Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9439

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-02-2002
Datum publicatie
21-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/555
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Landbouwkwaliteitswet 13
Landbouwkwaliteitswet 18
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 15
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/135
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 01/555 12 februari 2002

20270

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Skal, te Zwolle, appellante van een op 8 juni 2001 gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht Skal te Zwolle (hierna: het tuchtgerecht),

gemachtigden: ir J.W. Krol en mr J.A. Tietsma, beiden werkzaam bij appellante.

1. De procedure

Op 10 juli 2001 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking. In deze beschikking heeft het tuchtgerecht geoordeeld dat A, veehouder te X, geen overtreding heeft begaan en dat hem derhalve geen maatregel wordt opgelegd.

Bij brief van 12 september 2001 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 19 oktober 2001 heeft de griffier van het College appellante in de gelegenheid gesteld haar standpunt aangaande de ontvankelijkheid van het beroep kenbaar te maken.

Bij brief van 29 november 2001 heeft appellante haar standpunt dienaangaande toegelicht.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 17 januari 2002. Appellante heeft zich doen vertegenwoordigen door haar gemachtigden. A is in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 10 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, zoals gewijzigd (hierna: EG), luidt als volgt:

" De lidstaten treffen alle algemene of bijzondere maatregelen welke geschikt zijn om de nakoming van de uit dit Verdrag of uit handelingen van de instellingen der Gemeenschap voortvloeiende verplichtingen te verzekeren. Zij vergemakkelijken de vervulling van haar taak.

Zij onthouden zich van alle maatregelen welke de verwezenlijking van de doelstellingen van dit Verdrag in gevaar kunnen brengen."

Artikel 15 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: Wtb) luidt als volgt:

" De betrokkene kan tegen de tuchtbeschikking beroep instellen bij het College."

In de Landbouwkwaliteitswet (hierna: Lkw) wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 13

1. Bij overtreding van het bepaalde bij of krachtens een landbouwkwaliteitsbesluit door aangeslotenen bij een controle-instelling kunnen een of meer der volgende maatregelen worden opgelegd:

a. berisping;

b. geldboete tot ten hoogste 10.000 gulden;

c. het stellen van de aangeslotene onder verscherpte controle op zijn kosten voor ten hoogste twee jaren;

d. openbaarmaking van de tuchtbeschikking op kosten van de aangeslotene.

2. De artikelen 2, 4, 5, eerste lid, 6, 7, 9-33, 34, eerste lid, en 36 eerste zin, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie zijn van overeenkomstige toepassing. (…)

(…)

4. In afwijking van artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht kan tegen een besluit van een tuchtgerecht of een centraal tuchtgerecht, ingesteld door een controle-instelling, geen bezwaar worden gemaakt.

Artikel 18

1. Aan het slot van artikel 1, onder 4e, van de Wet op de economische delicten wordt toegevoegd de zinsnede: de Landbouwkwaliteitswet, de artikelen 2, eerste en tweede lid, 3, tweede lid, 4, vierde lid, 6 en 9, eerste lid.

2. Artikel 13 vindt geen toepassing, indien de Officier van Justitie, na overleg met de controle-instelling, heeft beslist, dat een overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan."

2.2 Ter zitting van het College heeft appellante naar voren gebracht dat ter zake van de toepassing van artikel 18, tweede lid, Lkw het beleid wordt gevoerd dat alleen (vermeende) zeer ernstige overtredingen en gevallen van (vermeende) fraude worden voorgelegd aan de Algemene Inspectiedienst, die kan besluiten de zaak aan te brengen bij de Officier van Justitie. Andere overtredingen waartegen appellante optreden gewenst acht, worden voor het tuchtgerecht gebracht.

3. Het standpunt van appellante inzake de ontvankelijkheid van het beroep

In haar brief van 29 november 2001 heeft appellante onder meer het volgende naar voren gebracht:

" (…) Anticiperend op de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2000 is het de bedoeling dat ook aan de controle-instelling de mogelijkheid wordt verleend, in beroep te gaan, om zo de betrokkenheid te benadrukken. Uitgangspunt is dat de wetgever de bestaande praktijk wenst te codificeren. Daarenboven is er sprake van beroep tegen een beslissing van een tuchtgerecht dat haar beslissing volkomen onafhankelijk van de Stichting Skal heeft genomen. Wanneer Stichting Skal een inhoudelijk belang bij een dergelijke beslissing heeft, zoals in casu, dient er op grond van algemene rechtsbeginselen een mogelijkheid te bestaan deze kwestie inhoudelijk middels een beroepschrift onder de aandacht van Uw College te brengen."

Ter zitting van het College heeft appellante nader toegelicht dat zij met de zinsnede "dat de wetgever de bestaande praktijk wenst te codificeren" in haar brief van 29 november 2001 bedoeld heeft dat de wetgever rekening heeft willen houden met de in het maatschappelijk verkeer levende opvattingen.

4. De beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep

Ingevolge artikel 15 Wtb juncto artikel 13, tweede lid, Lkw kan tegen een beschikking van het tuchtgerecht Skal slechts beroep bij het College worden ingesteld door de aangeslotene op wie de tuchtbeschikking betrekking heeft. Tekst en strekking van Wtb en Lkw bieden

geen aanknopingspunt voor het oordeel dat, naast aangeslotenen, ook anderen - bijvoorbeeld appellante - de mogelijkheid hebben een dergelijk beroep in te stellen.

De door appellante aangevoerde omstandigheid dat appellante, indien het wetsvoorstel 27.025 (Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2000) tot wet wordt verheven en in werking treedt, naar verwachting beroep zal kunnen instellen tegen daarna te geven beschikkingen van het tuchtgerecht, leidt niet tot het oordeel dat zij reeds thans in het onderhavige beroep kan worden ontvangen. Uit tekst en toelichting van dat wetsvoorstel (TK 1999-2000, 27.025, nr. 3, blz. 9) moet worden afgeleid dat met het openstellen van een zodanig beroep door de (voorzitter van de) controle-instellingen een wijziging ten opzichte van de huidige situatie wordt beoogd.

Het argument dat het tuchtgerecht geheel onafhankelijk van appellante tot zijn beschikking is gekomen en dat appellante een mogelijkheid moet hebben een beslissing van het tuchtgerecht, waar zij het niet mee eens is, bij het College aanhangig te maken, leidt evenmin tot een ander oordeel. Appellante heeft in dit verband betoogd dat een negatief oordeel van het College over de ontvankelijkheid van het beroep de uitoefening van haar controlerende taak frustreert, omdat appellante tegen soortgelijke overtredingen van andere aangeslotenen niet kan optreden wanneer zij de volgens haar onjuiste rechtsopvatting van het tuchtgerecht niet kan aanvechten. Het College volgt appellante niet in dit betoog. In een eventueel volgend geval kan appellante immers hetzij de zaak aan het tuchtgerecht voorleggen, onder aanvoering van de argumenten op grond waarvan het tuchtgerecht op zijn volgens appellante onjuiste rechtsopvatting dient terug te komen, hetzij de zaak in handen geven van de AID en/of de Officier van Justitie.

Ambtshalve overweegt het College dat de omstandigheid dat het tuchtgerecht heeft geoordeeld over een tenlastegelegde overtreding van Verordening (EEG) 2092/91 van de Raad van 24 juni 1991 inzake de biologische produktiemethode en aanduidingen dienaangaande op landbouwprodukten en levensmiddelen (Pb. 1991, L 198, blz. 1), niet tot een ander oordeel leidt. Het ontbreken van de bevoegdheid van een controle-instelling zoals appellante tot het instellen van beroep tegen een tuchtbeschikking bij het College, brengt niet mee dat niet kan worden gesproken van doeltreffende handhaving van het gemeenschapsrecht als waartoe artikel 10 EG volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie verplicht (zie onder meer arrest van het Hof van 10 juni 1990, Hansen, C-326/88, Jurispr. I-2911, punt 17). Hierbij neemt het College in aanmerking dat, ingevolge artikel 13 juncto artikel 18 Lkw, overtredingen worden beoordeeld door een tuchtgerecht behoudens indien de overtreding strafrechtelijk zal worden afgedaan. Dit samenstel van bepalingen is zonder onderscheid van toepassing op de vervolging en berechting van overtreding van communautaire bepalingen en vergelijkbare en even ernstige overtredingen van nationale bepalingen, die geen uitvoering van communautaire normen behelzen.

Het vorenstaande leidt het College tot de slotsom dat het beroep niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Deze uitspraak berust op artikel 15 Wtb en artikel 13, tweede lid, Lkw.

5. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr drs M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 februari 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen