Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9994

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
01-03-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/550
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 310 met annotatie van Y.E. Schuurmans
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/550 1 maart 2002

5135

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, te C, appellante,

gemachtigde: mr A.L. Stegeman,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.M.F. Lobles.

1. De procedure

Op 12 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 juni 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het jaar 1998 op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Op 24 juli 2001 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld

Op 28 september 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 18 januari 2002 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen hun standpunt hebben toegelicht. Voor appellante was ter zitting naast haar gemachtigde aanwezig haar vennoot B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij uitspraak van 4 april 2001 heeft het College beslist op het beroep dat appellante heeft ingesteld tegen het besluit van verweerder van 11 oktober 1999 waarbij het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag voor het jaar 1998 op grond van de Regeling ongegrond werd verklaard (zaak no. AWB 99/935 ). De uitspraak van 4 april 2001 wordt aan deze uitspraak gehecht.

Bij voormelde uitspraak van 4 april 2001 is onder meer het volgende beslist:

" Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 11 oktober 1999;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellante beslist met in acht nemen van deze uitspraak;"

2.2 Het College neemt hier over hetgeen in de uitspraak van 4 april 2001 onder 2.2 aan feiten en omstandigheden is vermeld.

Op grond van de stukken, waaronder de stukken in de zaak no. AWB 99/935, en het verhandelde ter zitting zijn voor het College nog de volgende feiten en omstandigheden vast komen te staan.

- Bij schrijven van 23 september 1998 is namens appellante verklaard dat perceel 6 in 1986 is doodgespoten voor vernieuwing van grasland en dat toen de weide helaas niet meer kon worden ingezaaid omdat het te nat was en te laat werd. In het groeiseizoen 1987 is maïs ingezaaid. Na deze geoogst te hebben is toen de weide weer ingezaaid.

- Bij bezwaarschrift, door verweerder ontvangen op 24 november 1998, is namens appellante verklaard dat perceel 6 in 1986 is bewerkt opdat opnieuw grasland ingezaaid kon worden. Toen het echter door weersomstandigheden te laat werd voor grasinzaai , is medio 1987 maïs gezaaid; dit was laat in mei. Nadat de maïs was geoogst is op dit perceel wederom gras gezaaid. Omdat appellante steeds minder aantallen stuks vee had heeft zij in 1988 op perceel 6 granen gezaaid.

- Ter hoorzitting van 15 september 1999 is door B, vennoot van appellante, verklaard dat hij als het ware geluk had gehad. Hij wilde gras inzaaien, maar dat lukte niet vanwege de natte weersomstandigheden. In 1987 heeft hij maïs op het perceel gezet. B heeft vervolgens verklaard dat de maïs gezaaid is in mei en geoogst is in september/oktober en dat omtrent eind oktober weer gras is ingezaaid. Voor het zaaien van de maïs moest het gras doodgespoten worden.

- Te zelfder hoorzitting heeft de getuige P verklaard dat hij trouwde op 24 april 1987 en dat speciaal voor hem trouwfoto's zouden worden gemaakt in het weiland aan de Maas. Er was echter geen weiland. Het perceel was dat jaar ingezaaid met maïs. Op een andere locatie zijn toen foto's gemaakt.

- In het nader beroepschrift van 30 november 1999 is gesteld dat in 1987 de maïs is ingezaaid eind april/begin mei 1987 en medio september is geoogst.

- In het nader beroepschrift van 23 juli 2001 en ter zitting van 18 januari 2002 is namens appellante gesteld dat in 1987 op perceel 6 maïs is verbouwd en geoogst.

- Een telefoonnotitie betreffende een gesprek van 21 juli 1999 tussen C.M. Nollen van de Afdeling bezwaarschriften van verweerder met de heer Honig van Georas houdt onder meer het volgende in:

" CN:

Hoe zeker zijn die satellietfoto's die julie maken?

H:

Alle twijfelgevallen sturen we niet op. Wat er uiteindelijk wel wordt opgestuurd is meer dan 95% zeker. Ik stel de diagnoses en laat mijn collega het nog een tweede maal bekijken. In het voorjaar en najaar worden die foto's genomen. Als je er namelijk een gewas op gaat telen, dan is de grond kaal en klaar om te bewerken."

Het verslag van de hoorzitting van 15 mei 2001 houdt onder meer het volgende in:

" Reclamant: Wij zijn ervan overtuigd dat het wel akkerland is geweest. Het probleem is helder, op perceel 6 heeft in 1987 tot begin mei gras gestaan, daarna is er maïs verbouwd en na de oogst van de maïs is er weer gras gezaaid.

GeoRas: Wij maken gebruik van foto's uit het voor- en najaar omdat je dan kunt zien of het land bewerkt is. Het groeiseizoen van maïs loopt van mei tot eind september, begin oktober. Indien op een perceel een akkerbouwgewas heeft gestaan, dan zou het land op het moment van het nemen van de foto's braak moeten liggen, omdat het bewerkt moet worden voor het inzaaien van de maïs respectievelijk omdat de mais net geoogst is en er voorbereidingen voor het opnieuw inzaaien moeten worden getroffen. Verder is in het voorjaar het gras egaler en homogener, omdat het nog niet gemaaid of begraasd is. Je kunt dan beter vaststellen dat het inderdaad gras is. Of een perceel braak ligt wordt op de foto's aangegeven door een blauwachtige kleur.

Reclamant: Maar alle gewassen hebben toch een verschillend patroon.

GeoRas: Ja, dat klopt. Maar wij kennen de verandering van kleuren die optreden tijdens de groeicyclus van een gewas. Wij kijken ook niet naar één foto, maar naar meerdere. Op zowel de foto uit het voorjaar als de foto uit het najaar is de interpretatie duidelijk: er staat gras. In de tussenliggende periode kan er geen akkerbouwgewas hebben gestaan, omdat het gras niet zo snel kan groeien in de luttele tijd die verstrijkt tussen het oogsten van de mais en het maken van de satellietfoto.

(…)

Gemachtigde: hoe komt het dat op ieder plaatje het gras een andere kleur heeft? Op de foto uit het voorjaar is het perceel rood en op de foto in het najaar oranje. U kunt wel zeggen dat het allebei gras is, maar waarop baseert u dat?

GeoRas: Dat heeft met verschillende factoren te maken. Zo is de invalshoek van het zonlicht van belang. Als de zon laag staat wordt het licht onder een andere hoek gereflecteerd dan indien de zon loodrecht aan de hemel staat. Daarnaast is natuurlijk ook van belang hoeveel warmte de plant terugstraalt. In het voorjaar heb je te maken met een toenemende zonkracht en hoger wordende temperaturen. De plant zal dan meer warmte (infrarood licht) terugstralen dan in het najaar met zijn lager wordende temperaturen en afnemende zonkracht. De plant produceert minder overtollige warmte en zal dus ook minder sterk zonlicht terugkaatsen. Voorts spelen nog een aantal variabele factoren een rol, zoals de weersomstandigheden, de grondsoort en of de bodem nat of droog is. Maar deze variabelen spelen niet zo'n grote rol dat zij afbreuk doen aan de interpretatie. Perceel 6 is gedurende de referentieperiode blijvend grasland geweest.

Gemachtigde: Ik heb de website opgezocht op Internet en daar deze foto gedownload (toont uitdraai van een pagina van de GeoRas-website). In de legenda bij deze foto staat dat maïs een donker rode kleur heeft. Op de satellietfoto's waarop u zich beroept heeft gras een rode kleur. Hoe zit dat?

GeoRas: Het beeld dat u toont heeft betrekking op één specifieke moment. Daarom kijken wij altijd naar meerdere beelden, omdat je pas uit het verschil tussen beelden kunt vastellen welk gewas er op een perceel staat. Wij beoordelen het ook op een groot scherm, daarop kun je dingen veel beter onderscheiden dan op papier. De foto's worden door twee medewerkers onafhankelijk van elkaar geanalyseerd.

(…)

Gemachtigde: Laten wij eens een foto van een ander perceel nemen. Perceel 17 bijvoorbeeld. (De foto's van perceel 17 worden op de laptop getoond). Wat maakt u hieruit op?

GeoRas: Op dit perceel zou maïs gestaan kunnen hebben.

Reclamant: Dat klopt niet! Op dat perceel hebben toen aardappelen gestaan. Dat weet ik 100% zeker. Zie je wel dat jullie hele systeem niet deugt.

(…)

Reclamant: Ik bestrijd trouwens dat die foto's kloppen. Ik heb gebeld met het K.N.M.I. en die vertelden mij dat het weerstation Beek op die dag (2 oktober 1987) heeft gemeld dat het bewolkt en regenachtig was met een sterk wind (haalt een vel papier tevoorschijn en toont dit aan zijn gemachtigde)

Voorzitter: u heeft geen gegevens van het dichter bij uw woonplaats gelegen weerstation Arcen?

Reclamant: nee, dat was toen nog niet operationeel.

(…)

Voorzitter: Heeft u verder nog vragen? Ik denk dat we in de loop van dit gesprek alle vragen beantwoord hebben.

Gemachtigde: Ik heb op dit moment geen vragen. Wij wachten de hernieuwde beslissing op bezwaar af."

- Een telefoonnotitie d.d. 16 mei van R.A.M. Verheyden van verweerders Afdeling Bezwaarschriften houdt het volgende in

" Op 16 mei 2001 heeft ondergetekende omstreeks 10.20u contact opgenomen met de Klimatologische Dienstverlening van het Koninklijk Nederlands Meteologisch Instituut. Dit naar aanleiding van de bewering van mts. A en B tijdens de hoorzitting d.d. 15 mei 2001 dat het op 2 oktober 1987 volgens het weerstation Beek dermate bewolkt, winderig en regenachtig was dat de Landsat-satelliet geen bruikbare foto had kunnen maken. Het weerstation Arcen, dat dichter bij de woonplaats (C) van de mts. A en B gelegen is, was toentertijd nog niet operationeel.

De medewerker van de Klimatologishe Dienstverlening heeft tegenover mij verklaard dat het enkele feit dat het in Beek bewolkt, winderig en regenachtig was niet betekent dat dezelfde situatie ook 60 km noordelijker bestaat. Het kan zo zijn, aldus de medewerker, dat het weerbeeld op een afstand van 5 à 10 km afstand van het meetpunt al significant anders is. Om het exacte weerbeeld te C te kunnen uitzoeken was echter een vergoeding van ca. fl. 165,- verschuldigd."

- Op 13 juni 2001 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder als volgt overwogen.

" Op 12 november 1998 heeft de teammanager u laten weten dat het perceel met het nummer 6 niet aan de voorwaarden van de Regeling EG-steunverlening Akkerbouwgewassen (hierna te noemen: de Regeling) voldoet. Op het betreffende perceel zou gedurende de referentieperiode 1987-1991 geen akkerbouwgewas zijn geteeld, maar permanent in gebruik zijn geweest als grasland.

Laser heeft dit vastgesteld aan de hand van satellietfoto's. Deze foto's worden ten behoeve van Laser geïnterpreteerd door de firma GeoRas, die daarvoor een erkenning heeft van de Europese Commissie.

(…)

U heeft aangegeven er zeker van te zijn dat u op het bewuste perceel in 1987 maïs heeft geteeld.

(…)

De door u overlegde bewijzen in de vorm van Landbouwtelling-gegevens kunnen door Laser niet geaccepteerd worden als bewijs omdat zij geen perceel gebonden informatie bevatten.

(…)

De verklaring van de heer P dat hij zeker weet dat op het betreffende perceel in ieder geval vóór 24 april 1987 gras heeft gestaan en dat dit gras omstreeks deze periode is doodgespoten, komt niet overeen met de gegevens die zijn al te leiden uit de satellietfoto van 5 mei 1987. De bewuste satellietfoto vertoont, met uitzondering van een strook in de lengterichting van het perceel, een egaal rode kleur. Dit wijst op een egale begroeiing. In het geval dat het gras is doodgespoten zouden er over het gehele perceel verspreide afwijkingen in de egale (rode) kleur aanwezig moeten zijn, omdat het gras niet gelijkmatig afsterft.

(…)

Tevens merk ik op dat u in uw bezwaarschrift stelt dat u perceel 6 in 1986 heeft bewerkt zodat u gras kon inzaaien, hetgeen echter onmogelijk was vanwege de weersomstandigheden. Hierdoor werd het te laat voor het inzaaien van gras en daarom heeft u in medio 1987 maïs gezaaid. Dit levert een merkwaardige discrepantie op met hetgeen u en de heer P later verklaren, namelijk dat u eerst het gras heeft moeten doodspuiten alvorens maïs in te zaaien.

Ook uw verweer dat de Landsat-satelliet op 2 oktober 1987 geen bruikbare foto heeft kunnen nemen in verband met de slechte weersomstandigheden, faalt. De gegevens waarop u zich baseert zijn afkomstig van het weerstation Beek (l). Uw perceel zijn echter circa 60 km noordelijker gelegen.

(…)

Het groeiseizoen van maïs loopt van mei tot en met oktober. U heeft aangegeven dat u eind oktober de maïs , afkomstig van perceel nummer 6, heeft geoogst. Ook dit komt niet overeen met de satellietfoto van 2 oktober 1987. Op het betreffende perceel zou op die datum dan nog maïs zichtbaar moeten zijn.

(…)

Tenslotte wil ik opmerken dat, wil de Landsat-satelliet een perceel registreren als grasland, er sprake moet zijn van een aaneengesloten, volle grasmat. Zelfs indien u direct na de maïsoogst gras inzaait, is het onmogelijk dat in een dergelijk kort tijdbestek een aaneengesloten grasmat ontstaat, zelfs indien men gebruik maakt van zogenaamde "turbograssen."

In het verweer en ter zitting heeft verweerder hier nog het volgende aan toegevoegd.

Georas is gecertificeerd door de Europese Commissie voor het interpreteren van satellietopnames. De medewerkers van Georas die de opnames analyseren zijn allen opgeleid als fysiologisch geograaf en zijn terzake deskundig. De opnames worden onafhankelijk van elkaar geanalyseerd door twee medewerkers. De medewerkers van Georas kunnen onderscheid maken tussen verschillende gewassen omdat deze een verschillend reflecterend vermogen hebben. Slechts opnames die geen aanleiding geven tot twijfel worden door Georas aan verweerder ten gebruikte gezonden.

Tijdens de hoorzitting van 15 mei 2001 hebben twee medewerkers van Georas een uiteenzetting gegeven over de werking van het systeem van teledetectie en de interpretatie van satellietopnames van het litigieuze perceel. Voorts hebben zij vragen van de zijde van appellante beantwoord.

Kleurverschillen kunnen tussen verschillende opnames optreden als gevolg van factoren als invalshoek van het zonlicht, de kracht van de zon en verschillen in temperatuur. Hierdoor kan aan kleuren van gewassen als weergegeven op de website geen algemene betekenis worden gehecht.

Door verweerder is uitgebreid aandacht besteed aan de door appellante geopperde mogelijkheid dat in 1987 maïs kan zijn verbouwd in de periode tussen de beide satellietopnames. Zowel op de opname van 5 mei 1987 als op de opname van

2 oktober 1987 is volgens Georas een volledige grasmat aanwezig. Onmogelijk is derhalve dat het gras op 5 mei 1987 doodgespoten was. Onmogelijk is eveneens dat een volledige grasmat is ontstaan tussen het oogsten van de maïs tegen eind september en de opname van 2 oktober 1987. De stellingen van appellante zijn niet verenigbaar met de satellietopnames. Niet iedere satellietopname op zich is bepalend maar juist de samenhang tussen beide opnames is bepalend voor de conclusie ten aanzien van het gebruik van een bepaald perceel.

Appellante is ter hoorzitting voldoende in de gelegenheid geweest vragen aan Georas te stellen.

Het is aan appellante aan te tonen dat perceel 6 voldoet aan de definitie van akkerland volgens de betrekkelijke regelgeving. Appellante beroept zich slechts op eigen verklaringen en getuigenverklaringen die ten aanzien van de tijdstippen van het inzaaien en het oogsten tegenstrijdig zijn.

Verweerder ontkent dat op het door appellante ter hoorzitting aangeduide perceel aardappels hebben gestaan. In casu is overigens slechts van belang of op perceel 6 in 1987 maïs heeft gestaan.

4. Het standpunt van appellante

Ter hoorzitting heeft Georas in wezen betoogd aan de hand van satellietopnames slechts onderscheid te kunnen maken tussen bebouwde en onbebouwde percelen. Men kan niet met zekerheid vaststellen welke gewassen op verbouwde percelen worden verbouwd. Illustratief in dit verband is dat medewerkers van Georas hebben medegedeeld dat aan een kleurenlegenda met bijbehorende gewassen, afkomstig van de website van Georas, geen maatgevende betekenis kan worden toegekend. Verschillende factoren kunnen een rol spelen die het trekken van conclusies tot een hachelijke zaak maken. Van belang is onder andere de weersituatie, het al dan niet nat zijn van de ondergrond, de invalshoek van het zonlicht, de kracht van de zon, temperatuursinvloeden, grondsoort, etc.. Waar zowel maïs als gras een gewas vormen is het derhalve niet mogelijk op grond van satellietopnames de conclusie te trekken of sprake was van maïs of gras.

Appellante heeft ter controle van de werkwijze van Georas gevraagd naar het gewas op een ander perceel. Door de medewerkers werd prompt een foute analyse gegeven.

Georas verklaart dat zij in 5% van de gevallen opnames fout interpreteert. De opnames van perceel 6 van appellante uit 1987 kunnen bij deze 5% horen. Niet voldoende voor aanname van de juistheid van de analyses van Georas is dat Georas gecertificeerd is.

Het is niet aan appellante om aannemelijk te maken dat de interpretatie van satellietopnames door Georas onjuist is ; het is aan verweerder aannemelijk te maken dat deze juist is.

Appellante heeft concreet naar voren gebracht dat de satellietopname van 2 oktober 1987 niet betrouwbaar kan zijn aangezien er toen bewolkte omstandigheden aanwezig waren. Nu door het KNMI bevestigd wordt dat het dichtbijgelegen meetpunt aangeeft dat het een bewolkte dag was, ligt het op de weg van verweerder te bewijzen dat het boven het perceel aan appellante helder was. De enkele omstandigheid dat van dit perceel een opname bestaat is hiertoe onvoldoende.

De stellingen van appellante zijn verenigbaar met de satellietopnames. De satellietopname van 5 mei 1987 sluit immers niet uit dat na deze datum het gras is doodgespoten en/of gescheurd.

De satellietopname van 2 oktober is nietszeggend omdat de weersomstandigheden toen niet geschikt waren voor het maken van satellietopnames. Zelfs als dit anders was is deze opname niet beslissend omdat uit de opname slechts kan blijken of perceel 6 toen begroeid was. Dit was het geval, hetzij met maïs, hetzij met pas ingezaaid gras. Alle planten reflecteren zonlicht zodat uit de reflectie geen conclusie kan getrokken kan worden wat betreft het soort gewas. De medewerkers van Georas verklaren dan ook dat aan de kleurenlegenda op hun website geen enkele betekenis kan worden gehecht. De interpretatie van een satellietopname is het maken van een inschatting. Er blijkt alleen maar van kleurverschillen en nergens blijkt uit in welke mate deze zijn terug te voeren op alle verschillende factoren die de kleuren van de opnames beïnvloeden of op de verschillende gewassen.

De bij de kleurenlegenda van de website behorende teeltspecificaties komen niet overeen met de analyse terzake van het perceel van appellante. Als de satellietopname verschillende gewassen kan onderscheiden dan is de conclusie van verweerder onjuist omdat deze afwijkt van de kleurenlegenda van Georas.

Appellante heeft door middel van getuigenverklaringen voldoende haar stelling bewezen dat het perceel in kwestie aan de voorwaarden voldoet. Perceel 6 is blijkens deze getuigenverklaringen in 1987 beteeld met maïs Dat de verklaringen in detail van elkaar verschillen doet niet af aan de algemene strekking.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het is aan diegene die een subsidie aanvraagt, om te bewijzen dat hij voldoet aan de voorwaarden die voor subsidieverlening worden gesteld.

In deze zaak is aldus de vraag aan de orde of appellante heeft aangetoond dat wordt voldaan aan de ingevolge artikel 1 van de Regeling gestelde voorwaarde dat perceel 6 gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 op andere wijze is gebruikt dan als blijvend grasland.

Appellante stelt hiertoe thans dat op perceel 6 in 1987 maïs geteeld zou zijn. Op de opmerking van de vennoot van appellante dat perceel 6 ook in 1988 beteeld zou zijn met granen is appellante verder niet teruggekomen zodat het College hieraan voorbijgaat.

5.2 In de uitspraak van 4 april 2001 heeft het College de vraag aan de orde gesteld of verweerder de onderhavige aanvraag anders heeft kunnen beoordelen dan vergelijkbare voorafgaande aanvragen van appellante, die steeds zijn goedgekeurd en waarbij perceel 6 wel als akkerland is aangemerkt. Het College heeft deze vraag in de uitspraak bevestigend beantwoord, hierbij overwegende dat een eerdere minder fijnmazige controle niet aan een latere meer gedetailleerde controle in de weg staat. Wel dient bij de beoordeling van de bewijsvoering van appellante, op wie de bewijslast blijft rusten, rekening gehouden te worden met het tijdsverloop. Door dit tijdsverloop kan de bewijspositie van appellante immers zijn verzwakt.

Meer bedoelde uitspraak van 4 april 2001 brengt ook mee dat van verweerder mag worden verwacht dat hij, als hij van een justitiabele als appellante alsnog, na een tijdsverloop als hier aan de orde, bewijsvoering vraagt worden verwacht dat hij aangeeft waarom hij in weerwil van eerdere andersluidende beslissingen deze bewijsvoering nodig acht. Hoewel in het onderhavige geval verweerder aan deze verwachting aanvankelijk niet heeft voldaan is appellante hier door niet in haar procespositie benadeeld nu zulks bij het nemen van de beslissing op bezwaar uitgebreid aan de orde is geweest.

Het College is van oordeel dat de door verweerder gevolgde procedure in beginsel voldoende garanties in zich bergt om in voorkomend geval van akkerbouwers als appellante te vragen alsnog het bewijs dat een opgegeven perceel aan de Regeling voldoet te leveren. Het College licht zijn oordeel als volgt toe. Verweerder laat de satellietopnames analyseren door Georas, dat tot het analyseren van satellietopnames is gecertificeerd door de Europese Commissie. De opnames worden bekeken door twee onafhankelijke deskundigen die gezamenlijk tot een oordeel komen. Teledetectie is een binnen de Gemeenschap gebruikelijk en aanvaard systeem. Komt Georas tot de conclusie dat in de kalenderjaren 1987 tot en met 1991 sprake is geweest van blijvend grasland, dan vraagt verweerder nader bewijs. Ook indien de gegeven garantie voor de juistheid van het resultaat van de analyses 95 % zou zijn, is dit voldoende om aan akkerbouwers als appellante alsnog te vragen te voldoen aan een reeds op hen rustende bewijsplicht in het geval dat deze deskundigen tot het oordeel komen dat niet wordt voldaan aan de Regeling. Opgemerkt zij overigens nog dat verweerder ter zitting ontkend heeft dat deze 95% juist zou zijn en gesteld heeft dat in geval van twijfel de opnames niet worden aangewend.

Hetgeen appellante heeft aangevoerd met betrekking tot de interpretatie van de satellietopnames is onvoldoende om te twijfelen aan de juistheid van de analyses van de satellietopnames in het algemeen en met name aan die van 5 mei 1987 en 2 oktober 1987. Anders dan appellante stelt hebben de medewerkers van Georas niet gesteld slechts onderscheid te kunnen maken tussen bebouwd en onbebouwd. Zij hebben in tegendeel uiteengezet dat zij gewassen kunnen onderscheiden en, dat afhankelijk van verschillende omstandigheden waaronder de weersgesteldheid de kleuren van de opnames kunnen verschillen. Het College heeft onvoldoende aanleiding om aan te nemen dat deze uiteenzetting onjuist is. Hiervan uitgaande kan aan een kleurenlegenda op de website van Georas geen absolute betekenis worden gehecht.

Reeds omdat appellante niet het bewijs heeft geleverd dat op het ter zitting door haar "ter controle" aangeduide perceel aardappels stonden, kan aan de door haar geconstateerde "fout" geen betekenis worden gehecht.

Appellante heeft haar stelling dat op 2 oktober 1987 van perceel 6 geen adequate satellietopnames gemaakt konden worden vanwege hiertoe onvoldoende weersomstandigheden, niet bewezen. De enkele vermelding van een beweerdelijk door appellante gevoerd telefoongesprek met het weerstation Beek dat zich op aanzienlijke afstand van perceel 6 bevindt, is hiertoe onvoldoende. Deze enkele vermelding doet ook niet de bewijslast met betrekking tot deze van appellante stelling overgaan op verweerder.

Ter hoorzitting is aan appellante voldoende de mogelijkheid geboden om vragen te stellen over de conclusies die verweerder ontleend aan de satellietopnames. Appellante is aldus voldoende de gelegenheid geboden om inzicht te verkrijgen in de wijze waarop verweerder deze opnames beoordeelt en hieraan conclusies ontleent.

Verweerder heeft gelet op het bovenstaande terecht van appellante het bewijs verlangd van haar stelling dat perceel 6 in 1987 met maïs is beteeld.

5.3 Appellante heeft aanvankelijk gesteld dat in het tijdvak tussen de tijdstippen waarop in 1987 satellietopnames zijn gemaakt, perceel 6 gebruikt is voor maïsteelt.

Zoals het College heeft overwogen in zijn uitspraak van 4 april 2001 valt uit hetgeen door appellante is aangevoerd en door de getuigen is verklaard, niet eenduidig af te leiden dat eerst na 5 mei 1987 grasland van perceel 6 is gewijzigd in het beweerde akkerland, noch dat voorafgaande aan de satellietopname van 2 oktober 1987 akkerland weer is ingezaaid met gras.

Appellante heeft zich vervolgens beperkt tot de stelling dat in 1987 op perceel 6 maïs is verbouwd. Daargelaten of deze latere beperking in overeenstemming is met de goede procesorde, is het College van oordeel dat appellante deze stelling niet heeft bewezen. Het College overweegt hiertoe allereerst dat de verklaring van de getuige D, de zuster van een der vennoten van appellante, vanwege deze familieband met de nodige reserve dient te worden bekeken. Voorts overweegt het College dat uit de verklaring van de getuige P niet valt af te leiden dat hij de maïs in 1987 daadwerkelijk heeft waargenomen. Getuige P verklaart met name dat hij heeft waargenomen dat het grasland doodgespoten was in april 1987. Waar hij wetenschap dat op perceel 6 maïs heeft gestaan op baseert, verklaart hij niet. Hier komt nog bij dat uit beide getuigenverklaringen niet anders valt af te leiden dan dat op 5 mei 1987 perceel 6 geen grasland was. Dit is in strijd met de analyse van de satellietopname van 5 mei 1987 en met verschillende verklaringen/stellingen van de vennoot van appellante. Met de verklaring van de getuige D en verschillende stellingen/verklaringen van de vennoot van appellante is al evenmin te verenigen de analyse van de satellietopname van 2 oktober 1987 dat toen sprake was van blijvend gras. Ook als men het aangevoerde bewijs vanwege het tijdsverloop met welwillendheid bekijkt, worden de voormelde onzekerheden en/of ongerijmdheden onvoldoende verklaard om te kunnen komen tot de conclusie dat perceel 6 in 1987 met maïs is beteeld.

5.4 Nu appellante niet het bewijs voor haar stelling heeft geleverd, dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding om met toepassing van 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht een partij te veroordelen in de proceskosten.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.J. Kuiper en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga