Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0762

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/904
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 6:2
Algemene wet bestuursrecht 4:5
Algemene wet bestuursrecht 4:15
Algemene wet bestuursrecht 8:75a
Algemene wet bestuursrecht 8:84
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Enkelvoudige kamer voor spoedeisende zaken

No. AWB 01/904 12 maart 2002

14914

Uitspraak als bedoeld in artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

A, h.o.d.n. B, te C, verzoeker,

gemachtigde: mr T.L. Lionarons, advocaat te Amsterdam,

tegen

Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr W.E. van Haveren, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De feiten

Op 10 augustus 2001 heeft verweerder van verzoeker een aanvraag ontvangen om verlening van een taxivergunning als bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet personenvervoer 2000 (Wet van 6 juli 2000, houdende nieuwe regels omtrent het openbaar vervoer, besloten busvervoer en taxivervoer, Stb. 2000, 314).

Bij brief van 14 augustus 2001 heeft verweerder de ontvangst van deze aanvraag bevestigd en is verzoeker in de gelegenheid gesteld binnen twaalf weken (= uiterlijk 5 november 2001) documenten toe te zenden waaruit blijkt dat hij voldoet aan de wettelijke eis van vakbekwaamheid. Verzoeker heeft verweerder daarop enkele bewijsstukken doen toekomen.

Bij brief van 19 november 2001 heeft verweerder verzoeker tot 4 december 2001 de gelegenheid geboden nog ontbrekende documenten betreffende de wettelijke eis van vakbekwaamheid te overleggen.

Bij brief van 20 november 2001 heeft verzoeker een bezwaarschrift ingediend tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder op zijn aanvraag om verlening van een taxivergunning.

Bij brief van 21 november 2001, na doorzending door de Rechtbank Amsterdam, ter griffie van het College ontvangen op 26 november 2001, heeft verzoeker zich tevens tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek om een voorlopige voorziening, in wezen ertoe strekkende te bepalen dat door verweerder alsnog een besluit op zijn aanvraag wordt genomen.

Bij faxbericht van 5 december 2001 heeft verzoeker verweerder ter completering van zijn aanvraagdossier nadere stukken verschaft.

Op 6 december 2001 heeft verweerder verzoeker medegedeeld dat een EG-verklaring voor taxivervoer wordt verstrekt. Hiermee voldoet verzoeker, aldus verweerder, aan de wettelijke eis van vakbekwaamheid, welke is vereist voor de inwilliging van een aanvraag om verlening van een taxivergunning.

Bij faxbericht van diezelfde dag heeft verzoeker het verzoek om voorlopige voorziening ingetrokken en de voorzieningenrechter verzocht verweerder bij afzonderlijke uitspraak te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij brief van 24 januari 2002 heeft verweerder een verweerschrift ingediend, strekkende tot afwijzing van laatstbedoeld verzoek.

2. De beoordeling

Ingevolge artikel 8:84, vierde lid, juncto 8:75a, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) kan in geval van intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening omdat het bestuursorgaan aan de indiener van het verzoekschrift is tegemoetgekomen, het bestuursorgaan op verzoek van de indiener bij afzonderlijke uitspraak met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten worden veroordeeld.

Alvorens tot beoordeling van het verzoek om kostenveroordeling kan worden overgegaan, dient te worden vastgesteld of op het moment dat verzoeker vanwege het uitblijven van een primaire beslissing op zijn aanvraag bij verweerder bezwaar maakte, sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:2, onder b, van de Awb.

De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Bij artikel 12, eerste lid, van het Besluit personenvervoer 2000 (Besluit van 14 december 2000, Stb. 2000, 563) is onder meer bepaald dat binnen twaalf weken op een aanvraag om verlening van een taxivergunning wordt beslist. Ingevolge artikel 4:15 van de Awb wordt de termijn voor het geven van een beschikking opgeschort met ingang van de dag waarop het bestuursorgaan krachtens artikel 4:5 van de Awb de aanvrager uitnodigt de aanvraag aan te vullen, tot de dag waarop de aanvraag is aangevuld of de daarvoor gestelde termijn ongebruikt is verstreken.

In het onderhavige geval is gebleken dat verzoeker op 10 augustus 2001 een aanvraag om verlening van een taxivergunning heeft ingediend en dat verweerder verzoeker tweemaal - te weten bij brief d.d. 14 september 2001 tot 5 november 2001 en bij brief d.d. 19 november 2001 tot 4 december 2001 - een termijn heeft gegund om ontbrekende stukken te overleggen en daarmee de aanvraag aan te vullen. Nu gedurende deze termijn op grond van het bepaalde in artikel 4:15 van de Awb de beslissingstermijn van verweerder opgeschort is geweest en verzoeker reeds vóór het verstrijken van de door verweerder gestelde termijn voor het aanvullen van de aanvraag op 20 november 2001 een bezwaarschrift en op 21 november 2001 een verzoek om voorlopige voorziening heeft ingediend, kan niet met vrucht worden staande gehouden dat toen sprake was van het niet tijdig nemen van een besluit, als bedoeld in artikel 6:2, onder b, van de Awb.

Naar het oordeel van de voorzieningenrechter leidt het vorenstaande tot de conclusie dat het besluit d.d. 6 december 2001 van verweerder, inhoudende dat aan verzoeker een EG-verklaring wordt verstrekt, niet kan worden beschouwd als een tegemoetkoming in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Mitsdien komt het verzoek om kostenveroordeling kennelijk voor afwijzing in aanmerking.

Met toepassing van artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in samenhang gelezen met de artikelen 8:84 en 8:54 van de Awb leidt dit tot de volgende uitspraak.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb af.

Aldus gewezen door mr R.R. Winter, in tegenwoordigheid van mr drs M.S. Hoppener, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2002.

w.g. R.R. Winter w.g. M.S. Hoppener