Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AE0431

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-02-2002
Datum publicatie
20-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/549
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/549 20 februari 2002

10720

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ing T.G.M. Pruijn, werkzaam bij Gloudemans Taxatie- en adviesbureau,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr I.H. de Klerk Wolters, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 3 juli 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 mei 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaarschriften van appellant tegen de afwijzing van zijn verzoeken om registratie van overdracht van referentiehoeveelheden ingevolge de Regeling superheffing 1993 (hierna: de Regeling) ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 11 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 28 november 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7 van Verordening ( EEG) nr. 3950/92 luidt:

" Artikel 7

1. In geval van verkoop, verhuur of overgang door vererving wordt de op een bedrijf beschikbare referentiehoeveelheid samen met het bedrijf overgedragen aan de producent die het bedrijf overneemt, op de wijze die door de Lid-Staten wordt bepaald rekening houdend met de voor de melkproduktie gebruikte oppervlakten of met andere objectieve criteria, in voorkomend geval, met de overeenkomst tussen de partijen. (…)"

De Regeling houdt onder meer het volgende in:

"Artikel 15

1. Een referentiehoeveelheid kan worden overdragen in samenhang met de overdracht van de voor de melkproductie gebruikte grond, niet zijnde een geheel bedrijf, als overeengekomen door betrokken partijen met inachtneming van de hierna volgende bepalingen.

(…)

Artikel 18

1. Degenen die een referentiehoeveelheid op basis van artikel 15, dan wel op basis van artikel 16, eerste lid, hebben verworven respectievelijk overgedragen, geven daarvan onverwijld gezamenlijk kennis aan het productschap op een daartoe door het productschap voorgeschreven formulier, volgens daartoe door het productschap gestelde voorschriften. (…)

2. Er kan eerst een aanspraak op een referentiehoeveelheid worden gemaakt vanaf de registratie door het productschap.

3. Indien de overdracht bedoeld in het eerste lid in een tijdvak van een door het productschap te bepalen datum tot en met het einde van de heffingsperiode bij het productschap wordt aangemeld, wordt de aanspraak op de referentiehoeveelheid eerst erkend met ingang van de volgende heffingsperiode. (…)

Artikel 23

1. Onder overdracht wordt in deze paragraaf verstaan:

a. overdracht in eigendom onder bijzondere titel;

b. een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pachtwet betreffende los land hetwelk groter is dan één hectare of een hoeve geldend voor de duur van meer dan één jaar;

c. een schriftelijke pachtovereenkomst als bedoeld in artikel 1 van de Pachtwet betreffende los land hetwelk niet groter is dan één hectare, geldend voor de duur van meer dan één jaar;

(…)"

In de toelichting bij het besluit van 25 januari 1996 (Staatscourant van 1 februari 1996, nr. 23), waarbij voormelde onderdelen b en c van artikel 23 van de Regeling zijn opgenomen, heeft de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij het volgende overwogen:

" Thans is artikel 23 van de Regeling superheffing 1993 in overeenstemming gebracht met de gewijzigde Pachtwet (…). Voor pachtovereenkomsten betreffende los land groter dan één hectare blijft de eis, dat de grondkamer deze moet goedkeuren, onverkort gehandhaafd. Voor pachtovereenkomsten betreffende los land tot en met één hectare is thans in de regeling bepaald dat deze, wil van overdracht van de referentiehoeveelheid sprake kunnen zijn, ten minste schriftelijk moeten zijn vastgelegd."

Bij de Zuivelverordening 1994, uitvoering regeling superheffing, heeft het bestuur van het Productschap het volgende bepaald:

" Artikel 19

1. De in artikel 18 lid 1 van de regeling bedoelde kennisgevingen dienen te worden gedaan op een formulier waarvan het model door de voorzitter is vastgesteld. De in artikel 18 lid 3 van de regeling bedoelde datum is 1 januari in de betrokken heffingsperiode.

(…)"

In de toelichting op het 'meldingsformulier overdracht quotum met grond/geheel bedrijf' is onder meer opgemerkt:

" Als er sprake is van meer dan één pachtovereenkomst, tussen dezelfde partijen, inzake los land t/m 1 ha, wijst de COS het verzoek om registratie van de overdrachten af, als blijkt dat in totaliteit de 1 ha grens wordt overschreden."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 december 1999 hebben appellant en C te D twee pachtovereenkomsten gesloten. De overeenkomsten zijn aangegaan voor de tijd van 1 jaar en 1 dag, ingaande op 15 december 1999. In beide pachtovereenkomsten is bepaald dat appellant 1 hectare los land verpacht aan C. De betreffende twee stukken grond zijn beide kadastraal bekend in de gemeente Schaik, sectie L, nummer 5. De voorwaarden waaronder beide pachtovereenkomsten zijn gesloten zijn identiek. In ieder van de overeenkomsten is als bijzondere voorwaarde opgenomen dat partijen verklaren dat bij deze verpachting de aanspraken op een referentiehoeveelheid melk als bedoeld in de Regeling ter grootte van 20.000 kg met een vetpercentage van 4,15% van verpachter naar pachter worden overgedragen.

- Op 28 december 1999 en 30 december 1999 heeft verweerder een 'meldingsformulier overdracht quotum met grond/geheel bedrijf', gedateerd 15 december 1999, met nummer GT 130533, respectievelijk nummer GT 130543 ontvangen. In het formulier met nummer GT 130533 verzoeken appellant en A.F. Oostveen om registratie van de overgang van fabrieksquotum ter grootte van 20.000 kg door de overdracht van grond, niet zijnde een geheel bedrijf, ingevolge de pachtovereenkomst voor het lopende heffingsjaar (1999-2000). In het formulier met nummer GT 130543 verzoeken appellant en C om registratie van de overgang van fabrieksquotum ter grootte van 20.000 kg door de overdracht van grond, niet zijnde een geheel bedrijf, ingevolge de pachtovereenkomst voor het volgende heffingsjaar (2000-2001).

- Bij besluit van 25 februari 2000 heeft verweerder zowel het verzoek van 28 december 1999 als dat van 30 december 1999 afgewezen.

- Bij brief van 29 maart 2000 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit van 25 februari 2000. In deze brief verzoekt appellant verweerder voorts het aan verweerder toegezonden meldingsformulier met nummer GT 130543 als niet ontvangen te beschouwen en het meldingsformulier met nummer GT 130533 alsnog te registreren

- Bij besluit van 3 april 2000 heeft verweerder geweigerd het meldingformulier GT 130533 te registeren op grond van de omstandigheid dat dit verzoek na de uiterste datum van inlevering, te weten 31 december 1999, is ontvangen.

- Bij brief van 6 april 2000 heeft appellant een bezwaarschrift ingediend tegen voornoemd besluit van 3 april 2000

- Op 16 mei 2000 heeft appellant zijn bezwaar mondeling toegelicht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - onder meer het volgende in.

De transacties die door middel van de meldingsformulieren GT 130533 en GT 130543 zijn aangemeld vertonen een zodanige samenhang dat in feite sprake is van één transactie inzake de overdracht van 40.000 kilogram quotum en 2 hectare pachtgrond. Ingevolge artikel 23, eerste lid, aanhef en onder b, van de Regeling behoeft een dergelijke pachtovereenkomst de goedkeuring van de grondkamer alvorens sprake kan zijn van de registratie van overdracht van een referentiehoeveelheid.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Verweerder heeft bij het nemen van het bestreden besluit gehandeld in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur omdat verweerder geen belang heeft bij de weigering van de registratie van de overdracht welke bij de COS is aangemeld door middel van het meldingsformulier GT 130533, nu appellant de melding van de voorgenomen overdracht op grond van het meldingsformulier GT 130543 heeft ingetrokken en deze overdracht ongedaan is gemaakt. Door het vasthouden aan de weigering van registratie van de eerst aangemelde overdracht offert verweerder de belangen van betrokkenen geheel op aan het belang van het sec handhaven van de regel.

Hierbij is verder van belang dat zowel appellant als C volledig ter goeder trouw hebben gehandeld. Van enige opzet om de Regeling te ontduiken is derhalve geen sprake.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge de artikelen 15, eerste lid, en 23, eerste lid, van de Regeling kan een referentiehoeveelheid onder meer worden overdragen in samenhang met verpachting van voor de melkproductie gebruikt los land op grond van een door de grondkamer goedgekeurde pachtovereenkomst, indien dit los land groter is dan één hectare.

Verweerder pleegt blijkens de toelichting op het voorgeschreven formulier verzoeken om registratie van referentiehoeveelheden af te wijzen, indien hiertoe tussen dezelfde partijen verschillende pachtovereenkomsten zijn gesloten, die elk los land van ten hoogste één hectare, en samen grond van meer dan één hectare betreffen.

Zodanige toepassing is naar het oordeel van het College in overeenstemming met het stelsel voor overdracht van een referentiehoeveelheid, bepaald bij § 6 van de Regeling, gelet op tekst en strekking van genoemde artikelen, alsmede gelet op de uit de toelichting blijkende bedoeling van de regelgever om de eis van goedkeuring door de grondkamer onverkort te handhaven. Een andere uitleg zou bedoelde eis zinledig maken.

Nu uit het stelsel van § 6 van de Regeling dienaangaande een beperking voortvloeit, stuit het beroep van appellant op de bij artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht voorgeschreven belangenafweging, af op de termen van het eerste lid van dit artikel.

Dat appellant de onderhavige pachtovereenkomsten te goeder trouw is aangegaan, leidt niet tot een andere beoordeling.

De conclusie is dat verweerder de beide verzoeken om registratie van referentiehoeveelheid rechtens in samenhang heeft kunnen toetsten aan de eis van goedkeuring door de grondkamer van de bijbehorende pachtovereenkomsten.

Voorts staat vast dat de intrekking van het verzoek om registratie van referentiehoeveelheid voor het heffingsjaar 2000-2001 bij brief van 29 maart 2000 is gedaan. Voor zijn beoordeling van het verzoek om registratie van referentiehoeveelheid voor het heffingsjaar 1999-2000 heeft verweerder deze intrekking buiten beschouwing moeten laten, nu kennisgeving heeft plaats gehad na de uiterste datum van 1 januari 2000, die voortvloeit uit het bepaalde bij artikel 19, tweede lid, van de Zuivelverordening, uitvoering regeling superheffing.

De slotsom is dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr W.E. Dolaard, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand