Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9842

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-02-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
AWB 00/962
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/962 7 februari 2002

17000

Uitspraak in de zaak van:

Korving - Dulk B.V., te Den Haag, appellante,

gemachtigde: J. van der Harst, directeur van appellante,

tegen

de Directeur van de Rijksdienst voor de Keuring van Vee en Vlees, te Voorburg, verweerder,

gemachtigde: mr J.C. Dorrepaal, advocaat te Alphen aan den Rijn, en ing. H.L. Kuiken, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 11 december 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 16 november 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaarschrift dat appellante had ingediend tegen besluiten van verweerder van 17 en 27 maart 2000, houdende de weigering ten invoer/doorvoer in de Gemeenschap van een partij surimiproducten en de bevestiging van deze beslissing.

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken op

23 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 december 2001. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 2, vijftiende lid, van Richtlijn 91/493/EEG van de Raad van 22 juli 1991 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften voor de produktie en het in de handel brengen van visserijprodukten (Pb 1991, L 268, blz 15), zoals gewijzigd bij Richtlijn 95/71/EG van de Raad van 22 december 1995 (Pb 1995, L 332, blz 40) (hierna: de Richtlijn), wordt onder "in de handel brengen" verstaan: het in bezit hebben of uitstallen met het oog op verkoop, het te koop aanbieden, het verkopen, het leveren of het op enigerlei andere wijze in de Gemeenschap op de markt brengen, met uitzondering van de verkoop in het klein en de rechtstreekse overdracht op een lokale markt in kleine hoeveelheden door een visser aan de kleinhandel of de consument, waarop de in de nationale voorschriften inzake de controle op kleinhandel voorziene gezondheidscontroles moeten worden toegepast.

Ingevolge artikel 2, tiende lid, van het Warenwetbesluit Visserijprodukten, slakken en kikkerbillen (hierna: het Besluit) is het verboden visserijproducten binnen Nederland te brengen anders dan met inachtneming van de bij of krachtens dit besluit gestelde voorschriften.

De Warenwetregeling Visserijprodukten en tweekleppige weekdieren, slakken en kikkerbillen, voorzover relevant gewijzigd op 5 juni 1997, gepubliceerd in Stcrt 1997, 107 (hierna: de Regeling), luidt onder meer als volgt:

" Art. 3.-1. Deze paragraaf is uitsluitend van toepassing op visserijprodukten met uitzondering van voor rechtstreekse menselijke consumptie bestemde levende tweekleppige weekdieren, stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen.

(…)

Art. 8. De in artikel 3 bedoelde visserijprodukten:

(…)

c. zijn voorzien van vermeldingen overeenkomstig bijlage V;

(…)

Bijlage V Vermeldingen

Onverminderd het Warenwetbesluit Etikettering van levensmiddelen, dient het voor inspectiedoeleinden mogelijk te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten.

De volgende gegevens zijn daartoe op de verpakking en voorverpakking of, in geval van onverpakte producten, op de begeleidende documenten vermeld:

- (…)

- de identificatie van de inrichting aan de hand van het officiële erkenningsnummer of, wanneer de producten in de handel worden gebracht via een afslag of een groothandelsmarkt, aan de hand van het registratienummer.

- (…)

Deze gegevens staan op de verpakking bij elkaar, op een zodanige plaats dat er kennis van kan worden genomen zonder dat de verpakking behoeft te worden opengemaakt."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 17 maart 2000 werd namens appellante een partij surimiproducten met een gewicht van 140 kg, afkomstig uit de Verenigde Staten van Amerika, ten invoer in de EG aangeboden bij de RVV Kring Rotterdam.

- Deze partij is op 17 maart 2000 ten invoer geweigerd. Bij de mededeling hiervan aan appellante is als reden voor weigering vermeld:

" Geen erkenningsnummer van de producent op de binnen- noch op de buitenverpakking."

- Op 27 maart 2000 is, daartoe verzocht door appellante, door A, officiële dierenarts van de RVV kring Rotterdam district Haven, een nader oordeel gegeven. In deze brief is de weigering ten invoer en de weigeringsgrond bevestigd, waaraan voornoemde dierenarts het volgende ten grondslag heeft gelegd:

" Zowel op binnen als buitenverpakking geen erkenningsnr van producerende inrichting. Bovendien is hier geen sprake van een monsterpartij voor commercieel technische doeleinden. Partij is te groot van omvang en is bedoeld voor het consumentencircuit. Derhalve kan de partij niet worden toegelaten tot het grondgebied der EEG."

- Tegen de besluiten van 17 en 27 maart is door appellante bij brief van 7 april 2000 een bezwaarschrift ingediend.

- Hieromtrent heeft de VWS-commissie bezwaarschriftencommissie Awb (hierna: bezwaarschriftencommissie) op 2 november 2000 advies uitgebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Bij dit is het bezwaarschrift van appellante ongegrond verklaard, waartoe verweerder de overwegingen van de bezwaarschriftencommissie in het advies van 2 november 2000 heeft overgenomen. Deze overwegingen luiden - voorzover hier van belang - als volgt:

" In casu zijn van toepassing het Warenwetbesluit Visserijproducten, slakken en kikkerbillen (hierna: het Warenwetbesluit) en de Warenwetregeling Visserijproducten, tweekleppige weekdieren, slakken en kikkerbillen (hierna: Warenwetregeling). De commissie stelt vast dat deze regelingen voorschriften geven aan het in de handel brengen van visserijproducten met het oog op de bescherming van de volksgezondheid.

(…)

De commissie stelt vervolgens vast dat de verpakking van de partij surimiproducten in casu niet was voorzien van het officiële erkenningsnummer. De commissie kan zich vinden in het standpunt van de RVV dat het ontbreken van dit erkenningsnummer voldoende grond biedt om de invoer van de partij te weigeren. De commissie is van mening dat de bezwaren die appellante naar voren heeft gebracht niet tot een ander oordeel kunnen leiden, aangezien noch het Warenwetbesluit, noch de Warenwetregeling daartoe ruimte bieden. Het doel van de betrokken regelingen is immers in het belang van de volksgezondheid te garanderen dat de visserijproducten uit een erkende inrichting afkomstig zijn. Dit moet onder meer blijken uit de op de verpakking aangegeven erkenningsnummers. Nu deze erkenningsnummers ontbreken is de commissie van oordeel dat de RVV de invoer van de partij surimiproducten op goede gronden heeft geweigerd.

Ten aanzien van het bezwaar van appellante dat de onderhavige partij een monsterzending betreft, merkt de commissie het volgende op.

Het nader oordeel wekt de indruk dat voor monsterpartijen andere regelgeving geldt dan de regelgeving zoals hierboven is weergegeven. De commissie is van oordeel dat de RVV in het verweer en ter hoorzitting voldoende duidelijk heeft gemaakt dat dit niet het geval is. De toevoeging in het nader oordeel dat onderhavige partij geen monsterzending is en derhalve niet kan worden toegelaten, is dan ook naar het oordeel van de commissie overbodig. Reeds het gegeven dat het erkenningsnummer op de verpakking ontbreekt is voldoende om de partij ten invoer te weigeren. Daarbij is niet van belang of er sprake is van een monsterpartij."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De onderhavige partij surimi betreft een partij (proef)monsters en niet een partij handelsgoederen. Deze monsters zijn niet voor handelsdoelen bestemd en zullen of kunnen niet in de handel worden gebracht. Het gaat hier derhalve niet om "in de handel gebrachte visserijproducten". Aangezien de regelgeving waarop verweerder zich beroept alleen op die visserijproducten van toepassing is, valt de partij surimi hier niet onder.

5. De beoordeling van het geschil

Niet in geschil is dat op de verpakking van de onderhavige partij surimi het zogenoemde erkenningsnummer ontbreekt en dat aldus niet is voldaan aan het in Bijlage V bij de Regeling opgenomen voorschrift, dat dit nummer op de verpakking van visserijproducten moet zijn vermeld. Uitsluitend is in geschil de vraag of dit voorschrift van toepassing is op de onderhavige partij surimi. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe het volgende.

Ter beantwoording van de hiervoor geformuleerde vraag is doorslaggevend of de partij surimi in de handel is gebracht. Bijlage V bij de Regeling, zoals die van toepassing was ten tijde van belang, en welke correspondeert met de Richtlijn, bepaalt immers dat het voor inspectiedoeleinden mogelijk dient te zijn de herkomst van de in de handel gebrachte visserijproducten vast te stellen aan de hand van de merking of van de begeleidende documenten.

Bij gebreke van een definitie van het begrip "in de handel brengen" in de Regeling zelf en/of in het Besluit, waarop de Regeling is gebaseerd en dat onder meer strekt tot implementatie van de Richtlijn, moet worden uitgegaan van de in artikel 2, vijftiende lid, van de Richtlijn opgenomen definitie van dit begrip, waarbij het in de handel brengen van visserijproducten onder meer is gedefinieerd als het leveren daarvan. Aangezien de onderhavige partij surimi - onweersproken - aan appellante is geleverd, moet de conclusie zijn dat deze partij in de handel is gebracht. Dit betekent dat de voorschriften van Bijlage V bij de Regeling op dat visserijproduct van toepassing zijn. Anders dan appellante heeft betoogd, doet hier niet aan af dat het in dit geval zou gaan om (proef)monsters, nog daargelaten of de partij surimi als zodanig kan worden gekwalificeerd.

Gelet op het voorgaande dient het beroep van appellante ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.A. Fierstra en mr S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 februari 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens