Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0753

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2002
Datum publicatie
27-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/676
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/676 8 maart 2002

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. "B", te C, appellant,

gemachtigde: mr P.J.J. Lenders,

tegen

de burgemeester van Venlo, verweerder,

gemachtigde: mr M.P.W. Killaars.

1. De procedure

Op 16 augustus 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 juli 2001.

Bij dat besluit heeft verweerder het bezwaarschrift van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoek om vergunning voor het aanwezig hebben van een kansspelautomaat ongegrond verklaard.

Bij brief van 6 september 2001 heeft appellant de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft op 5 oktober 2001 een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft op 8 februari 2002 nog een nader stuk en een foto toegezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 februari 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. in een inrichting, anders dan onder a of b, bestemd om het publiek de gelegenheid te geven een spel door middel van speelautomaten te beoefenen, indien het houden van een zodanige inrichting krachtens een vergunning van de

burgemeester bij gemeentelijke verordening is toegestaan.

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. (…)

4. Indien zich binnen een laagdrempelige inrichting een horecalokaliteit als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet bevindt, waarin rechtmatig alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse wordt verstrekt, dan wordt deze lokaliteit als hoogdrempelige inrichting aangemerkt voor de toepassing van deze titel, indien:

a. voldaan is aan de voorwaarden, bedoeld in artikel 30, onder d, en

b. de overige ruimten in die inrichting door het publiek uitsluitend te bereiken zijn zonder eerst deze lokaliteit te betreden.

5. (…)."

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet luidt, sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- lokaliteit: een besloten ruimte, onderdeel uitmakend van een inrichting;

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…)."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert onder de naam "B" een café annex kegelbanen aan de D-straat te E.

- Na het betreden van de inrichting komen bezoekers eerst binnen in het cafégedeelte waar zich ook de toiletten en - sedert 1983 - de kansspelautomaat bevinden. Een vier meter brede doorgang geeft vanuit het café toegang tot een viertal kegelbanen. De bediening bij de kegelbanen vindt plaats vanuit het café. Verder bevinden zich in de inrichting nog vergaderruimten die voorzien zijn van toiletten.

- Appellant heeft op 5 januari 2001 ten behoeve van vermelde onderneming een vergunning als bedoeld in artikel 30b van de Wet gevraagd voor het aanwezig hebben van één kansspelautomaat.

- Bij brief van 1 maart 2001 heeft verweerder appellant meegedeeld dat de gevraagde vergunning wordt geweigerd.

- Hiertegen heeft appellant bij brief van 14 maart 2001 een bezwaarschrift ingediend.

- Op 10 april 2001 heeft appellant zijn bezwaar toegelicht op een hoorzitting.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

De kegelbanen trekken een zelfstandige stroom bezoekers naar de inrichting, aangezien zij niet in de eerste plaats worden bezocht voor alcoholconsumptie maar om te kegelen. Derhalve is geen sprake van een hoogdrempelige inrichting. Evenmin is sprake van een samengestelde inrichting die voldoet aan het bepaalde in artikel 30c, vierde lid van de Wet. Een van de eisen daarvoor is dat men om de ruimten waar laagdrempelige activiteiten plaatsvinden (kegelbaan) te bereiken niet eerst door de hoogdrempelige ruimte (café) moet of kan gaan. Hieraan wordt in dit geval niet voldaan.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende aangevoerd.

De onderneming van appellant voldoet geheel aan het doel van de Wet, namelijk dat jeugdigen niet ongewild of terloops met kansspelautomaten in aanraking komen. Het merendeel van de bezoekers van appellant komt uitsluitend voor het café, hetgeen blijkt uit de omzetcijfers. Het café kent ook aanzienlijk ruimere openingstijden dan de kegelbanen. Jeugdigen hebben betrekkelijk weinig belangstelling voor de kegelsport. Als zij al de kegelbanen bezoeken, dan doen zij dat in het gezelschap van ouderen. De kansspelautomaat is niet zichtbaar vanaf de kegelbanen en appellant houdt streng toezicht op het gebruik er van. Bezoekers van de kegelbanen hoeven niet in het cafégedeelte te komen om drankjes te halen omdat bestellingen naar de kegelbanen worden gebracht. Voorts kunnen zij gebruik maken van de toiletten bij de vergaderruimten.

Appellant heeft geconstateerd dat aan een andere laagdrempelige inrichting in Venlo - een ijssalon - wel vergunning is verleend voor het hebben van kansspelautomaten. Appellant meent dat verweerder hiermede handelt in strijd met het gelijkheidsbeginsel.

5. De beoordeling van het geschil

Appellant heeft niet betwist dat strikt genomen, gelet op de situering van de kegelbanen, op grond van de toepasselijke wettelijke bepalingen de aanwezigheid in zijn inrichting van een of meer kansspelautomaten niet kan worden toegestaan. Appellant meent evenwel dat verweerder in een geval als het zijne een ruimere uitleg zou moeten geven aan het begrip "hoogdrempelige inrichting" omdat in feite de doelstellingen van de Wet wel worden bereikt.

Het College deelt die opvatting niet. Vast staat dat in de inrichting van appellant een laagdrempelige activiteit - het kegelspel - plaatsvindt die, ook al genereert zij slechts een beperkt deel van de omzet, van een zodanige omvang is dat zij niet als louter ondersteunend voor de hoofdactiviteit kan worden beschouwd. De kegelbanen trekken een zelfstandige stroom van bezoekers die alleen of vooral met het doel het kegelspel te beoefenen het bedrijf van appellant bezoeken. Hierdoor is de inrichting laagdrempelig, zodat de vergunning, bedoeld in artikel 30b van de Wet, moest worden geweigerd. De omstandigheid dat vermelde bezoekersstroom niet in meerderheid uit jeugdigen bestaat kan hieraan niet afdoen.

Met betrekking tot het door appellant gedane beroep op het gelijkheidsbeginsel is ter zitting namens verweerder uiteengezet dat hier geen sprake is van een vergelijkbaar geval, aangezien het gaat om een inrichting die 's zomers als ijssalon en 's winters als café in gebruik is. Alleen voor de winterperiode wordt een aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten verleend. Indien bij onderzoek zou blijken dat de betrokken exploitant de kansspelautomaten benut in een periode waarin dit niet is toegestaan zal hiertegen, aldus de gemachtigde, worden opgetreden.

Het College merkt hierover nog op dat, wat er zij van de vraag of hier sprake is van een vergelijkbaar geval, daaraan geen aanspraak kan worden ontleend op het verkrijgen van een vergunning die niet anders dan in strijd met de Wet verleend zou kunnen worden

Aangezien niet is gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas