Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0760

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/96
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/96 12 maart 2002

Uitspraak in de zaak van:

A, te Wilnis, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 4 december 2000,

gemachtigde: mr J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 4 december 2000, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van eerdergenoemde beslissing, gegeven op een klacht, op 8 mei 2000 ingediend tegen appellant door B te Ilpendam (hierna: klager).

Bij een op 2 februari 2001 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 12 februari 2001 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij een van bijlagen voorzien schrijven van 12 april 2001 heeft klager gereageerd op het door appellant in beroep gestelde.

De gemachtigde van appellant heeft bij schrijven van 15 februari 2002 nadere stukken aan het College toegezonden.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 28 februari 2002, waar appellant en klager in persoon zijn verschenen, bijgestaan door hun onderscheidene gemachtigden mr Van Rijswijk, voornoemd, en C.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht (-) de klacht, voor zover inhoudende dat klager niet in de gelegenheid is gesteld te reageren op de bevindingen van betrokkene in diens rapport d.d. 12 februari 1997, betreffende "Fraude Sarphatistraat/afdeling DNI", gegrond verklaard en betrokkene ter zake de maatregel van een waarschuwing opgelegd en (-) de klacht voor het overige ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht, de beoordeling daarvan door de raad van tucht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De middelen van beroep

Appellant heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

Ten onrechte heeft de raad van tucht het hierboven omschreven klachtonderdeel gegrond bevonden en geoordeeld dat de handelwijze van appellant een schending inhoudt van het beginsel van hoor en wederhoor.

Hierbij moet het volgende in aanmerking worden genomen.

Het doel van eerdervermeld rapport van 12 februari 1997 luidt, zoals op bladzijde 3 van dit rapport weergegeven:

" 1. het bepalen omvang schade, 2. reconstructie van de fraude/het verifiëren van de schaduwadministratie van de fraudeur (…), 3. het aanzuiveren van saldi op gemanipuleerde rekeningen, 4. het bepalen van eindbestemmingen van gelden c.q. begunstigden volgens (…), 5. het screenen van personeel en 6. het screenen van het overige rekeningenbestand."

Ten aanzien van klager worden in het rapport slechts twee korte opmerkingen gemaakt, te weten op bladzijde 4 onder het hoofdje "Voorziening ongeregelde debetbestanden toegestaan door B", waar onder meer is opgemerkt:

" Ook heeft een andere account manager, B zich schuldig gemaakt aan soortgelijke praktijken. Deze vonden echter plaats op kleinere schaal en beperkte zich tot het versluieren van ongeregelde debetbestanden door het onttrekken van geld aan een andere rekening en door opname van een kaslening. Het betreft hier één begunstigde."

Voorts is op bladzijde 8 van het rapport onder de rubriek SLOTOPMERKINGEN onder meer vermeld:

" Daarnaast heeft (…) verklaard dat zijn collega's wetenschap hebben gehad van zijn manipulaties. Hij zou zelfs zwijggeld hebben moeten betalen. Wij achten deze wetenschap aannemelijk omdat B accountmanager was van de twee belangrijkste cliënten, waarmee is gemanipuleerd (…)."

Appellant, die voor het overige niet ter sprake komt in het rapport, is derhalve in zeer geringe mate onderwerp van het rapport.

In dit verband is tevens van belang dat de thans in geding zijnde klacht niet behelst dat de inhoud van het rapport onjuist is.

Voorts moet - aldus appellant - in aanmerking worden genomen dat eerdergenoemd rapport is gebaseerd op de bevindingen van een onderzoek dat de Concern Accountantsdienst van ABN AMRO in nauw overleg met de afdeling Concern Veiligheidszaken in opdracht van de voorzitter van de Divisie Nederland van de bank heeft ingesteld naar de onderhavige fraudezaak. In dat kader is klager een aantal malen gehoord, te weten op 16 oktober 1996 en op 13, 14, 15 en 20 november 1996. Appellant is aanwezig geweest bij de interviews die zijn afgenomen op 13, 14 en 20 november 1996. Van voornoemde interviews zijn verslagen opgemaakt. Bij deze interviews is, zoals uit de verslagen blijkt, met klager diverse malen gesproken over onder meer de problematiek rond de cliënt, bedoeld in de hiervoor weergegeven passage op bladzijde 4 van het rapport, over het toestaan van ongeregelde debetstanden, mogelijke wetenschap van de manipulaties door de hoofdverdachte en het aannemen van relatiegeschenken. Tijdens de interviews is klager geconfronteerd met de bevindingen van de onderzoekers en is hem gevraagd naar zijn reactie.

De verslagen van de interviews zijn klager na afloop voor commentaar en accordering voorgelegd. Klager heeft, met uitzondering van het verslag van het interview, gehouden op 16 oktober 1996, geweigerd de verslagen, waarvan hem afschriften zijn verstrekt, voor akkoord te tekenen om geen afbreuk te doen aan zijn juridische positie. Het geschrevene heeft klager daarbij echter niet in twijfel getrokken.

Naar de mening van appellant kan onder de hiervoor geschetste omstandigheden niet worden gesproken van schending van het beginsel van hoor en wederhoor.

4. De beoordeling

Naar aanleiding van het vorenoverwogene stelt het College vast dat in dit geding niet aan de orde is de juistheid van de inhoud van meergenoemd frauderapport. Naar partijen ter zitting van het College hebben verklaard, heeft klager daarover een afzonderlijke klacht bij de raad van tucht ingediend, welke klacht thans bij deze raad in behandeling is.

Aan de orde is thans de vraag of appellant door klager niet in de gelegenheid te stellen vooraf te reageren op de inhoud van het rapport, in tuchtrechtelijk opzicht laakbaar heeft gehandeld.

Bij de beantwoording van deze vraag moet worden gelet op het karakter van het rapport. Het betreft een intern, voor de leiding van de betrokken onderneming bestemd, rapport dat in hoofdzaak niet op klager betrekking had en dat door appellant strikt vertrouwelijk aan evenbedoelde personen is toegezonden. Niet gebleken is dat appellant ten tijde van het opstellen en het uitbrengen van het rapport op de hoogte was van intenties bij de leiding van de onderneming om het rapport aan de politie te verstrekken, hetgeen later is geschied. Voorts moet in aanmerking worden genomen dat ten tijde van het uitbrengen van het rapport klagers werkgeefster al arbeidsrechterlijke consequenties had verbonden aan de vermeende betrokkenheid van klager bij eerderbedoelde fraudezaak.

In verband met vorenomschreven kwestie is met name van belang hetgeen is bepaald in artikel 11, eerste lid, van de Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994). Ingevolge dit voorschrift doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid.

Genoemd voorschrift heeft tevens betrekking op de zorgvuldigheid van de voorbereiding van een document, bevattende de uitkomst van de arbeid van een registeraccountant, zoals een door hem opgesteld rapport.

Naar het oordeel van het College kan niet als - algemene - professionele zorgvuldigheidseis worden geformuleerd dat in het kader van het uitbrengen van een rapport als het onderhavige, iedere persoon wiens handelen in het rapport aan de orde komt, de gelegenheid krijgt een reactie te geven op de inhoud van het rapport voordat het naar buiten wordt gebracht.

Niettemin kunnen zich omstandigheden voordoen waaronder het, uit hoofde van de in het betrokken geval in acht te nemen zorgvuldigheid, geboden is een persoon als evenbedoeld, de gelegenheid te bieden tot het geven van een reactie op de inhoud van het rapport alvorens het wordt uitgebracht. In dit verband kan worden gedacht aan de situatie waarin de betrokkene niet vooraf in de gelegenheid is gesteld zijn zienswijze naar voren te brengen aangaande de onderzochte aangelegenheid waarbij hij is betrokken, of - meer in het bijzonder - de situatie waarbij in het rapport een hem betreffend onderwerp aan de orde wordt gesteld, waarover hij zich nog niet (naar behoren) heeft kunnen uitspreken. Hierbij gaat het met name om aangelegenheden van feitelijke aard.

Het College is, gelet op de omstandigheden van dit geval, van oordeel dat niet kan worden gesproken van een schending door appellant van de hiervoor geformuleerde zorgvuldigheidsnorm.

Daarbij wordt in aanmerking genomen dat klager een aantal malen is gehoord met betrekking tot de fraudekwestie waarnaar eerdergenoemde afdelingen van de bank een onderzoek instelden, dat van genoemd horen verslagen zijn opgesteld die klager zijn voorgelegd en in afschrift overhandigd en dat de feiten en omstandigheden die aangaande klager zijn vermeld in het rapport, bij voormelde interviews aan de orde zijn geweest.

Weliswaar heeft klager genoemde verslagen, op één na, niet geaccordeerd, zulks naar klager heeft gesteld om geen afbreuk te doen aan zijn rechtspositie, terwijl klager tevens in algemene zin heeft opgemerkt dat hij het niet eens is met alles wat in de verslagen is vermeld, doch van de zijde van klager zijn geen inhoudelijke argumenten naar voren gebracht, die aanleiding geven de verslaglegging omtrent de feiten die met betrekking tot klager in het rapport aan de orde zijn gesteld, in twijfel te trekken.

De beschikbare gegevens bieden geen steun aan de opvatting dat appellant in het kader van de voorbereiding van het onderhavige rapport niet de jegens appellant te betrachten zorgvuldigheid in acht heeft genomen

Het vorenoverwogene leidt het College tot de slotsom dat het beroep gegrond is, dat de bestreden tuchtbeslissing niet in stand kan blijven en dat het onderhavige klachtonderdeel alsnog ongegrond dient te worden verklaard.

De na te vermelden beslissing berust op het bepaalde in Titel II van de Wet op de Registeraccountants en artikel 11, eerste lid, GBR-1994.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeslissing;

- verklaart de klacht, voor zover in dit geding aan de orde, alsnog ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2002.

w.g. mr H.C. Cusell w.g. mr A.J. Medze