Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9839

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
06-03-2002
Zaaknummer
AWB 01/194
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/194 12 februari 2002

27605

Uitspraak in de zaak van:

Coöperatieve Centrale Raiffeisen-Boerenleenbank B.A. (Rabobank Nederland), te Utrecht, appellante,

gemachtigde: drs C.P.M. Rombouts, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr J. Moll, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 21 maart 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 februari 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar verzoek om een verklaring af te geven als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Bij brief van 16 mei 2001 heeft appellante de gronden van haar beroep uiteengezet.

Verweerder heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder dagtekening 6 september 2001 een verweerschrift ingediend.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(…)

Onder investeren wordt verstaan het aangaan van verplichtingen ter zake van de aanschaffing of de verbetering van een bedrijfsmiddel, zomede het maken van voortbrengingkosten te dier zake (…).

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (Stcrt. 1996, nr. 248, hierna: de Uitvoeringsregeling), waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfs-middelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen."

In de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling is onder meer het volgende bepaald:

" Het tweede type bedrijfsmiddelen betreft specifiek benoemde bedrijfsmiddelen of onderdelen van bedrijfsmiddelen (hierna: bedrijfsmiddelen) die onder alle omstandigheden leiden tot voldoende energiebesparing.

(…)".

In de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) (Stcrt. 1997, nr. 250) is onder meer het volgende bepaald:

" Bedrijfsmiddelen die in aanmerking komen voor EIA dienen tenminste te bestaan uit de bestanddelen vermeld achter 'en bestaande uit'. Indien zij uit deze bestanddelen bestaan mogen de bestanddelen vermeld achter '(eventueel)' daaraan worden toegevoegd.

(…)

(231002)

Warmtekrachtinstallatie > 2 MWas

Bestemd voor: het gelijktijdig opwekken van warmte en kracht met behulp van een warmtekrachtinstallatie met een asvermogen groter dan 2 MW, waarbij de warmte nuttig wordt aangewend onder de voorwaarde dat het totaal energetisch rendement gemiddeld op jaarbasis tenminste 70% bedraagt. Onder het totaal energetisch rendement wordt verstaan de som van het energetisch rendement van de opwekking van kracht en tweederde deel van het energetisch rendement van de productie van nuttig aan te wenden warmte, berekend op de onderste verbrandingswaarde van aardgas, (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, door het Bureau energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst ontvangen op 26 februari 1999, heeft appellante een verzoek gedaan om een verklaring dat de daarbij aangemelde investering in het bedrijfsmiddel 'warmtekrachtinstallatie > 2MW', onder code 231002 in de Energielijst 1998, een investering is, die is aangewezen als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energieverklaring).

- Bij besluit van 24 oktober 2000 heeft verweerder op het verzoek om een energie-verklaring afwijzend beslist. Daartoe is, voorzover hier van belang, overwogen:

" Uit de door Delta Nutsbedrijven verstrekte gegevens (…) blijkt dat het totaal energetisch rendement 63,5% bedraagt. Dit betekent dat niet wordt voldaan aan de eisen van de energielijst 1998 (…)"

- Tegen dit besluit heeft appellante een bezwaarschrift ingediend. Hierbij is aangevoerd dat, samengevat weergegeven, verweerder de formule voor het berekenen van de totaal energetische waarde onjuist heeft toegepast en, meer in het bijzonder, dat verweerder bij het toepassen van die formule ten onrechte is afgeweken van de in die formule voorkomende vaste norm voor de onderste verbrandingswaarde van aardgas, die 31,65 MJ/m3 bedraagt.

- Vervolgens heeft verweerder dit bezwaarschrift bij het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hiertoe is, voorzover hier van belang, het volgende overwogen:

" Ik ben het met u eens dat vaste normen of waarden gebruikt (kunnen) worden, bijvoorbeeld ten einde te voorkomen dat verschillende technologen verschillende waarden hanteren. De in mijn vragenbrief genoemde waarde van 31,65 MJ/m3 is onder meer om die reden in de formule opgenomen. Echter, naar mijn oordeel kan geenszins gesteld worden dat deze waarde ook dient te worden toegepast in gevallen waarbij sprake is van een gassoort met een (sterk) afwijkende onderste verbrandingswaarde. Immers, in dat geval kan niet gesproken worden van een waardeverschil als gevolg van bijvoorbeeld een momentopname bij de vaststelling van die waarde. De onderste verbrandingswaarde van Brits aardgas wijkt dermate sterk af van de in de formule gegeven waarde, dat het hanteren van geobjectiveerde gegevens er juist toe moet leiden dat bij de berekening van het energetisch rendement van de onderhavige installatie wordt uitgegaan van de in de monsteropname van Gastec vastgestelde onderste verbrandingswaarde van Brits aardgas.

Indien en voor zover Senter voor eerdere soortelijke meldingen een (gedeeltelijk) positieve verklaring heeft afgegeven, terwijl op basis van de feitelijke onderste verbrandingswaarde van het in die gevallen gestookte aardgas het vereiste energetisch rendement niet zou zijn gehaald, is sprake geweest van onterecht afgegeven verklaringen. Deze beslissingen zijn dan genomen op basis van onjuiste of in elk geval onvolledige informatie. Ik ben niet gehouden een dergelijke fout te herhalen.

Naar aanleiding van hetgeen tijdens de hoorzitting is besproken, heb ik het energetisch rendement nogmaals berekend, waarbij ik de door u in uw brief van 15 november 2000 genoemde bruto opgewekte energie als uitgangspunt heb genomen. Ook hiermee wordt het vereiste energetisch rendement van 70% niet gehaald."

3. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" (…)

Voor alle duidelijkheid zij hierbij opgemerkt dat Rabobank Nederland in deze beroepsfase een andere argumentatie aanvoert dan in de bezwaarfase. In de bezwaarfase heeft Rabobank Nederland namelijk vooral een beroep gedaan op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het vertrouwens- en gelijkheidsbeginsel. Naar aanleiding van de door Senter in de uitspraak op het bezwaarschrift aangedragen argumenten voor het niet honoreren van het beroep op die beginselen handhaaf ik het beroep daarop niet.

Motivering van het beroepschrift

In de aanvraag voor Energie Investeringsaftrek heeft Rabobank Nederland het volledige object van de lease-overeenkomst met Lamb Weston Meijer opgenomen. Niet langer in geschil is dat voor dit volledige object niet voldaan wordt aan de voorwaarde van het minimaal te behalen energetisch rendement. Het object van de lease-overeenkomst bevat echter, naast de WKI [warmtekrachtinstallatie], andere elementen van energievoorziening die enerzijds los staan van de WKI en anderzijds het totale energetisch rendement nadelig beïnvloeden. Rabobank Nederland motiveert het beroepschrift met de stelling dat de WKI als zodanig, zonder de bijkomende elementen van energie-voorziening, wèl voldoet aan de eise van het minimaal te behalen energetisch rendement.(…)

(…) In feite is, evenzeer in fiscale zin, sprake van twee verschillende bedrijfsmiddelen. Eén bedrijfsmiddel is de (energievoorziening voor de) productielijn voor koosjer voedsel en het andere bedrijfsmiddel is de (energievoorziening voor de) productielijn voor niet-koosjer voedsel. Deze twee bedrijfsmiddelen opereren onafhankelijk van elkaar. (…)

De warmtekrachtinstallatie vervult geen functie in het productieproces voor niet-koosjer voedsel. Bij de bepaling van de omvang van de in aanmerking komende investering (…) moet dan ook geabstraheerd worden van de investering voor het niet-koosjere productieproces. Consequentie is uiteraard ook dat in de berekening van het energetisch rendement van de warmtekracht-installatie zowel het verbruik van energie als de besparing op energie in dat productieproces niet meegenomen moeten worden.

(…) "

4. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat appellante, zoals zij ook zelf uitdrukkelijk heeft erkend, in beroep andere gronden heeft aangevoerd dan in bezwaar. Hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd had uitsluitend betrekking op de norm voor de onderste verbrandingswaarde van aardgas die verweerder bij de berekening van de totaal energetische waarde in acht heeft genomen, terwijl hetgeen zij in beroep heeft aangevoerd uitsluitend ziet op de in aanmerking genomen omvang van het bedrijfsmiddel, ter zake waarvan om een energieverklaring is verzocht.

Met betrekking tot de in beroep aangevoerde grief overweegt het College het volgende.

Vast staat dat appellante in bezwaar geen op de omvang van het bedrijfsmiddel betrekking hebbende grieven heeft aangevoerd. Verweerder heeft met dit aspect bij het nemen van het bestreden besluit geen rekening gehouden. Maar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat het aldus gegeven besluit niet in rechte kan standhouden.

In dit verband zij nog opgemerkt dat verweerder, blijkens zijn verweerschrift, bij de behandeling van aanvragen voor energieverklaringen de lijn volgt dat een investering wordt gesplitst in deelinvesteringen, dan wel in een relevant en een niet relevant deel indien het geheel niet, doch een deel wel aan de rendementseis voldoet. Zoals eveneens uit het verweerschrift blijkt, heeft verweerder op basis van de hem beschikbare gegevens geen aanleiding gezien om in het onderhavige geval tot een zodanige splitsing over te gaan. Deze benadering was, zoals hiervoor is overwogen, door appellante in bezwaar niet aangevochten.

Ten slotte overweegt het College dat appellante, voorzover zij met haar beroepschrift heeft beoogd een verzoek in te dienen tot heroverweging van verweerders primaire besluit van 24 oktober 2000, daarmede in het onderhavige geding geen rekening kan worden gehouden.

Gelet op het vorenstaande is het bij het College ingestelde beroep kennelijk ongegrond, zodat voortzetting van het onderzoek niet nodig is.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Gelet op artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:54 van de Awb wordt beslist als volgt.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens

Een belanghebbende kan tegen deze uitspraak ingevolge artikel 8:55 van de Awb binnen 6 weken na de dag van verzending gemotiveerd verzet doen bij het College, door middel van een ondertekend verzetschrift. De indiener kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.