Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9227

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-01-2002
Datum publicatie
13-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/766
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen 1, geldigheid: 2002-01-17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/766 17 januari 2002

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: R.H.J. Asbreuk, te Haaksbergen,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr M.M.F. Lobles, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 21 september 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een op 10 augustus 2000 verzonden besluit van verweerder van 3 augustus 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de beslissing van verweerder op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling).

Bij op 23 oktober 2000 ingekomen schrijven heeft appellant het beroepschrift toegelicht. Appellant heeft de in dit schrijven aangekondigde producties nagezonden.

Verweerder heeft op 26 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 30 oktober 2001 heeft het College van verweerder een aantal producties ontvangen.

Op 5 november 2001 heeft het College van appellant nog een aantal producties ontvangen.

Op 14 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen hun standpunt nader hebben doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 9, derde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie, (hierna: de Verordening) wordt, indien opzettelijk of door grove nalatigheid een onjuiste aangifte is gedaan, het betrokken bedrijfshoofd uitgesloten van de betrokken steunregeling voor het betrokken kalenderjaar en, bij opzettelijk onjuiste aangifte, van alle in artikel 1, lid 1 van Verordening (EEG) nr. 3508/92 bedoelde steunregelingen voor het volgende kalenderjaar voor een oppervlakte die gelijk is aan die waarvoor zijn steunaanvraag is afgewezen.

Ingevolge artikel 1, onderdeel m, van de Regeling wordt, voor zover hier van belang, onder akkerland verstaan:

" a. geheel van tot het bedrijf behorende grond met uitzondering van grond die gedurende de achtereenvolgende kalenderjaren 1987 tot en met 1991 als blijvend grasland, grond voor blijvende teelten, bosgrond of grond voor niet-agrarische doeleinden in gebruik was;"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft op 21 mei 1997 een "aanvraag oppervlakten 1997 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend ter verkrijging van een bijdrage op grond van de Regeling. Daarbij heeft hij voor drie percelen ter grootte van respectievelijk 1.70 ha, 0.80 ha en 0.59 ha akkerbouwsteun aangevraagd. Een perceel met volgnummer 1 heeft appellant voorzien van de code 999 (niet voor bijdrage).Verweerder heeft deze aanvraag voor het jaar 1997 afgewezen omdat deze percelen niet voldeden aan de definitie van akkerland in de Regeling.

- Appellant heeft op 15 mei 1998 een "aanvraag oppervlakten 1998 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend. Daarbij heeft hij voor vier percelen ter grootte van respectievelijk 0.90 ha, 1.70 ha, 0.80 ha en 0.59 ha akkerbouwsteun aangevraagd. Verweerder heeft ook deze aanvraag afgewezen en appellant uitgesloten van deelname aan de Regeling in 1998 wegens grove nalatigheid bij de aangifte nadat hij appellant er reeds in 1997 naar aanleiding van zijn aanvraag voor dat jaar, op had gewezen dat de betrokken percelen niet voldoen aan de in de Regeling gestelde voorwaarden.

- Appellant heeft op 14 mei 1999 een "aanvraag oppervlakten 1999 vereenvoudigde regeling en voederareaal" ingediend ter verkrijging van een bijdrage op grond van de regeling. Daarbij heeft hij voor vier percelen met een totale grootte van 3.99 hectare akkerbouwsteun aangevraagd. Het betreft dezelfde percelen als in 1997 en 1998.

- Bij besluit van 29 november 1999 heeft verweerder de aanvraag van appellant voor het jaar 1999 geheel afgewezen, omdat deze percelen niet aan in de Regeling gestelde voorwaarden voldoen. Bij dit besluit is appellant voorts uitgesloten van deelname aan de Regeling in 1999 en is appellant bovendien in 2000 uitgesloten van de Regeling voor een oppervlakte van 3.99 hectare, zijnde een oppervlakte gelijk aan zijn aanvraag voor 1999.

- Appellant heeft bij schrijven van 28 december 1999, ontvangen door verweerder op 11 januari 2000, tegen voormeld besluit van 29 november 1999 bezwaar gemaakt.

- Op 30 maart 2000 is appellant gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Overwegingen

(…)

Teneinde het voldoen aan de definitie akkerland aan te tonen is bewijs op perceelsniveau een vereiste. Ten aanzien van specifiek de percelen 1 t/m 4 moet u aantonen dat dit in één van de jaren 1987 tot en met 1991 is gebruikt voor de teelt van een akkerbouw- of tuinbouwgewas, en derhalve voldoet aan de definitie akkerland uit artikel 1, onder m, van de Regeling. De verklaringen van de heren C en D en de kopieën van de inkomstenbelasting van de jaren 1979 t/m 1996, welke u als bewijs ten aanzien van het voldoen van de betreffende percelen aan de definitie akkerland wilt aanmerken, moeten zijn toegespitst op de percelen 1 t/m 4. Dit is echter niet het geval. Uit de verklaringen en de kopieën van de inkomstenbelasting blijkt alleen dat er maïs is gezaaid/geoogst en verkocht, maar hieruit blijkt geen relatie met de betreffende percelen. Bovendien zijn de verklaringen van de heren C en D achteraf opgesteld.

Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Regeling dient, om in aanmerking te komen voor subsidieverlening op grond van de Regeling, elk perceel afzonderlijk te voldoen aan de definitie akkerland zoals opgenomen in artikel 1, onder m, van de Regeling. Dat wil zeggen dat in de periode 1987 tot en met 1991 tenminste één jaar een akkerbouwgewas moet zijn geteeld op deze percelen. Uit de door u overgelegde stukken is mij niet gebleken dat de betreffende percelen in de periode 1987 tot en met 1991 voor tenminste één jaar met een akkerbouwgewas zijn beteeld.

Bij besluit van 29 november 1999 is beslist dat u in 1999 niet in aanmerking komt voor subsidie, aangezien u opzettelijk een aantal percelen heeft opgegeven waarvan u wist dat deze niet aan de gestelde voorwaarden voldoen. Voorts wordt u in 2000 uitgesloten voor een oppervlakte van 3.99 ha, de oppervlakte waarvoor uw aanvraag in 1999 is afgewezen.

U stelt dat u in 1999 op advies van een medewerker van LASER regio Oost opnieuw een aanvraag heeft ingediend. Naar mijn mening kan derhalve van opzet geen sprake zijn. Derhalve komt de sanctie voor 2000 voor een oppervlakte van 3.99 ha. te vervallen.

Voorts merk ik op dat er in uw geval sprake is van grove nalatigheid. Uit de dossier van 1997 en 1998 is mij gebleken dat LASER u er toen reeds op heeft gewezen dat de desbetreffende percelen niet aan de in de Regeling gestelde voorwaarden voldoet. Hiervan is u bij brief van 24 november 1997 en 24 november 1998 schriftelijk mededeling gedaan. Uit vorenstaande blijkt dat u op de hoogte bent, althans kan zijn, van het feit dat de betrokken percelen niet aan de gestelde voorwaarden voldoen. Desondanks vraagt u in 1999 wederom voor dezelfde percelen een bijdrage aan. Ten gevolge van deze grove nalatigheid bent u uitgesloten van deelname aan de Regeling in 1999. Dit betekent dat u in 1999 geen bijdrage zult ontvangen.

Gelet op bovenstaande heeft u niet aangetoond dat het perceel 1 t/m 4 aan de voorwaarde van artikel 1, onderdeel m van de Regeling voldoet.

(…)

Conclusie

Op grond van het bovenstaande verklaar ik uw bezwaren ongegrond."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft niet door grove nalatigheid - als genoemd in artikel 9, derde lid, van de Verordening - een onjuiste aangifte gedaan. Appellant is dan ook ten onrechte uitgesloten van deelname aan de Regeling voor 1999.

Appellant heeft aangetoond dat de percelen 1 tot en met 4 aan de definitie van akkerland van artikel 1, onderdeel m, van de Regeling voldoen. Op de betreffende percelen is in de referentieperiode van 1987 tot en met 1991 snijmaïs geteeld. Dit kan worden geconcludeerd uit de overgelegde getuigenverklaringen en overige bescheiden.

5. De beoordeling van het geschil

In de bestreden beslissing komt verweerder - appellant volgend in diens betoog dat hij in 1999, op advies van een medewerker van LASER Oost, opnieuw een aanvraag heeft ingediend - tot de slotsom dat geen sprake is van opzet, maar van grove nalatigheid in de zin van artikel 9, derde lid, van de Verordening en sluit verweerder appellant op die grond voor het jaar 1999 uit van deelname aan de Regeling.

Zulks naar het oordeel van het College ten onrechte. Het College ziet niet in dat in het onderhavige geval sprake is van grove nalatigheid als genoemd in artikel 9, derde lid van de Verordening, nu appellant door een medewerker van verweerder is geadviseerd de betreffende aanvraag in 1999 in te dienen. Dat verweerder appellant naar aanleiding van zijn aanvragen in 1997 en 1998 heeft medegedeeld dat de voor steun opgegeven percelen niet zouden voldoen aan de in de Regeling gegeven definitie van akkerland, doet dit niet anders zijn.

Derhalve kan het bestreden besluit niet in artikel 9 van de Verordening zijn grondslag vinden.

Het beroep is daarom gegrond. Verweerder dient opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

In dat verband zal verweerder dus ten gronde moeten beoordelen of appellants percelen voldoen aan de definitie van akkerland en of appellant derhalve in aanmerking komt voor steun op grond van Regeling.

Terzake van de stelling van appellant dat hij kan aantonen dat de betreffende percelen voldoen aan de definitie van akkerland, overweegt het College dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat achteraf opgestelde (getuigen)verklaringen nimmer kunnen strekken tot het bewijs dat sprake is van "akkerland". De bewijslast dienaangaande rust weliswaar bij de aanvrager, maar deze mag en kan pogen het bewijs van zijn stellingen te leveren met alle middelen die hem ter beschikking staan, waarbij achteraf opgestelde verklaringen niet op voorhand zijn uit te sluiten.

Verweerder heeft voorts betoogd dat als appellant te zijner genoegen zou bewijzen dat in de jaren 1987 tot en met 1991 de betrokken 3.99 ha grond in wisselbouw gebruikt is voor maïs en grasteelt en dat daarvan jaarlijks tenminste twee hectare maïs geoogst is, dit hem niet zou helpen, omdat daarmee niet vaststaat welk deel van de grond wanneer als akkerland in gebruik is geweest. Naar het oordeel van het College zal verweerder zich in een dergelijk geval nader dienen te bezinnen of het vasthouden aan de eis van bewijs op perceelsniveau onder alle omstandigheden gerechtvaardigd en geboden is en of ook in een situatie als die van appellant gedeeltelijke acceptatie van de claims uitgesloten moeten worden geacht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellant beslist met inachtneming van hetgeen bij deze

uitspraak is overwogen;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden het door appellant betaalde griffierecht ad. €€ 102, 10 (zegge: honderd en twee euro en

tien cent) aan hem vergoedt.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 januari 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. Th.J. van Gessel