Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0433

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-03-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/905
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/905 6 maart 2002

23510

Uitspraak in de zaak van:

1. A, te B,

2. C, te D, appellanten,

gemachtigde: A.G.W. van de Steeg, wonende te Bergambacht,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigde: mr J.J. Birkhoff, werkzaam bij de Belastingdienst/Douanedistrict Rotterdam.

1. De procedure

Op 13 november 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 oktober 2000.

Bij dit besluit heeft de inspecteur van de Belastingdienst/Douanedistrict Rotterdam (hierna: de inspecteur) namens verweerder het bezwaarschrift van appellante sub 2 tegen de aan haar gerichte uitnodiging tot betaling van antidumpingheffing ongegrond verklaard.

Namens verweerder is op 29 januari 2001 een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben op 26 februari 2001 een conclusie van repliek ingediend.

Verweerder heeft op 28 maart 2001 een conclusie van dupliek ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 25 januari 2002. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten toegelicht. Voor appellante sub 1 zijn voorts verschenen E en F, en voor appellante sub 2 G.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij Verordening (EEG) nr. 3433/91 (Pb. EG nr. L 326) van 25 november 1991, later gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 1006/95 (Pb EG nr. L101) heeft de Raad van de Europese Gemeenschappen (hierna: de Raad) een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit respectievelijk Japan, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Thailand ingesteld

Bij Verordening (EEG) nr. 384/96 (Pb.EG nr. L 56) van 22 december 1995 heeft de Raad regels vastgesteld betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap. Artikel 13 van deze Verordening luidt, voor zover hier van belang, als volgt.

" 1. De overeenkomstig deze verordening ingestelde anti-dumpingrechten kunnen worden uitgebreid tot de invoer van soortgelijke produkten, of delen daarvan, uit derde landen wanneer er ontwijking van de geldende maatregelen plaatsvindt.(…)

2.(…)

3. Een onderzoek op grond van dit artikel wordt geopend indien het verzoek voldoende bewijsmateriaal bevat betreffende de in lid 1 genoemde factoren. Het onderzoek wordt, na raadpleging van het raadgevend comité, geopend door middel van een verordening van de Commissie die de douaneautoriteiten tevens de instructie geeft de invoer overeenkomstig artikel 14, lid 5, te registreren of zekerheidstelling te eisen. Het onderzoek wordt uitgevoerd door de Commissie, die door de douaneautoriteiten kan worden bijgestaan, en wordt binnen negen maanden afgesloten. Wanneer de definitief vastgestelde feiten uitbreiding van de maatregelen rechtvaardigen, neemt de Raad met een gewone meerderheid van stemmen op voorstel van de Commissie het daartoe strekkend besluit, dat geldig is vanaf de datum waarop overeenkomstig artikel 14, lid 5, registratie van de goederen of zekerheidstelling is geëist (..)"

Bij Verordening (EG) nr. 971/98 (Pb EG nr. L 135) van de Commissie van de Europese Gemeenschappen van 7 mei 1998 is een onderzoek geopend naar een mogelijke ontwijking van het bij Verordening (EEG) nr. 3433/91 ingestelde antidumpingrecht op niet-navulbare gasaanstekers met vuursteentje uit de Volksrepubliek China, door verzending via Hongkong, Macau en Taiwan en door de invoer van bepaalde navulbare wegwerpaanstekers uit de Volksrepubliek China. Bij artikel 2, aanhef en onder a, van deze Verordening, die in werking is getreden op 9 mei 1998, wordt de douaneautoriteiten de instructie gegeven de nodige maatregelen te treffen om de invoer in de Gemeenschap van navulbare zakaanstekers met een vuursteentje, met een waarde per stuk, vóór inklaring, van minder dan 0,5 ecu, vallende onder GN-code ex 9613 20 90 (Taric-code 9613 20 90 10), uit de Volksrepubliek China te registreren. Bij deze verordening wordt onder meer het volgende overwogen.

" Deel van de registratie is ervoor te zorgen dat, indien het antidumpingrecht op wegwerpaantekers uit de Volksrepubliek China uigebreid wordt tot goedkope, gewijzigde aanstekers uit de Volksrepubliek China die niet als wegwerpaanstekers worden aangegeven en/of tot wegwerpaanstekers die van Hongkong, Macau en Taiwan zijn verzonden, het recht vanaf de datum van registratie kan worden geheven."

Bij Verordening(EG) m. 192/99 (Pb EG nr. L 22) van 25 januari 1999 van de Raad is het bij Verordening (EEG) nr. 3433/91 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer van niet-navulbare zakgasaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, uitgebreid tot de invoer van bepaalde navulbare wegwerp-zakaanstekers met vuursteentje, van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Ingevolge artikel 1, derde lid, wordt het bij deze verordening uitgebreide recht geheven van de invoer die wordt geregistreerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 971/98 en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 384/96.

Het Besluit mandaat en machtiging Belastingdienst/Douane inzake anti-dumpingheffingen en compenserende heffingen EZ van 13 januari 2000 (Scrt. 17 januari 2000, hierna ook: het mandaatbesluit) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

"Artikel 2

1.Aan inspecteurs wordt mandaat verleend tot:

a. Het vaststellen van de uitnodiging tot betaling ter zake van antidumpingheffingen en tot het geven van de beschikking ter zake van antidumpingheffingen of compenserende heffingen en tot het geven van de beschikking ter zake van antidumpingheffingen of compenserende heffingen, als bedoeld in de artikelen 22a, tweede lid, en 22c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen;

(…)

Artikel 7

Dit besluit treedt in werking met ingang van de tweede dag na de dagtekening van de Staatscourant waarin het wordt geplaatst en werkt terug tot en met 1 januari 1998."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante sub 1 (hierna: A) heeft zich op 15 juli 1998 jegens een Nederlandse afnemer verbonden tot levering van 400.000 stuks navulbare gasaanstekers met vuursteentje.

- Bij fax van 11 augustus 1998 heeft A zich gewend tot het Euro Info Centrum (EIC) in Groningen met het verzoek om inlichtingen over een in gang zijnd onderzoek naar eventuele verlegging van het antidumpingrecht op gasaanstekers als hogervermeld.

- Bij fax van 12 augustus 1998 is in antwoord hierop aan A een copie van Vo. 971/98 toegezonden.

- Op 11 september 1998 is een aanvang gemaakt met de verscheping van 400.000 gasaanstekers vanuit Hongkong naar Rotterdam, waar zij op 3 oktober 1998 zijn aangekomen.

- Op 5 oktober 1998 heeft appellante sub 2 (hierna: C) terzake van de hogervermelde gasaanstekers, met een waarde -niet ingeklaard -van minder dan 0,5 ecu per stuk, een aangifte ten invoer tot verbruik gedaan.

- Eveneens op 5 oktober 1998, aangevuld bij fax van 15 oktober 1998 heeft A zich gewend tot het Directoraat Generaal I (DGI) van de Europese Commissie met het verzoek om informatie omtrent de consequenties van de invoer van navulbare gasaanstekers met vuursteentje uit Hongkong.

- De goederen zijn door de verifiërend ambtenaar bemonsterd. Op 7 oktober 1998 is de verificatie beëindigd en zijn de goederen ter beschikking van de aangever gesteld.

- Bij fax van 16 oktober 1998 heeft J. Pöttgen, werkzaam bij DGI van de Europese Commissie, A als volgt bericht:

" As I told you over the phone anti-dumping duties are generally not imposed retroactively. However, in the case of circumvention of anti-dumping measures, duties may be collected from the date of registration of imports of the product concerned, provided that the registration was published in de Official Journal. Honce, should the above mentioned investigation determine that the measures imposed on non-refillable pocket lighters orginating in the PR China should be extended to products of other origins (Hong Kong, Macao Taiwan) or to technically altered products (disposable refillable lighters), the collection of an anti-dumping duty would be possible from the date of registration onwards, i.e. 8 may 1998."

- Op 1 februari 1999 heeft het EIC aan A een copie van Vo 192/99 toegezonden. Vervolgens is gecorrespondeerd tussen A en J. Pöttgen over de mogelijke oplegging van antidumpingrechten met terugwerkende kracht.

- Bij besluit van 19 december 1999 heeft de inspecteur C uitgenodigd tot betaling, van, voorzover hier van belang, € 26.000,02 in verband met terzake van de invoer van 400.000 zakgasaanstekers met vuursteentje uit de Volksrepubliek China verschuldigde antidumpingheffing. Bij aanvullende factuur van 20 december 1999 heeft C het bij de uitnodiging tot betaling vermelde bedrag doorbelast aan A.

- C heeft tegen het besluit van 19 december 1999 bij brief van 28 december 1999, aangevuld bij brief van 10 februari 2000, een bezwaarschrift ingediend.

- Op 14 juli 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden, waar zowel C als A vertegenwoordigd was.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit zijn de bezwaren van C ongegrond verklaard. Verweerder overwoog hiertoe:

" Door de uitspraken, zowel mondeling als schriftelijk, gedaan door het Euro Info Centrum Noord-Nederland en het Directorate General for Trade, Directorate D-Sectoral trade questions, market access, Trade 2, is er naar uw mening sprake van opgewekt vertrouwen overeenkomstig artikel 221 lid 1 van Verordening (EG) 2913/92. U vindt dat u door de officiële instanties op het verkeerde spoor bent gezet.

Het feit dat u informatie heeft ingewonnen bij de bovengenoemde instanties heeft geen gevolgen voor het feit of hier sprake is van opgewekt vertrouwen. Alleen de officiële instanties die bevoegd zijn om informatie in dit soort gevallen te geven zijn. Het Ministerie van Economische Zaken, en de Belastingsdienst Douane. Aangezien de beide instanties niet geraadpleegd zijn kan er in dit geval geen sprake van opgewekt vertrouwen zijn. In punt 9 van deze uitspraak is reeds uitgelegd op grond van welke bepalingen de heffing achteraf opgelegd kon worden."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 De inspecteur was niet bevoegd tot oplegging van de heffing, aangezien dit een bevoegdheid is van verweerder. Weliswaar heeft verweerder op 13 januari 2000 het mandaat besluit genomen, maar daaraan is ten onrechte terugwerkende kracht gegeven.

4.2 De inspecteur heeft gehandeld in strijd met artikel 220, tweede lid, aanhef en onder b van het Communautair Douane Wetboek (CDW), aangezien door mededelingen van de door A geraadpleegde autoriteiten, in het bijzonder het EIC en J. Pöttgen van DGI van de Europese Commissie, alsmede in telefonische contacten met de douane te Rotterdam, het vertrouwen is gewekt dat geen antidumpingheffing zou worden opgelegd. Zonder deze medelingen zou niet tot invoer van de aanstekers zijn overgegaan.

4.3 De inspecteur heeft ten tijde van de verificatie van de goederen ten onrechte nagelaten appellanten te informeren omtrent het lopende antidumpingonderzoek en de registratieprocedure met betrekking tot de aangegeven producten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De ontvankelijkheid van het beroep van A

Ingevolge artikel 1:2, gelezen in samenhang met artikel 7:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan tegen een besluit op bezwaar - onder nader omschreven voorwaarden - beroep worden ingesteld door degene wiens belang rechtstreeks bij dat besluit is betrokken.

Hieruit volgt dat A niet in haar beroep kan worden ontvangen. De uitnodiging tot betaling van 19 december 1998 was gericht aan C, als aangever ten invoer en, ingevolge artikel 201, derde lid, van het CDW, douaneschuldenaar. Alleen C heeft tegen die uitnodiging een bezwaarschrift ingediend. A is niet de geadresseerde van het besluit op bezwaar en niet de rechtspersoon aan wie de betalingsverplichting is opgelegd. De omstandigheid dat A zich geroepen heeft gezien desondanks onder meer de bij de uitnodiging tot betaling opgelegde antidumpingheffing te betalen kan niet leiden tot het oordeel dat haar belangen rechtstreeks bij het aangevallen besluit zijn betrokken.

5.2 Het beroep van C

5.2.1 Ten tijde dat de uitnodiging tot betaling werd gedaan was de bevoegdheid tot het nemen van een dergelijk besluit nog niet aan de inspecteur gemandateerd. Dat gebeurde pas door de inwerkingtreding van het mandaatbesluit met ingang van 19 januari 2000. Een en ander geeft evenwel geen aanleiding tot vernietiging van het bestreden besluit. Wat er zij van de vraag of de bevoegdheid, zoals verweerder heeft gedaan, met terugwerkende kracht kon worden gemandateerd, vaststaat dat ten tijde van het bestreden besluit, dat, gelet op artikel 7:11 van de Awb een volledige heroverweging inhoudt van het besluit van 19 december 1999, de inspecteur zowel tot het doen uitgaan van een uitnodiging tot betaling als tot het beslissen op een tegen zodanige uitnodiging gericht bezwaar bevoegd was. Dat het mandaat besluit op dit punt niet rechtsgeldig zou zijn tot stand gekomen is het College niet kunnen blijken. Voorts staat het bepaalde in artikel 221, derde lid, van het CDW niet in de weg aan het opnieuw, door het inmiddels bevoegde bestuursorgaan, opleggen van de heffing, aangezien nog geen drie jaar waren verstreken sedert het ontstaan van de douaneschuld. Deze grief treft derhalve geen doel.

5.2.2 Zoals verweerder terecht heeft opgemerkt is voor bescherming van gewettigd vertrouwen van de belastingschuldige ingevolge de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen vereist dat het de autoriteiten "zelf" zijn, die de grondslag hebben gecreëerd waarop dat vertrouwen van de belastingplichtige berustte. C heeft echter geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die kunnen leiden tot het oordeel dat in haar geval zodanige grondslag door actief handelen van de autoriteiten is gecreëerd. De mededelingen die aan A zijn gedaan omtrent het tijdstip van inwerkingtreding van een eventuele antidumpingheffing kunnen bij C niet het vertrouwen hebben gewekt dat geen heffing zou worden opgelegd vanaf het tijdstip dat werd aangevangen met de registratie van de invoer van gasaanstekers als waarop de in geding zijnde aangifte betrekking heeft. Allereerst zijn deze mededelingen niet aan C gedaan. Voorts beschikte A reeds op

12 augustus 1998, een maand voor de verscheping van de aanstekers, over de tekst van Vo. 971/98, zodat zij toen al wist, c.q. behoorde te weten dat oplegging van antidumping-recht tot de mogelijkheden behoorde. Niettemin ging zij zonder zich verder van de implicaties daarvan te vergewissen, tot invoer over. Wat er zij van de standpunten, neergelegd in de correspondentie tussen A en J. Pöttgen c.q. het EIC, die na 5 oktober 1998 heeft plaatsgevonden, daarmee is niet bij C het vertrouwen gewekt dat op laatstvermelde datum de aanstekers konden worden ingevoerd zonder dat alsnog antidumpingheffing verschuldigd zou zijn.

5.2.3 Van onzorgvuldig handelen aan de zijde van de inspecteur in het verband van de verificatieprocedure is het College niet gebleken. C heeft niet betwist dat zij op de hoogte was van het lopende antidumping-onderzoek en van de registratieprocedure. Indien zij daaraan niet de gevolgtrekking verbond dat bij een ongunstige uitkomst van het onderzoek alsnog met ingang van de inwerkingtreding van Vo.971/98, waarbij de registratieprocedure is ingevoerd, een antidumpingheffing zou kunnen worden opgelegd komt dit voor haar rekening.

5.2.4 Aangezien niet is gebleken dat het bestreden besluit onrechtmatig is, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van A niet-ontvankelijk;

- verklaart het beroep van C ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.M. Wolters en mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand.