Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0763

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/284
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/284 19 maart 2002

20110

Uitspraak in de zaak van:

A, te Nibbixwoud, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 31 januari 2001.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 13 februari 2001, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 31 januari 2001 genomen beslissing op een klacht, door appellant op 26 februari 2000 ingediend tegen B, te Amstelveen, en C, te Soest, (hierna: betrokkenen, respectievelijk B en C). Bij deze beslissing heeft de raad van tucht de klacht van appellant in alle onderdelen ongegrond verklaard.

Bij een op 12 april 2001 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant bij het College beroep tegen deze tuchtbeslissing ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 19 april 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 19 mei 2001 heeft B gereageerd op het door appellant in beroep gestelde.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 21 februari 2002, waar appellant en B in persoon zijn verschenen.

2. De beoordeling

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht van appellant aldus weergegeven:

-a. dat betrokkenen voor hem onbereikbaar waren en niet hebben gereageerd op zijn correspondentie;

-b. dat betrokkenen zich bij de afwikkeling van de vennootschap met D partijdig hebben opgesteld, overwegend diens belangen hebben gediend en de administratieve afhandeling tot een chaos hebben gemaakt.

Appellant heeft in beroep naar voren gebracht:

- dat bij de bestreden tuchtbeslissing niet is ingegaan op de correspondentie welke aan de raad van tucht is overgelegd, maar dat hoofdzakelijk de notulen van de op 2 oktober 2000 gehouden zitting van de raad van tucht zijn gevolgd;

- dat in de bestreden tuchtbeslissing niet is ingegaan op de klacht inzake het niet reageren op brieven.

Gezien de inhoud van appellants klaagschrift en hetgeen appellant in beroep naar voren heeft gebracht, moet worden vastgesteld dat de grieven van appellant niet zijn gericht tegen voormelde weergave door de raad van tucht van zijn klacht, doch betrekking hebben op de wijze waarop de raad van tucht vorenomschreven klachtonderdelen heeft beoordeeld.

Ten aanzien van de in beroep aangevoerde grieven, voor zover verband houdend met de beoordeling door de raad van tucht van eerderomschreven klachtonderdeel a, overweegt het College dat appellant bij zijn klacht een aantal bescheiden heeft overgelegd, die in hoofdzaak betrekking hebben op correspondentie tussen hem en betrokkenen uit het tijdvak mei 1999 tot februari 2000.

Uit deze bescheiden blijkt onder meer dat problemen bestonden tussen appellant en E (waar betrokkenen werkzaam waren) over de betaling van facturen. In verband daarmede heeft B onder meer bij brief van 1 september 1999 in reactie op een mededeling van appellant dat hij direct voor appellant zou moeten klaar staan, te kennen gegeven dat, wanneer appellant de declaraties tijdig zou voldoen, de bereidheid zou bestaan meteen voor hem klaar te staan. Voorts heeft B appellant bij schrijven van 2 november 1999 medegedeeld (-) dat op 19 oktober 1999 een afspraak was gemaakt over het betalen van declaraties en een voorschotnota, (-) dat tot dan toe geen betaling was ontvangen en (-) dat zulks betekende dat de werkzaamheden niet konden worden voortgezet zoals eerder het geval was.

Het College is, gelet op hetgeen uit eerderbedoelde correspondentie naar voren is gekomen aangaande genoemde betalingsproblemen en de opstelling die B in verband daarmede ten opzichte van appellant heeft gekozen, van oordeel dat niet kan worden staande gehouden dat Wever dusdoende in tuchtrechtelijk opzicht verwijtbaar heeft gehandeld. Evenmin zijn in de overgelegde correspondentie aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat betrokkenen tuchtrechtelijk laakbaar hebben gehandeld door niet te reageren op brieven van appellant.

Het College neemt in dit verband tevens in aanmerking dat niet is gebleken van nadeel voor appellant als gevolg van het niet verlenen van accountantsdiensten door betrokkenen overeenkomstig daartoe gemaakte afspraken.

Met betrekking tot de grieven van appellant, voor zover verband houdend met de beoordeling door de raad van tucht van klachtonderdeel b, overweegt het College dat in de door appellant overgelegde bescheiden en hetgeen appellant ter toelichting naar voren heeft gebracht, generlei steun is te vinden voor de opvatting dat betrokkenen zich bij de afwikkeling van de vennootschap met D partijdig hebben opgesteld en overwegend diens belangen hebben gediend.

Evenmin is aannemelijk geworden dat betrokkenen de administratieve afhandeling tot een chaos hebben gemaakt. Ter zitting van het College heeft B ter toelichting op dit punt uiteengezet dat met genoemde afwikkeling enige tijd gemoeid was en dat in verband met de financiële verwevenheid tussen voormelde vennootschap en de ondernemingen van appellant het opstellen van de financiële stukken voor deze ondernemingen pas zou kunen worden afgerond wanneer de afwikkeling van de vennootschap met D was voltooid.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep van appellant moet worden verworpen.

De na te melden beslissing berust op het bepaalde in Titel IV van de Wet op de Accountants-Admini-stratieconsulenten.

3. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 maart 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins