leveren aan de blootstelling van consumenten via residuen in voedsel. Gebleken is dat de bijdrage aan de totale blootstelling van de in Nederland aangevraagde toepassingen gering is. Er wordt geen noemenswaardige overschrijding verwacht van de Average Daily Intake (ADI).

Er zijn weliswaar meetgegevens bekend, waaruit blijkt dat mancozeb en metabolieten veelvuldig in het oppervlaktewater voorkomen, doch deze gegevens kunnen niet worden meegenomen bij de beoordeling van de onderhavige toelatingen. De aangetoonde mancozeb en metabolieten kunnen namelijk afkomstig zijn van andere bronnen, zoals rubber en kunststof.

4. Het standpunt van verzoeksters

Verzoeksters hebben, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Er bestaat geen ruimte meer voor een procedurele verlenging, aangezien verweerder zelf, op basis van de ingediende gegevens, heeft vastgesteld dat de toepassingen van de onderhavige bestrijdingsmiddelen niet voldoen aan de milieucriteria. Hierbij wordt aangetekend dat, nu verweerder op grond van de bij de aanvraag ingediende gegevens zonder meer tot de conclusie is gekomen dat de onderhavige middelen niet voldoen aan de milieucriteria, de besluitvorming wel degelijk is afgerond. Verweerder had ook niet tot procedurele verlenging van de toelatingen mogen overgaan. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraken van de president van het College van 8 september 2000, nr. AWB 00/599, en 16 februari 2001, nr. AWB 00/936.

Het eigenlijke doel van de procedurele verlenging van mancozeb-houdende middelen blijkt te zijn om de toelatinghouders in de gelegenheid te stellen nieuwe gegevens in te dienen. Dit kan het doel van een zodanige verlenging evenwel niet zijn; een procedurele verlenging is bedoeld om gegevens te beoordelen die zijn ingediend in het kader van de aanvraag tot toelating. Het is wellicht mogelijk om nieuwe gegevens in te dienen, maar dan uitsluitend indien de beoordeling daarvan niet leidt tot verdere vertraging van de beoordeling van de toelatingsaanvragen. In het onderhavige geval heeft de beoordeling reeds buitengewoon lang geduurd, zodat moeilijk te begrijpen valt dat een groot aantal voor de toelating essentiële gegevens nog steeds ontbreekt. Indien de gevraagde gegevens noodzakelijk zijn om tot een positief besluit te komen, had verweerder op grond van de ingediende gegevens de aanvraag moeten afwijzen. Voorzover al ruimte zou bestaan nadere gegevens in te dienen, dan hadden de termijnen daarvoor nooit langer mogen zijn dan de door de EC gegeven termijnen voor het completeren van het aanvraagdossier. Noch het Bmb, noch artikel 5, eerste lid, van de Wet verplicht verweerder om, indien een eerste toetsing tot resultaat heeft dat niet aan de norm wordt voldaan, de toelatinghouder in de gelegenheid te stellen om door middel van nieuwe gegevens aan te tonen dat in de praktijk geen onaanvaardbare schade optreedt.

Wat betreft de toxiciteit voor waterorganismen zijn de studies, op basis waarvan verweerder heeft geconcludeerd dat een aantal toepassingen van mancozeb-houdende bestrijdingsmiddelen voldoen aan in higher tier-onderzoek vastgestelde "EAC", als adequate risico-analyse volstrekt onaanvaardbaar. In de mesocosmstudie (Memmert 1999), die slechts op phyto- en zoöplankton was gericht, ontbreekt bijvoorbeeld Daphnia, terwijl dit organisme uit bepaalde testen als meest gevoelig naar voren komt. Daarnaast is het achterwege laten van visstudies een ernstig gebrek als het erom gaat een "adequate risico-analyse" uit te voeren. Verweerders brief van 5 november 1997 wijst slechts op de mogelijkheid een zekere fasering in het onderzoek aan te brengen en bevat geen suggestie, laat staan een expliciete instructie om definitief van vistesten af te zien. Bovendien wisten de toelatinghouders dat de visstudies nodig waren voor de beoordeling van de aanvragen. Derhalve is het achterwege laten van deze testen - nog daargelaten dat zonder een volledig higher tier-onderzoek geen sprake is van een adequate risicobeoordeling - wel degelijk aan de toelatinghouders toe te rekenen. Zelfs al zou verweerder expliciete toezeggingen hebben gedaan, dan is het de vraag of daaraan betekenis moet worden gehecht. Een zodanige toezegging is immers in strijd met de wet en derhalve zonder betekenis. In dit verband wordt verwezen naar een uitspraak van de - toenmalige - Afdeling geschillen voor bestuur van de Raad van State van 1 september 1992 (gepubliceerd in M en R, 1993, nr. 2).

Met betrekking tot metaboliet EU is doorslaggevend dat de toelatinghouder zich had behoren te realiseren dat de stand van de techniek met zich meebracht dat betere gegevens dienden te worden ingebracht en niet het feit dat verweerder in het verleden bij de beoor-deling van één middel de ingediende gegevens "als voorlopige waarde" heeft geaccepteerd.

In het onderhavige geval ligt tussen de verlengingsaanvragen en de beoordeling daarvan een periode van 5 jaar, zodat het de vraag is in hoeverre verweerder nog een behoorlijk besluit kan nemen, dat in overeenstemming is met de stand van de wetenschap en de techniek. Hierbij wordt aangetekend in de wet wordt uitgegaan van besluitvorming binnen 14 maanden na de aanvraag, met hoogstens een bescheiden verlenging. Derhalve mag er vanuit worden gegaan dat de wet een periode van meer dan anderhalf jaar tussen aanvraag en toelatingsbesluit onwenselijk acht, dan wel dat dit in strijd is met de wet.

Gelet op de uitspraak van de president van het College van 12 juni 2001, nr. AWB 01/370, is het vaststellen van een aflever- en opgebruiktermijn in verband met de beëindiging van vliegtuigtoepassingen in strijd met de wet. Immers, noch formeel, noch materieel is sprake van een tussentijdse intrekking of een daarmee vergelijkbare situatie.

Bij het vaststellen van gebruiksvoorschriften is geen rekening gehouden met de eisen die zijn opgenomen in artikel 5, tweede lid, van de Wet. In het bijzonder bevatten de aange-vochten besluiten in het geheel geen afweging met betrekking tot de noodzaak van het gebruik van mancozeb-houdende middelen binnen een systeem van geïntegreerde bestrijding.

Bij de berekeningen die zijn gemaakt met betrekking tot de blootstelling van de bevolking aan residuen van mancozeb-houdende middelen is bewust geen rekening gehouden met de effecten van geïmporteerde voedingsmiddelen. Indien hiermee wel rekening wordt gehouden blijkt dat in een gewoon dieet voor kinderen een belasting van 2000% van de ADI bestaat en voor volwassenen van 800%. Bovendien hebben mancozeb-houdende middelen, niet alleen toxische, maar ook hormoonverstorende effecten, terwijl daarnaast ook sprake is van effecten van combinaties van verschillende bestrijdingsmiddelen.

Er zijn meetgegevens voorhanden waaruit blijkt dat mancozeb en metabolieten veelvuldig in normoverschrijdende concentraties in het oppervlaktewater worden aangetroffen. Indien de toelatinghouders niet eerst aantonen dat de toepassing van mancozeb-houdende middelen niet of slechts in geringe mate bijdraagt tot de normoverschrijdende belasting, kan verweerder niet vaststellen dat geen onaanvaardbare effecten optreden. Bij de beoordeling van residuen in het milieu is voorts van belang geen methodes voorhanden zijn om de restanten in het milieu van maneb, mancozeb en andere dithiocarbamaten van elkaar te onderscheiden. Het is de vraag of dit op zich niet tot gevolg behoort te hebben dat de aanvragen tot toelating worden afgewezen omdat niet is voldaan aan het criterium ex art. 3, eerste lid, onder c, van de Wet.

5. Het standpunt van de derde-belanghebbende partijen

De derde-belanghebbende partijen hebben, samengevat weergegeven, het volgende betoogd.

Verweerder heeft niet vastgesteld dat niet wordt voldaan de criteria van artikel 3 en 3a van de Wet, maar slechts dat nog niet kan worden vastgesteld dat wel wordt voldaan deze criteria. Wanneer uit een eerste stap van de beoordeling op basis van laboratoriumonderzoek en modelberekeningen een overschrijding van de norm wordt geconstateerd, kan op basis van onderzoek onder praktijkomstandigheden worden aangetoond dat wel aan de norm wordt voldaan. Het invullen van deze zogenaamde tenzij-clausule is een essentieel onderdeel van de beoordeling, zowel in Nederland als in Europees verband. De regeling van artikel 5, eerste lid, van de Wet en de artikelen 5, 6 en 7 van het Bmb zijn bij uitstek bedoeld voor een situatie als de onderhavige.

Zowel het EU-dossier, als het bij verweerder ingediende dossier zijn compleet verklaard. In het kader van de beoordeling van de dossiers zijn aanvullende gegevens gevraagd. Hiervoor is in sommige gevallen een aanvullende studie nodig, terwijl in andere gevallen slechts een meer verfijnde beoordeling van de reeds voorhanden zijnde gegevens is vereist. Dat deze gegevens dan wel analyses op dit moment niet aanwezig zijn, is niet aan de toelatinghouders te wijten. In het bijzonder kan aan de toelatinghouders niet worden verweten dat zij niet direct lysimeteronderzoek hebben laten uitvoeren, aangezien hiervoor destijds geen enkele reden was. Voor de metabolieten EBIS en EU was op het moment van indiening van de aanvraag tot verlenging evenmin aanleiding om aanvullend onderzoek te doen.

Ook wat betreft het ontbreken van een visstudie treft de toelatinghouders geen verwijt. Vissen zijn destijds niet in de mesocosmstudie meegenomen, aangezien de effecten op plankton en vissen niet gelijktijdig kunnen worden gemeten. Verweerder heeft zich hiermee destijds akkoord verklaard. Hierbij moet in aanmerking worden genomen dat het hier gaat de beoordeling van een omvangrijke groep bestrijdingsmiddelen tezamen, waarover constant overleg plaatsvindt tussen verweerder en de toelatinghouders. De brief van 5 november 1997 staat derhalve niet op zichzelf. Bovendien was destijds juist voor de door verweerder alsnog gevraagde visstudie geen protocol aanwezig en was geen enkel onderzoeksinstituut in staat te vertellen op welke wijze een dergelijke studie moest worden verricht.

Op grond van vaste jurisprudentie van het College kan van de mogelijkheid van procedurele verlenging niet alleen gebruik worden gemaakt wanneer verweerder reeds voorhanden zijnde gegevens nog moet beoordelen, doch ook indien aanvullende gegevens worden gevraagd en het ontbreken daarvan niet aan de toelatinghouders te wijten is. In een geval waarin verweerder van mening was dat het ontbreken van gegevens wel aan de toelatinghouders te wijten was, heeft de president van het College zelfs geoordeeld dat verweerder redelijkerwijs gebruik had moeten maken van de mogelijkheid een procedurele verlenging te geven, aangezien de toelatinghouders niet eerder om deze gegevens was gevraagd. Deze situatie doet zich ook voor in het onderhavige geval.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 van de Awb juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van die beslissing beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter het volgende.

6.2 Uit de door partijen genoemde uitspraak van de president van het College van 16 februari 2001, nr. AWB 00/936, volgt dat indien verweerder op basis van gegevens, die in een afgeronde (verlengings-)aanvraagprocedure zijn aangedragen en toegelicht, tot de conclusie komt dat niet wordt voldaan aan het bepaalde bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet, de wet geen ruimte biedt om, onder verwijzing naar artikel 5 van de Wet, dan niettemin tot verlenging van de toelating van het betreffende bestrijdingsmiddel over te gaan. In voorkomend geval is er derhalve geen beleidsruimte voor verweerder.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is echter in het onderhavige geval, anders dan in het geval van de hiervoor genoemde uitspraak, niet over de hele linie sprake van een afgeronde (verlengings-)aanvraagprocedure. Weliswaar heeft verweerder vastgesteld dat de in geding zijnde middelen op een aantal punten niet voldoen, doch de besluiten waarin dit is neergelegd betreffen, behoudens de besluiten ten aanzien van vliegtuigtoepassingen, geen definitieve, inhoudelijke beslissingen in het kader van de (verlengings-)aanvraagprocedure. Reeds om die reden dient het betoog van verzoeksters, dat in het onderhavige geval geen ruimte meer bestaat om de toelatingen van mancozeb-houdende middelen procedureel te verlengen, te worden verworpen.

6.3 Voorts blijkt uit de jurisprudentie van met name de president van het College dat indien en voorzover in het kader van de beoordeling van een verlengingsaanvraag aanvullende gegevens noodzakelijk zijn en het niet aan nalatigheid van de toelatinghouders te wijten is dat deze gegevens niet tijdig worden geleverd, tot procedurele verlenging van de betreffende toelating kan worden overgegaan. In het oog moet evenwel worden gehouden, zoals ook valt af te leiden uit de in de Rtb 1995 neergelegde, relatief korte beslistermijnen, dat bij de beslissing om een toelating procedureel te verlengen ook andere belangen, waaronder die van het milieu, een belangrijke rol spelen. Niet zonder reden is indertijd immers de mogelijkheid om in beroep te gaan tegen de beslissingen omtrent toelating verruimd tot buiten de kring van de toelatinghouders, waarbij met name is gedacht aan de milieubeweging. Hieruit volgt dat ook indien een toelatinghouder niet zou kunnen worden verweten dat bepaalde gegevens, die noodzakelijk worden geacht ter beoordeling van de aanvraag en worden gevraagd in aanvulling op reeds ingediende gegevens, niet tijdig worden geleverd, een procedurele verlenging niet langer dan als in overeenstemming met de procedure zoals neergelegd in de Rtb 1995 mag zijn en onder omstandigheden zelfs niet verleend zou mogen worden.

Aldus dient allereerst te worden beoordeeld of verweerder terecht heeft geoordeeld dat het niet aan nalatigheid van de toelatinghouders te wijten is dat zij de ontbrekende gegevens, waarvan in het bijzonder de in het kader van de beoordeling van het risico voor waterorganismen noodzakelijk geachte "visstudie" en de in het kader van de beoordeling van de uitspoeling naar het grondwater noodzakelijk geachte adsorptiegegevens, niet tijdig hebben geleverd. Verzoeksters stellen zich op het standpunt dat de toelatinghouders in dezen een verwijt treft, omdat, kort gezegd, de toelatinghouders wisten dat een visstudie noodzakelijk was ter beoordeling van de verlengingsaanvragen en zij zich hadden moeten realiseren dat de door hen aangeleverde adsorptiegegevens onvoldoende waren. Verweerder en de derde-belanghebbende partijen stellen zich op het standpunt dat het niet (tijdig) leveren van gegevens de toelatinghouders niet kan worden aangerekend, aangezien, kort gezegd, verweerder akkoord is gegaan met het achterwege laten van een visstudie en de toelatinghouders pas bij het voornemen tot beëindiging van de onderhavige toelatingen ervan op de hoogte zijn gesteld dat de door hen geleverde Koc-waarden onbetrouwbaar en onbruikbaar waren. Dienaangaande overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Wat betreft de ontbrekende visstudie stelt de voorzieningenrechter vast dat al in 1996 is gevraagd naar uitvoering van (semi-)veldonderzoek naar de effecten op aquatische ecosystemen, met speciale aandacht voor de effecten op algen, kreeftachtigen en vissen. Uit de in rubriek 2.2 weergegeven brief van 5 november 1997 blijkt dat de geleverde risico-evaluatie door verweerder niet acceptabel werd geacht en dat de toelatinghouders alsnog een (semi-)veldonderzoek dienden uit te voeren, dat zich in eerste instantie met name kon richten op de effecten op phyto- en zoöplankton. Hieruit blijkt evenwel geenszins dat verweerder toestemming heeft gegeven, dan wel ermee akkoord is gegaan, dat een onderzoek naar de effecten op vissen geheel achterwege kon blijven. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had het de toelatinghouders dan ook reeds op basis van de brief van 5 november 1997 duidelijk kunnen (en ook moeten) zijn dat zij niet konden volstaan met een tot phyto- en zoöplankton beperkt onderzoek. Hierenboven geldt naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter dat, zo verweerder al op enigerlei wijze de indruk zou hebben gewekt dat een op vissen gericht onderzoek achterwege kon blijven, de toelatinghouders niet waren ontslagen van de plicht om niettemin een zodanig onderzoek te leveren. Immers, uit artikel 7 van het Bmb volgt dat, zoals ook ter zitting van de zijde van verweerder is erkend, in het door verweerder gevraagde onderzoek ook vissen moeten worden meegenomen. Derhalve hadden de toelatinghouders, als professionele spelers op de bestrijdingsmiddelenmarkt, moeten weten dat een onderzoek naar vissen niet achterwege kon blijven. Hier doet niet aan af dat, zoals de toelatinghouders hebben gesteld, de effecten op plankton en vissen niet gelijktijdig kunnen worden gemeten en evenmin dat voor een onderzoek naar de effecten op vissen destijds geen protocol aanwezig was.

Het vorenoverwogene leidt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat verweerder ten onrechte heeft geoordeeld dat het niet aan nalatigheid van de toelatinghouders is te wijten dat zij de vereiste "visstudie" niet (tijdig) hebben geleverd. Verweerder heeft de onderhavige toelatingen dan ook, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter ten onrechte procedureel verlengd, voorzover het gaat om toepassingen ten aanzien waarvan is vastgesteld dat de norm voor vissen wordt overschreden. Ook voorzover het gaat om toepassingen ten aanzien waarvan in higher tier-onderzoek is vastgesteld dat weliswaar is voldaan aan de normen voor algen en kreeftachtigen, maar dat dit onderzoek nog moet worden ondersteund door aanvullende gegevens, heeft verweerder de onderhavige toelatingen, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, ten onrechte procedureel verlengd. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat blijkens het verweerschrift het ontbreken van de noodzakelijk geachte, aanvullende gegevens, te weten een screening van additionele species macrocrustaceae en niet-arthropoden, nauw samenhangt met de omstandigheid dat een te beperkte mesocosmstudie is verricht, hetgeen, zoals hiervoor is overwogen, te wijten is nalatigheid van de toelatinghouders. Van toestemming van verweerder om het onderzoek aldus in te richten is voorafgaande aan de bestreden besluiten niet gebleken, nog daargelaten of deze toestemming in dit kader relevant zou zijn.

Wat betreft het ontbreken van betrouwbare adsorptiegegevens moet op basis van de beschikbare gegevens worden aangenomen dat de toelatinghouders eerst bij het voornemen tot beëindiging van de onderhavige toelatingen ervan op de hoogte zijn gesteld dat de in het kader van de beoordeling van het middel Acrobat als voorlopig waarden geaccepteerde Koc-waarden onbetrouwbaar worden geacht en niet bruikbaar voor de risico-evaluatie. Op basis hiervan komt de voorzieningenrechter voorshands tot de conclusie dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat het niet aan nalatigheid van de toelatinghouders te wijten is dat de aan de orde zijnde gegevens niet tijdig zijn geleverd. Aangezien evenmin is gebleken dat het ontbreken van de overige door verweerder gevraagde gegevens aan de toelatinghouders valt toe te rekenen, is aan de eerste voorwaarde om te kunnen overgaan tot een procedurele verlenging voldaan. Ook overigens is verweerder, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet ten onrechte overgegaan tot een procedurele verlenging van de onderhavige toelatingen, voorzover het gaat om andere toepassingen dan die hiervoor zijn vermeld en vliegtuigtoepassingen. Van omstandigheden die zouden moeten leiden tot een totale achterwege lating van procedurele verlenging is de voorzieningenrechter niet gebleken. Wel dient te worden aangetekend dat ook in deze situatie een procedurele verlenging niet onaanvaardbaar lang mag zijn. In verband hiermee overweegt de voorzieningenrechter nog het volgende.

Aangenomen moet worden dat de gevraagde voorlopige voorziening, gelet op de bewoordingen waarin dit is gesteld, eveneens strekt tot het vaststellen van een kortere termijn van verlenging dan door verweerder gegeven bij zijn besluiten van 23 en 30 november 2001. Zoals de president van het College reeds eerder heeft uitgesproken, te weten in zijn uitspraken van 11 december 1998, nr. AWB 98/857, en 8 september 2000, nr. AWB 00/599, is een voorziening strekkende tot het vaststellen van een kortere beoordelingstermijn ingrijpend van aard, waarvoor slechts grond zou bestaan indien "uit de gegeven verlengingstermijn, afgezet tegen in de wettelijke regeling voorziene beslistermijnen, kan worden afgeleid dat (verweerder) geen enkele voortvarendheid betracht, (te) ruim de tijd neemt en/of in het geheel niet kan motiveren waarom de gegeven termijn van verlenging nodig is".

Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder, door de onderhavige toelatingen met drie jaar te verlengen, te ruim de tijd genomen. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat de beoordeling van de onderhavige verlengingsaanvragen al geruime tijd heeft geduurd en dat alle in de Rtb 1995 neergelegde beslistermijnen ruimschoots zijn overschreden. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter had de verlengingstermijn dan ook niet langer mogen zijn dan één jaar, te rekenen vanaf de datum van de laatste door verzoeksters aangevochten besluiten, zijnde 30 november 2001. De voorzieningenrechter merkt hierbij op dat het de toelatinghouders uit het hen medegedeelde voornemen van verweerder tot beëindiging van de onderhavige toelatingen toch duidelijk moet zijn geweest dat haast geboden was. Ter zake van de in de aangevochten besluiten gegeven onderbouwing van de verlengings-termijn merkt de voorzieningenrechter nog op dat, nu ten tijde van die besluiten de hiervoor bedoelde beslistermijnen al ruimschoots waren overschreden, het in het onderhavige geval niet voor de hand lag om de verlengingstermijn te koppelen aan de termijn benodigd voor het langstlopende, in dit late stadium nog gevraagde onderzoek. De voorzieningenrechter verwerpt dan ook verweerders betoog, dat de procedurele verlenging is bedoeld voor het leveren van aanvullende gegevens, zoals een lysimeteronderzoek, zodat, wat betreft de termijn, aangesloten mag worden bij de tijd die nodig is voor het leveren van zo'n onderzoek.

6.4 In verband met de beëindiging van de vliegtuigtoepassingen van de onderhavige bestrijdingsmiddelen heeft verweerder bij de aangevochten besluiten van 23 en 30 november 2001 voor die toepassingen een zogenoemde opgebruik- en aflevertermijn vastgesteld. Naar het voorlopige oordeel van de voorzieningenrechter is verweerder hier ten onrechte toe overgegaan. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Uit de uitspraken van de president van 12 juni 2001, nr. AWB 01/370, en 28 augustus 2001, nrs. AWB 01/553 en 01/617, volgt dat de Wet slechts ruimte biedt om aflever- en opgebruiktermijnen vast te stellen in het geval een toelating wordt ingetrokken, dan wel in gevallen die daarmee op één lijn te stellen. Voorts volgt uit deze uitspraken dat van intrekking eerst sprake kan zijn wanneer het gaat om een ingreep in reguliere toelatingen, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken en dat een abrupt intredende situatie hiermee onder omstandigheden gelijk is te stellen. Voorts is in laatstgenoemde uitspraak geoordeeld dat de afwijzing van een verlengingsaanvraag hangende de procedurele verlengingsperiode niet betreft een ingreep in een reguliere toelating, waarvan de geldigheidsduur nog niet is verstreken en dat een zodanige afwijzing evenmin is te beschouwen als een abrupte, met intrekking op één lijn te stellen, situatie. In dit verband is overwogen dat het doen van een verlengingsaanvraag, waarvan de beoordeling in beginsel hangende de procedurele verlengingsperiode wordt afgerond, impliceert dat de aanvraag tijdens die periode op ieder moment kan worden afgewezen.

De voorzieningenrechter voegt hier nog aan toe dat naar zijn voorlopige oordeel verweerders aflever- en opgebruiktermijnbeleid, voorzover het ertoe strekt dat middelen, waarvan is vastgesteld dat niet wordt voldaan aan de bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria, nog gedurende enige tijd te gebruiken en/of af te leveren, in strijd is met de Wet. Reeds gelet hierop had verweerder, naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter, niet met toepassing van artikel 2, vijfde lid, van de Wet een aflever- en opgebruiktermijn kunnen vaststellen voor de beëindigde vliegtuigtoepassingen. Verweerder heeft immers zelf vastgesteld dat deze toepassingen niet voldoen aan de bij en krachtens de artikelen 3 en 3a van de Wet gestelde criteria.

6.5 Hetgeen partijen voor het overige over en weer naar voren hebben gebracht, vertoont grotendeels trekken van een wetenschappelijk debat en gaat het bestek van deze voorlopige voorzieningsprocedure te buiten. In een geval als het onderhavige is het bij uitstek de procedure die leidt tot de beslissing op het bezwaarschrift waarin partijen hun discussie nader gestalte kunnen geven en eventuele onduidelijkheden tot klaarheid kunnen brengen.

6.6. Gelet op het vorenoverwogene moet waarschijnlijk worden geacht dat de bestreden besluiten, zo deze bij beslissing op bezwaar worden gehandhaafd, door het College, oordelend in beroep niet in stand zullen worden gelaten. De voorzieningenrechter ziet dan ook aanleiding voor het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, in die zin dat de besluiten van 23 en 30 november 2001, waarbij de toelatingen van de onderhavige 24, hiervoor in rubriek 2.2 aangeduide, bestrijdingsmiddelen procedureel zijn verlengd, en waarbij voor de beëindigde vliegtuigtoepassingen een aflever- en opgebruiktermijn is vastgesteld, worden geschorst, onder de in rubriek 7 gegeven bepalingen. De voorzieningenrechter ziet aanleiding de producenten en hun afnemers een korte periode te laten om in te kunnen spelen op de gevolgen van het hier voor toewijzing gereed liggende verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening.

6.7 Voor een veroordeling van een der partijen in de proceskosten met toepassing van artikel 8:75 van de Awb ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

7. De beslissing

De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe;

- schorst de besluiten van verweerder van 23 en 30 november 2001 tot procedurele verlenging van de toelatingen van de

onder punt 2.2 genoemde bestrijdingsmiddelen, voorzover de verlengingstermijn de periode van één jaar na 30 november

2001 te boven gaat;

- schorst de besluiten van 23 en 30 november 2001, voorzover het gaat om toepassing van de hiervoor bestrijdingsmiddelen

als gewasbehandeling en de toepassing van die middelen in de teelt van appels en peren, uien, asperges, aardappelen,

tarwe, bieten, bloembollen, bloemisterijgewassen (v.g. en o.g.), chrysanten (v.g. en o.g.) en populieren;

- bepaalt dat de hiervoor bedoelde bestrijdingsmiddelen in zoverre worden behandeld als waren de toelatingen daarvan niet

verlengd;

- schorst de besluiten van 23 en 30 november 2001, voorzover daarbij een aflever- en opgebruiktermijn is vastgesteld voor

de beëindigde vliegtuigtoepassingen;

- bepaalt dat de schorsing en de getroffen voorlopige voorziening gelden met ingang van 3 april 2002;

- gelast dat verweerder aan verzoeksters het door hen betaalde griffierecht ad € 218,--(zegge: tweehonderdachttien euro)

vergoedt;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 maart 2002.

w.g. D. Roemers w.g. W.F. Claessens