Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9979

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-02-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/382
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/382 22 februari 2002

29010

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

tegen

de burgemeester van Hengelo, verweerder.

1. De procedure

Op 14 mei 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 10 april 2001, verzonden 12 april 2001.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 12 oktober 2000 tot het weigeren van een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten, ongegrond verklaard.

Op 4 juli 2001 is een verweerschrift ingekomen.

Het College heeft de zaak aan de orde gesteld ter zitting van 8 februari 2002. Partijen zijn - met bericht - niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de kansspelen luidt sinds 1 november 2000, en derhalve ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, voorzover hier van belang als volgt:

" Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

(…)

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

(…)

b. op voor het publiek toegankelijke plaatsen;

(…).

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. (…).

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspelautomaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

3. (…).

4. (…).

5. (…)."

Artikel 1 van de Drank- en Horecawet luidt sinds 1 november 2000, voorzover hier van belang:

" 1. Voor de toepassing van het bij of krachtens deze wet bepaalde wordt verstaan onder:

(…)

- horecabedrijf: de activiteit in ieder geval bestaande uit het bedrijfsmatig of anders dan om niet verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- horecalokaliteit: een van een afsluitbare toegang voorziene lokaliteit, onderdeel uitmakend van een inrichting waarin het horecabedrijf wordt uitgeoefend, in ieder geval bestemd voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse;

(…)

- inrichting: de lokaliteiten waarin het slijtersbedrijf of het horecabedrijf wordt uitgeoefend, met de daarbij behorende terrassen voor zover die terrassen in ieder geval bestemd zijn voor het verstrekken van alcoholhoudende drank voor gebruik ter plaatse, welke lokaliteiten al dan niet onderdeel uitmaken van een andere besloten ruimte;

(…)."

In de Verordening Speelautomaten Hengelo is in artikel 2 bepaald dat in hoogdrempelige inrichtingen twee speelautomaten zijn toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten, en dat in laagdrempelige inrichtingen twee speelautomaten zijn toegestaan, met dien verstande dat daar kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

2.2 Op grond van de stukken zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellanten exploiteren de inrichting "D", gevestigd aan de X-straat te C.

- Op 29 september 2000 hebben appellanten een aanvraag ingediend om vergunning tot exploitatie van twee kansspelautomaten in deze inrichting gedurende het tijdvak oktober 2000-oktober 2001.

- Bij besluit van 12 oktober 2000 heeft verweerder de vergunning geweigerd.

- Bij brief van 20 november 2000 hebben appellanten hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 14 maart 2001 is terzake een hoorzitting gehouden.

- Op 20 maart 2001 heeft de Commissie voor de bezwaarschriften advies uitgebracht, strekkende tot ongegrondverklaring van het bezwaar en handhaving van het besluit van 12 oktober 2000.

- Vervolgens heeft verweerder, overeenkomstig dit advies, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van appellanten

Bij het bestreden besluit heeft verweerder zijn weigering de gevraagde vergunning te verlenen gehandhaafd, aangezien de activiteit in de inrichting aan de X-straat moet worden aangemerkt als het drijven van een snackbar, gericht op het verstrekken van afzonderlijke gerechten. Van een restaurant is geen sprake. Het bezoek aan de inrichting is ook niet primair gericht op het nuttigen van alcoholische dranken. Het verstrekken van afzonderlijke gerechten, die ook elders kunnen worden genuttigd, is een activiteit waaraan een zelfstandige betekenis toekomt. Tenslotte zijn de activiteiten niet met name gericht op personen ouder dan 18 jaar. Dit alles heeft verweerder geleid tot de conclusie dat er sprake is van een laagdrempelige inrichting, zodat de vergunning voor kansspelautomaten niet kon worden verleend.

Appellanten kunnen zich met deze conclusie niet verenigen. Daarbij hebben zij in hun beroepschrift aangegeven dat door een kleine verandering in de voorpui een aparte afhaalruimte te verwezenlijken is, en dat zij voor de periode vanaf 1 oktober 2001 een nieuwe aanvraag zullen indienen.

4. De beoordeling van het geschil

Het College overweegt, dat appellanten niet hebben bestreden dat in de onderhavige inrichting in betekenende mate afhaalactiviteiten plaatsvinden. Die activiteiten trekken een zelfstandige stroom bezoekers. Reeds hierom heeft verweerder terecht geconcludeerd tot laagdrempeligheid van de inrichting. Gelet op de in rubriek 2.1 van deze uitspraak weergegeven wettelijke bepalingen, zoals die luidden ten tijde van het nemen van de beslissing op bezwaar, welke bepalingen wat betreft hun uitwerking overigens in dit geval niet verschillen van de bepalingen zoals die luidden ten tijde van het nemen van het primaire besluit van 12 oktober 2000, was verweerder dan ook gehouden tot handhaving van zijn weigering de voor de periode oktober 2000-oktober 2001 gevraagde vergunning te verlenen, zoals hij heeft gedaan.

Gelet hierop dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 februari 2002.

w.g. C.J. Borman w.g. R.H.L. Dallinga