Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9932

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
08-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/21
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/21 9 januari 2002

29020

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant,

tegen

De burgemeester van Harlingen, zetelend aldaar, verweerder,

gemachtigde: B, ambtenaar der gemeente.

1. Het verloop van de procedure

Op 9 januari 2001 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 december 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de afwijzende beslissing op de aanvraag van onder meer appellant om vergunning voor het vestigen en exploiteren van een speelautomatenhal, ongegrond verklaard.

Appellant heeft bij schrijven van 15 februari 2001 zijn beroep nader toegelicht alsmede verzocht om schadevergoeding.

Verweerder heeft op 2 maart 2001 een verweerschrift ingediend.

Door of namens appellant zijn het College nog verschillende nadere brieven met bijlagen gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaats gevonden op 28 november 2001, waarbij partijen hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting staan in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden vast.

- Appellant en zijn echtgenote C hebben zich bij brief van 15 augustus 2000 tot verweerders gemeente gewend met het verzoek om vergunning voor het exploiteren van een speelautomatenhal.

- Verweerder heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 21 augustus 2000.

- Appellant heeft tegen dit besluit in ieder geval bij brief van 20 september 2000 bezwaar gemaakt.

- Op 21 december 2000 heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Verweerder heeft aan de ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant het volgende ten grondslag gelegd.

Ingevolge artikel 30c van de Wet op de Kansspelen (hierna: de Wet) kan een vergunning als aangevraagd slechts worden verleend als de gemeenteraad een verordening heeft vastgesteld op grond waarvan de exploitatie van een automatenhal is toegestaan. Zodanige verordening is door de gemeenteraad niet vastgesteld weshalve verweerder niet bevoegd is om de gevraagde vergunning te verlenen.

Verweerder ziet geen grondslag voor toekenning van schadevergoeding.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft - samengevat en voor zover voor de beslissing van het onderhavige geschil van belang - het volgende naar voren gebracht.

Appellant heeft geconstateerd dat in Harlingen het door minstens één ander houden van een speelautomatenhal is gedoogd. Nu zodanige exploitatie is gedoogd zou de aangevraagde vergunning verleend moeten zijn. Dat zulks niet is geschied vindt zijn oorzaak in discriminatie ten opzichte van appellant die in het verleden een bordeel heeft geëxploiteerd.

Appellant lijdt schade doordat hem ten onrechte de mogelijkheid is onthouden in Harlingen een automatenhal te exploiteren. Hij wenst in verband hiermede schadevergoeding.

5. De beoordeling van het geschil

Zoals het College al meermalen heeft uitgesproken kan, ingevolge het bepaalde in artikel 30c van de Wet een vergunning voor het houden van een speelautomatenhal slechts door de burgemeester worden verleend indien door de raad van de gemeente een verordening is vastgesteld waarin hem hiertoe de bevoegdheid is verleend. Naar onweersproken vaststaat heeft de raad van de gemeente Harlingen een verordening als bedoeld niet vastgesteld. Hieruit volgt dat verweerder niet de bevoegdheid toekwam de gevraagde vergunning te verlenen. Verweerder heeft derhalve terecht de bezwaren van appellant tegen niet-verlening van de gevraagde vergunning ongegrond verklaard.

Het beroep dient, gelet op het bovenstaande, evenzeer ongegrond te worden verklaard zodat er ook geen grond is voor het toekennen van schadevergoeding.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr L. van Duuren, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002.

w.g. D. Roemers w.g. L. van Duuren