Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9943

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/382 tot en met 00/388
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/382 tot en met 00/388 23 januari 2002

3111

Uitspraak in de zaken van:

1. Howicon B.V., te Maastricht,

2. Eurostraal Roermond B.V., te Roermond,

3. Boelen Straalbedrijf B.V., te Maastricht,

4. A. de Back B.V., te IJmuiden,

5. Staalstraalbedrijf Wikor B.V., te Wormerveer,

6. KBR Staalstraalbedrijf, te IJmuiden,

7. Straco Waspik B.V., te Waspik,

appellanten,

gemachtigde: J.P. Remmelzwaal, economisch-juridisch adviseur bij de Metaalunie, te Nieuwegein,

tegen

het Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr B.C. Westenbroek, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 mei 2000 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen aan hen gerichte besluiten van 27 maart 2000.

Op 4 juli 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 maart 2001 heeft een eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst, hebben partijen nadere stukken in geding gebracht; verweerder op 2 april 2001 en op 10 juli 2001, appellanten op 9 juli 2001.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 december 2001. Ook hier werden partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting in deze zaken zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Op verschillende tijdstippen in de periode van 1984 tot 1992 heeft inschrijving van de ondernemingen van appellanten bij verweerder plaatsgevonden.

- Bij facturen van 12 mei 1997 heeft verweerder aan appellanten sub 4, 5, 6 en 7 bepaalde heffingen opgelegd.

- Bij facturen van 13 mei 1997 heeft verweerder aan appellanten sub 1 en 2 bepaalde heffingen opgelegd.

- Bij factuur van 27 mei 1997 heeft verweerder aan appellante sub 3 bepaalde heffingen opgelegd.

- De gemachtigde van appellanten heeft bij brieven van 23 juni 1997 bezwaar gemaakt tegen de aan appellanten sub 1 tot en met 6 gerichte facturen. In de bezwaarschriften is vermeld:

" Namens bovengenoemd lid van onze organisatie tekenen wij hiermee bezwaar aan tegen de opgelegde heffing 1997 en (opnieuw) tegen de inschrijving als zodanig van het bedrijf bij uw bedrijfschap."

- Bij brief van 14 mei 1997 heeft appellante sub 7 bezwaar gemaakt tegen de aan haar gerichte factuur. Het bezwaarschrift vermeldt, voorzover hier van belang:

" Hierbij maken wij bezwaar tegen bovengenoemde aanslag".

- Bij besluiten van 29 augustus 1997 heeft verweerder alle bezwaren ongegrond verklaard. De besluiten vermelden onder meer:

" dat gelet op de werkzaamheden, uw onderneming terecht bij het bedrijfschap is ingeschreven;

dat heffing is verschuldigd over de omzet voorzover deze wordt behaald met activiteiten die vallen onder het Instellingsbesluit."

- Door appellanten is beroep bij het College ingesteld tegen de aan hen gerichte besluiten van 29 augustus 1997. Een eerste onderzoek ter zitting in deze zaken (met de nummers AWB 97/1211 tot en met 97/1217) heeft plaatsgevonden op 17 maart 1999.

3. De bestreden besluiten en het nadere standpunt van verweerder

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder (met een variatie in tekst van ondergeschikte betekenis) het volgende overwogen.

" Met dagtekening 23 juni 1997 [ten aanzienvan appellante sub 7: 14 mei 1997] werd door de Metaalunie namens u een bezwaarschrift tegen de heffing 1997 en de registratie van uw bedrijf bij het Bedrijfschap Schildersbedrijf ingediend.

In overleg met de Metaalunie, en hangende de behandeling van uw beroep door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBB) te Den Haag, geven wij u in vervolg op onze eerdere beslissing op bezwaar d.d. 29 augustus 1997 bij deze onze aanvullende beslissing op bezwaar tegen onze weigering over te gaan tot het beëindigen van de registratie van uw bedrijf.

(…)

Door u werd bezwaar ingediend (ook) tegen de weigering van het bedrijfschap om de registratie van uw bedrijf te beëindigen. Reden voor uw bezwaar is dat u van mening bent dat uw bedrijf niet is te beschouwen als behorend tot de categorie van ondernemingen waarvoor het Bedrijfschap Schildersbedrijf is ingesteld."

In de bestreden besluiten worden vervolgens op daarin aangegeven gronden de desbetreffende bezwaren ongegrond verklaard.

In zijn brief van 30 maart 2001 heeft verweerder aangegeven dat aan de beslissingen op bezwaar geen besluiten in primo voorafgingen. Verweerder had uit de zitting van het College van 17 maart 1999 in de zaken met nummers AWB 97/1211 tot en met 97/1217 begrepen dat met een beslissing op bezwaar kon worden volstaan.

4. De beoordeling van het geschil

Ten aanzien van appellanten zijn geen primaire besluiten genomen waarin verweerder weigert tot uitschrijving van hun ondernemingen over te gaan. Bezwaarschriften waarin appellanten zich richten tegen een dergelijke weigering dan wel tegen het uitblijven van een besluit op enige aanvraag tot uitschrijving zijn er evenmin.

In het bijzonder overweegt het College dat de door appellanten sub 1 tot en met 6 ingediende bezwaarschriften van 23 juni 1997 niet zijn aan te merken als bezwaarschriften tegen (veronderstelde) weigeringen tot uitschrijving. Voorzover deze bezwaarschriften zich richten tegen andere besluiten dan de heffingopleggingen zelf, betreffen zij immers de registratie van de ondernemingen bij verweerder, welke in de periode van 1984 tot 1992 heeft plaatsgevonden.

Vastgesteld dient dus te worden dat verweerder bij de thans bestreden besluiten heeft beslist op niet bestaande bezwaarschriften tegen niet bestaande besluiten.

Dat appellanten op grond van de zitting van het College van 19 maart 1999 in de zaken met nummers AWB 97/1211 tot en met 97/1217 de indruk hadden dat het de bedoeling was de onderhavige besluiten te nemen, kan aan het vorenstaande niet afdoen.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden besluiten vernietigd dienen te worden.

Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling, bestaande uit € 1449,-- voor kosten van rechtsbijstand. Hierbij heeft het College, toepassing gevend aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1997, 796), één punt toegekend voor een beroepschrift, één punt voor de zitting op 21 maart 2001, een halve punt voor de vervolgzitting op 12 december 2001, een halve punt voor het op 9 juli 2001 ingediende stuk en een waarde per punt van € 322,--. Er is een wegingsfactor 1,5 toegepast, nu sprake is van zeven samenhangende zaken.

Voorts komt een bedrag van € 105,46 aan ten behoeve van de beide zittingen gemaakte reiskosten (ten bedrage van fl. 232,40) voor vergoeding in aanmerking.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 1.554,46 (zegge:

eenduizendvijfhonderdvierenvijftig euro en zesenveertig cent);

- bepaalt dat verweerder aan ieder der appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 204,20,-- (zegge: tweehonderdvier

euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.J. Borman, mr F.W. du Marchie Sarvaas en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2002.

w.g. C.J. Borman w.g. L. van Duuren