Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9938

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 97/1211 en 97/1213 tot en met 97/1217
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:11, geldigheid: 2002-01-23
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2002, 296

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 97/1211 en 97/1213 tot en met 97/1217 23 januari 2002

3010

Uitspraak in de zaken van:

1. Howicon B.V., te Maastricht,

2. Boelen Straalbedrijf B.V., te Maastricht,

3. A. de Back B.V., te IJmuiden,

4. Staalstraalbedrijf Wikor B.V., te Wormerveer,

5. KBR Staalstraalbedrijf, te IJmuiden,

6. Straco Waspik B.V., te Waspik,

appellanten,

gemachtigde: A, economisch-juridisch adviseur bij de Metaalunie, te Nieuwegein,

tegen

het Bedrijfschap Schilders- en Afwerkingsbedrijf, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: B, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 9 oktober 1997 heeft het College van appellanten beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen aan hen gerichte besluiten van verweerder van 29 augustus 1997.

Op 15 januari 1998 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 17 maart 1999 heeft een eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben hierbij hun standpunten toegelicht. Appellanten werden hierbij vertegenwoordigd door hun gemachtigde alsmede C. Verweerder werd vertegenwoordigd door D en E.

Nadat het onderzoek ter zitting is geschorst, is nader bericht ontvangen van verweerder op 26 april 2000.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 21 maart 2001. Partijen hebben hierbij hun standpunten nader toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

Nadat het onderzoek ter zitting opnieuw is geschorst, hebben partijen wederom nadere stukken in geding gebracht; verweerder op 2 april 2001 en op 10 juli 2001, appellanten op 9 juli 2001.

Het onderzoek ter zitting is voortgezet op 12 december 2001. Ook hier werden partijen vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht luidt:

" 1. Indien het bezwaar ontvankelijk is, vindt op grondslag daarvan een heroverweging van het bestreden besluit plaats.

2. Voorzover de heroverweging daartoe aanleiding geeft, herroept het bestuursorgaan het bestreden besluit en neemt het voorzover nodig in de plaats daarvan een nieuw besluit."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting in deze zaken zijn de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- Op verschillende tijdstippen in de periode van 1984 tot 1992 heeft inschrijving van de ondernemingen van appellanten bij verweerder plaatsgevonden.

- Bij facturen van 12 mei 1997 heeft verweerder aan appellanten sub 3, 4, 5 en 6 heffingen opgelegd ten bedrage van onderscheidenlijk F, G, H en I.

- Bij factuur van 13 mei 1997 heeft verweerder aan appellante sub 1 heffingen opgelegd ten bedrage van J.

- Bij factuur van 27 mei 1997 heeft verweerder aan appellante sub 2 heffingen opgelegd ten bedrage van K.

- De gemachtigde van appellanten heeft bij brieven van 23 juni 1997 bezwaar gemaakt tegen de aan appellanten sub 1 tot en met 5 gerichte facturen.

- Bij brief van 14 mei 1997 heeft appellante sub 6 bezwaar gemaakt tegen de aan haar gerichte factuur.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden (met een variatie in tekst van ondergeschikte betekenis), voorzover hier van belang, in:

" dat onder het Instellingsbesluit van het bedrijfschap die ondernemingen vallen waarin bedrijfsmatig, niet industrieel (d.w.z. seriematig voor eigen productie), ten behoeve van derden verf en/of verfprodukten worden verwerkt, dienend als eind- of afwerklaag, op onderdelen van of voor bouwwerken of schepen;

dat gelet op de werkzaamheden, uw onderneming terecht bij het bedrijfschap is ingeschreven;

(…)

dat heffing is verschuldigd over de omzet voorzover deze wordt behaald met activiteiten die vallen onder het Instellingsbesluit (…);

dat de heffing kan worden aangepast voorzover de omzet wordt opgegeven over de werkzaamheden die omvatten het bedrijfsmatig, niet-industrieel (d.w.z. seriematig voor eigen productie), ten behoeve van derden verf en/of

verfproducten verwerken, welke dienen als eind- of afwerklaag, op onderdelen van of voor bouwwerken of schepen;

(...)

wordt besloten:

(…)

- het bezwaar gedeeltelijk gegrond te verklaren, voorzover de heffing is vastgesteld over omzet welke is behaald met activiteiten die niet vallen onder het Instellingsbesluit (…)."

4. De beoordeling van het geschil

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder besloten dat de bezwaren gedeeltelijk gegrond zijn. Hij heeft echter verzuimd aan te geven welke gevolgen dit heeft voor de omvang van de door appellanten verschuldigde heffing. Evenmin valt voor appellanten de omvang van het volgens verweerder verschuldigde bedrag zonder meer vast te stellen aan de hand van de overwegingen uit de bestreden besluiten. Ook op de zittingen was verweerder niet in staat aan te geven welk bedrag aan heffingen appellanten ingevolge de bestreden besluiten verschuldigd zijn.

Aldus heeft verweerder de in bezwaar aangevochten besluiten tot oplegging van heffingen van een bepaalde omvang vervangen door besluiten die heffingen opleggen waarvan de omvang onbepaald is. Aldus ontbreekt aan de bestreden besluiten een onderdeel dat van essentiële betekenis is te achten. Dit is in strijd met de rechtszekerheid en miskent de betekenis van artikel 7:11 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op het vorenoverwogene zijn de beroepen gegrond en dienen de bestreden besluiten te worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig voor een veroordeling van verweerder in de door appellanten gemaakte kosten voor rechtsbijstand tot een bedrag van € 966,--. Hierbij is, toepassing gevend aan het Besluit proceskosten bestuursrecht (Stb. 1997, 796), één punt toegekend voor een beroepschrift en één punt voor de zitting op 17 maart 1999 en is uitgegaan van een waarde per punt van € 322,--. Voorts is een wegingsfactor 1,5 toegepast, nu sprake is van zes samenhangende zaken.

Voor andere proceshandelingen zijn geen punten toegekend, aangezien deze reeds worden vergoed in de uitspraak van heden in de zaken AWB 00/382 tot en met 00/388. Om dezelfde reden komen voorts slechts de reiskosten, gemaakt ten behoeve van de zitting van 17 maart 1999, zijnde € 52,73 (fl. 116,20), voor vergoeding in aanmerking.

5. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond en vernietigt de bestreden besluiten;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op de bezwaarschriften van appellanten beslist, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de kosten van appellanten tot een bedrag van in totaal € 1.018,73 (zegge: eenduizendachttien euro

en drieënzeventig cent);

- bepaalt dat verweerder aan ieder der appellanten het door hen betaalde griffierecht van € 204,20 (zegge: tweehonderdvier

euro en twintig cent) vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.J. Borman, mr F.W. du Marchie Sarvaas en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 januari 2002.

w.g. C.J. Borman w.g. L. van Duuren