Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9226

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
13-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/866
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/866 9 januari 2002

10700

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: R.G. Holtz, advocaat te Groningen,

tegen

het Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigden: mr F.G.P. Diermanse en L.J. Koers, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 31 oktober 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 september 2000.

Op 23 november 2000 zijn de gronden van het beroep ingediend.

Op 1 december 2000 heeft appellant een nader stuk ingediend.

Op 22 januari 2001 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant was hierbij, zoals aangekondigd, niet aanwezig. Verweerder werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 5, tweede alinea, van Verordening (EEG) nr. 3950/92, tot instelling van een extra heffing in de sector melk en zuivelprodukten (Pb. EG 1992, L 405; hierna: de Verordening), luidt:

" Onverminderd artikel 6, lid 1, worden de referentiehoeveelheden die ter beschikking staan van de producenten die gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelprodukten in de handel hebben gebracht, gevoegd bij de nationale reserve (…). Wanneer de producent de produktie van melk of andere zuivelprodukten hervat binnen een door de Lid-Staat vast te stellen termijn, wordt hem uiterlijk op de eerste april volgende op de datum van zijn verzoek, een referentiehoeveelheid toegekend (…)."

Artikel 6, eerste lid, van de Verordening voorziet in een mogelijkheid tot tijdelijke overdracht van individuele referentiehoeveelheden door producenten.

De Regeling superheffing 1993 (Stcrt. 1993, 60) luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 7

1. Onverminderd het bepaalde in paragraaf 7 vervalt de aanspraak op de referentiehoeveelheid, die ter beschikking staat van de producent welke gedurende een periode van twaalf maanden geen melk of andere zuivelproducten in de handel heeft gebracht, direct na ommekomst van die termijn.

2. De ingevolge het eerste lid vervallen referentiehoeveelheid wordt op verzoek van de betrokken producent door het productschap opnieuw toegewezen, indien hij de productie van melk of andere zuivelproducten op zijn bedrijf hervat binnen een termijn van negen maanden na de datum waarop de aanspraak op de referentiehoeveelheid is komen te vervallen.

3. Het verzoek wordt binnen de in het tweede lid genoemde termijn ingediend bij het productschap, volgens de daartoe door het productschap te stellen regelen.

4. De toekenning geschiedt uiterlijk op de eerste april volgend op de datum, van het verzoek.

(…)

Artikel 17

1. Indien naar het oordeel van het productschap een overdracht van grond dan wel het aangaan of beëindigen van een pachtovereenkomst kennelijk uitsluitend tot doel heeft gehad het maximum gesteld in artikel 15, tweede lid, te ontgaan, kan het productschap binnen een tijdvak van 3 jaar na overdracht van de referentiehoeveelheid, besluiten dat een aanspraak op deze hoeveelheid ter zake van die overdracht geheel of gedeeltelijk niet meer wordt erkend, te rekenen vanaf het tijdstip van registratie, met dien verstande dat de niet-erkenning maximaal 12 maanden terugwerkt.

2. (…)

3. (…)

4. De verkrijger kan op diens verzoek voor het niet erkende deel van de referentiehoeveelheid aanspraak maken op een vergoeding van ƒ 0,65 per kilogram referentiehoeveelheid. (…)"

Paragraaf 7 van de Regeling superheffing 1993 voorziet in de mogelijkheid voor een producent om het gedeelte van een referentiehoeveelheid dat door hem niet zal worden gebruikt, onder bepaalde voorwaarden voor de duur van een heffingsperiode tijdelijk over te dragen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant beschikte voor de heffingsperiode 1999/2000 over een fabrieksquotum van 89.308 kg.

- In de heffingsperiode 1999/2000 hebben geen leveringen plaatsgevonden met gebruikmaking van het fabrieksquotum van appellant. Evenmin was dit quotum in deze periode verhuurd.

- Bij brief van 9 juni 2000 heeft verweerder appellant bericht dat zijn fabrieksquotum met ingang van de heffingsperiode 2000/2001 is komen te vervallen op grond van artikel 5 van de Verordening en artikel 7 van de Regeling superheffing 1993. Hierbij is tevens meegedeeld dat appellant het vervallen quotum voor de heffingsperiode 2000/2001 weer kan activeren door voor 1 januari 2001 bij de Centrale Organisatie Superheffing (COS) aan te tonen dat hij in voldoende omvang beschikt over productiemiddelen (grond, gebouwen) en de productie op zijn bedrijf zelf heeft hervat.

- Namens appellant is bezwaar gemaakt tegen het in de brief van 9 juni 2000 vervatte besluit tot vervallenverklaring van het quotum. Het bezwaarschrift vermeldt onder meer:

" Wij als dochters en schoonzoons waren er stellig van overtuigd, dat het quotum verhuurd was. Ook uit uw brief van 31-3-2000 hebben wij niet de conclusie getrokken dat dit wellicht niet het geval zou zijn.

Onze vader/schoonvader heeft in de afgelopen periode te maken gehad met zeer ernstige hartproblemen en een vrij sterke vorm van geheugenverlies.

Dit alles bij elkaar heeft er toe geleid dat het melkquotum blijkbaar niet is verhuurd.

Wij verzoeken u daarom ook uw beslissing terug te draaien.

Uit bijgesloten brief van de huisarts blijkt het bovenstaande. Bovendien is onze vader/schoonvader behandeld in het C en het D. De hartspecialisten aldaar kunnen u eveneens inlichten."

Bij het bezwaarschrift was een verklaring gevoegd van E, huisarts te F, van 13 juni 2000. Deze verklaring vermeldt met betrekking tot appellant:

" Hierbij verklaart ondergetekende dat bovenvermelde patiënt in 1999 en ook daarna door lichamelijke en geestelijke problematiek ernstige geheugen-stoornissen had en heeft, waardoor het voor hem o.a. moeilijk is om zijn administratieve taken op een adequate manier uit te voeren."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertoe heeft hij overwogen dat in een situatie als de onderhavige op grond van de regelgeving de aanspraak op het quotum vervalt. Verweerder acht het bezwaar kennelijk ongegrond. Verweerder herinnert daarnaast aan de in de brief van 9 juni 2000 vermelde mogelijkheid het vervallen quotum weer te activeren. Hij wijst erop, dat de regeling niet voorziet in de mogelijkheid appellant een schadevergoeding toe te kennen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samenvattend weergegeven - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant verleasde al een aantal jaren zijn melkquotum. In de heffingsperiode 1999/2000 is dit evenwel niet geschied, tengevolge van zeer ernstige hartproblemen en een ernstige geheugenstoornis. Verwezen wordt naar de eerder overgelegde huisartsverklaring. Verweerder had op grond van deze omstandigheden niet mogen beslissen dat de referentiehoeveelheid is komen te vervallen. In ieder geval had appellant gehoord moeten worden.

Als toch geoordeeld zou moeten worden dat het quotum is komen te vervallen, dan verlangt appellant schadevergoeding, naar analogie van artikel 17, vierde lid, van de Regeling superheffing 1993. Nu, anders dan bij toepassing van deze bepaling, in de situatie van appellant geen sprake is van misbruik aan de zijde van de producent, dient de vergoeding fl. 1,-- per kg maal 4,29 (het vetpercentage) te bedragen.

5. De beoordeling van het geschil

Vaststaat dat appellant zijn fabrieksquotum gedurende de gehele heffingsperiode 1999/2000 niet heeft gebruikt. Nu evenmin sprake was van een tijdelijke overdracht van een referentiehoeveelheid in de heffingsperiode 1999/2000, vloeit uit artikel 7, eerste lid, van de Regeling superheffing 1993 voort, dat de aanspraak op het fabrieksquotum direct na ommekomst van deze periode kwam te vervallen. Behoudens de tevens in artikel 7 voorziene mogelijkheid om bij hervatting van de productie de vervallen hoeveelheid opnieuw te verkrijgen, kent de Regeling superheffing 1993 onder voormelde omstandigheden geen mogelijkheid om, bijvoorbeeld in verband met individuele omstandigheden zoals in bezwaar en beroep aangevoerd, het quotum te behouden.

Evenbedoelde nationale regeling terzake van het verval van het quotum geeft uitvoering aan artikel 5 van de Verordening. Gesteld noch gebleken is dat de nationale regeling niet in overeenstemming is met bedoeld artikel 5.

Appellant heeft niet betoogd dat artikel 5 van de Verordening niet rechtsgeldig zou zijn. Het College ziet ook geen reden ambtshalve hieraan te twijfelen.

Er is geen rechtsgrond aanwezig om verweerder gehouden te achten om het voorgeschreven verval van quotum te compenseren met een financiële vergoeding. De enkele omstandigheid dat artikel 17, vierde lid, van de Regeling superheffing 1993 producenten van een verworven referentiehoeveelheid aanspraak geeft op een zekere vergoeding voor het niet meer erkennen van deze hoeveelheid, schept geen verplichting om ook aan producenten die zelf de productie hebben gestaakt, een vergoeding toe te kennen.

Gelet op het vorenstaande is het bezwaar terecht ongegrond verklaard. Gegeven de dwingende voorschriften terzake van quotumverval en de inhoud van de door appellant hiertegen in zijn bezwaarschrift naar voren gebrachte argumenten, heeft verweerder kunnen oordelen dat sprake was van kennelijke ongegrondheid. Hij was dus niet gehouden appellant te horen.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel