Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9633

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-02-2002
Datum publicatie
27-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/40
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/40 6 februari 2002

3110

Uitspraak in de zaak van:

A te B, appellant,

gemachtigde: B.L. Kloostra, werkzaam voor de Stichting Belangen Organisatie Zelfstandige Zonder Personeel, gevestigd te Rotterdam,

tegen

het Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr J.W.A. Geel, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 12 januari 2001 heeft het College een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 januari 2001. Bij dit besluit is beslist op het bezwaar van appellant tegen de registratie van zijn bedrijf bij verweerder.

Op 9 maart 2001 is een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2002, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Instellingsverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf (hierna: de Instellingsverordening) bepaalt, voorzover hier van belang:

" Artikel 2

1. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf: het bedrijfsmatig krachtens aanneming van werk verrichten van activiteiten gericht op het gebied van de niet-constructieve afbouw.

2. In deze verordening wordt onder stukadoors- en afbouwbedrijf mede verstaan het plafond- en wandbedrijf.

3. Deze verordening verstaat onder de uitoefening van het stukadoors-, afbouw- en terrazzo-/vloerenbedrijf niet:

- het verrichten van handelingen van constructieve bouwkundige aard, zoals in het kader van het aannemingsbedrijf op het gebied van bouw en utiliteit, en in het kader van betonreparatie van constructieve aard;

- het vervaardigen van dragende vloeren of wanden;

- het fabrieksmatig vervaardigen van sierbetonproducten (…);

- het fabrieksmatig vervaardigen van systeemwanden, het fabrieksmatig vervaardigen van systeemplafondonderdelen (…);

- het aanbrengen van niet zelf vervaardigde keramische, glazen of natuurstenen tegels (…).

(…)

Artikel 3

1. Er is een Bedrijfschap Stukadoors-, Afbouw- en Terrazzo-/Vloerenbedrijf.

2. Het bedrijfschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin het stukadoors-, afbouw- of het terrazzo-/vloerenbedrijf wordt uitgeoefend.

(…)

(…)

Artikel 5

Aan het bedrijfschap is overgelaten de regeling of nadere regeling van de navolgende onderwerpen:

a. de registratie van de ondernemingen waarvoor het bedrijfschap is ingesteld (…)."

De Registratieverordening Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf: Afbouwbedrijf, die ingevolge artikel XVI van de Wet van 24 juni 1992 (Stb. 409) na de totstandkoming van de Instellingsverordening is blijven gelden, bepaalt voorzover hier van belang:

" Artikel 2

1. Deze verordening is van toepassing op de ondernemers die een onderneming drijven waarin een in artikel 2, eerste lid, van het Instellingsbesluit Bedrijfschap Stukadoors-, Terrazzo- en Steengaasstellersbedrijf genoemd bedrijf wordt uitgeoefend.

(…)

Artikel 3

1. Er is een register waarin gegevens over ondernemingen en ondernemers worden geregistreerd."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 29 september 2000 heeft verweerder aan appellant bericht dat zijn onderneming bij verweerder is geregistreerd.

- Bij brief van 17 oktober 2000, ingekomen bij verweerder op 18 oktober 2000, heeft appellant bezwaar gemaakt tegen de registratie.

- Op 23 november 2000 is appellant gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

De onderneming van appellant ontplooit activiteiten - het aanbrengen en monteren van systeemplafonds - die vallen onder de verwerkingssfeer van artikel 2 van de Instellingsverordening en is hierdoor een onderneming waarvoor verweerder is ingesteld, zodat terecht is overgegaan tot registratie van de onderneming van appellant.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De onderneming van appellant valt niet onder artikel 2 van de Instellingsverordening, zodat hij ten onrechte door verweerder is geregistreerd.

Bij de instelling van verweerder zijn uitsluitend werkgevers- en werknemersorganisaties gehoord. De bevoegdheden van verweerder, als vermeld in artikel 5 van de Instellingsverordening, betreffen niet de werkzaamheden c.q. de belangen van appellant. Appellant is immers zelfstandig ondernemer zonder personeel, met werkzaamheden die hoofdzakelijk bestaan uit het aanbrengen en plaatsen van systeemplafonds, zulks - in de bewoordingen van de pleitnota van appellant - "op basis van aanneming op regie". Appellant maakt daarbij gebruik van lichtgewicht systeemplafonds, die bestaan uit platen die niet zijn te schilderen of stucadoren.

Appellant heeft geen enkel belang bij registratie bij verweerder. Verweerder ontplooit slechts activiteiten ten behoeve van werkgevers en werknemers en doet niets voor ondernemingen die systeemplafonds aanbrengen of plaatsen.

5. De beoordeling van het geschil

De werkzaamheden van de onderneming van appellant bestaan onder meer uit het aanbrengen en plaatsen van systeemplafonds. Naar het oordeel van het College stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat appellant hiermee activiteiten verricht die vallen onder de werkingsfeer van verweerder, zoals gedefinieerd in artikel 2, eerste en tweede lid, van de Instellingsverordening. De basis waarop appellant stelt werk aan te nemen brengt met zich, dat sprake is van aanneming van werk in de zin van artikel 2, tweede lid.Voor het door appellant bepleite standpunt dat het al dan niet vallen onder bedoelde werkingssfeer van verweerder afhangt van het type plafonds dat wordt aangebracht, is noch in de Instellingsverordening, noch in de daarbij behorende toelichting, steun te vinden.

Verweerder is ingesteld voor ondernemingen die activiteiten verrichten op de in de Instellingsverordening beschreven gebieden. Anders dan appellant betoogt, vallen hieronder tevens zelfstandige ondernemers, die geen personeel in dienst hebben.

Het feit dat appellant meent geen voordeel te genieten van de activiteiten van verweerder, doet er niet aan af dat op verweerder ingevolge artikel 2 van de Instellingsverordening de plicht rust gegevens over zijn onderneming te registreren.

Gelet op het vorenoverwogene is het beroep ongegrond. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2002.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel