Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9108

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/623
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/623 2 januari 2002

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr D. Kik, werkzaam bij de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie te Goes,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigde: mr B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Op 26 juli 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 21 juni 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen verweerders beslissing op haar aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen (hierna: de Regeling), ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 27 oktober 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 14 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1. Bij Verordening (EEG) nr. 3887/92, zoals gewijzigd bij Verordening (EEG) nr. 229/95, is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 4

(…)

2. a) De steunaanvraag "oppervlakten" mag na de uiterste datum voor de indiening ervan worden gewijzigd op voorwaarde dat de bevoegde autoriteiten de wijzigingen uiterlijk op de data als bedoeld in de artikelen 10, 11 en 12 van Verordening (EEG) nr. 1765/92 van de Raad ontvangen.

(…)

Artikel 5 bis

Onverminderd de voorschriften van de artikelen 4 en 5 kan een steunaanvraag, in geval van een door de bevoegde instantie erkende klaarblijkelijke fout, na de indiening op elk moment worden aangepast."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 13 april 1999 heeft verweerder van appellante een formulier aanvraag oppervlakten vereenvoudigde regeling en voederareaal ontvangen. Met betrekking tot de percelen 13, 14 en 15 heeft appellante de gewascode 259 (snijmaïs) en de bijdragecode 805 (bijdragecode voerderareaal) ingevuld. De totale oppervlakte van deze drie percelen bedraagt 8.2 hectare. De overige percelen (nummers 1 tot en met 12) betreffen percelen grasland, waarbij appellante eveneens de bijdragecode voor voederareaal heeft ingevuld. De totale oppervlakte van alle percelen op de aanvraag bedraagt 31.8 hectare, hetwelk appellante op de aanvraag heeft vermeld bij de vraag naar de "totale oppervlakte". Appellante heeft op de aanvraag bij de vraag naar de "Totale oppervlakte voederareaal (bijdragecode 800 en 805)" een oppervlakte van 8.2 hectare vermeld. Bij alle percelen op de aanvraag staat de productieregio I vermeld.

- Bij brief van 11 november 1999 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat haar aanvraag is goedgekeurd. Voor haar is de definitieve oppervlakte voederareaal ten behoeve van de Regeling dierlijke EG-premies vastgesteld op 31.8 hectare.

- Bij brief van 10 december 1999 heeft appellante bezwaar gemaakt tegen het besluit van 11 november 1999. In haar bezwaarschrift heeft appellante verweerder medegedeeld dat zij bij het invullen van haar aanvraag ten aanzien van de percelen 13, 14 en 15 de verkeerde (bijdrage)code heeft gebruikt en dat zij slechts melkvee houdt op haar bedrijf.

- Bij besluit van 21 juni 2001 heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt - samengevat - het volgende in.

Een aanvrager is verantwoordelijk voor het juist invullen van de aanvraag. De gevolgen van een onjuiste opgave dienen daarom voor zijn rekening te blijven tenzij sprake is van een duidelijke vergissing.

In het werkdocument van de Europese Commissie van 18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL wordt gepreciseerd wanneer sprake is van een duidelijke vergissing. Hierbij gaat het, kort gezegd, om vergissingen die bij enkele vergelijking van de op het aanvraagformulier verstrekte gegevens reeds blijken.

Er is hier geen sprake van een zodanige fout. De aanvraag als zodanig is niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld.

Dat appellante op de aanvraag bij de desbetreffende percelen de productieregio heeft vermeld, op zichzelf alleen noodzakelijk bij gewaspercelen die worden opgegeven voor een akkerbouwsubsidie, maakt in het onderhavige geval niet dat sprake is van een tegenstrijdige opgave. Appellante heeft immers bij alle percelen op de aanvraag de productieregio ingevuld, zodat hieraan geen onderscheidende betekenis kan worden gehecht.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in het beroepschrift tegen het bestreden besluit aangevoerd dat er wel sprake is van een manifeste fout aangezien de aanvraag een duidelijke tegenstrijdigheid bevat. Appellante heeft bij de bewuste percelen immers de productieregio vermeld, hetgeen niet strookt met de opgave van deze percelen als voederareaal. Voorts heeft verweerder in strijd met de eisen van zorgvuldigheid nagelaten om appellante te horen over haar bezwaar.

In de door appellante ter zitting overgelegde pleitnota is nog het navolgende naar voren gebracht.

" Mijn cliënt heeft een bijdrage willen aanvragen voor maïs, aanvraagcode 815; abusievelijk heeft hij aanvraagcode 805 ingevuld, zijnde de bijdragecode Voederareaal. Mijn cliënt heeft nimmer enige andere bedoeling gehad dan een akkerbouwbijdrage aan te vragen. Cliënt heeft op zijn bedrijf nimmer die dieren gehouden op grond waarvan hij voor een bijdrage Voederareaal in aanmerking zou komen. In dit opzicht is in casu sprake van een zeer duidelijke fout aan de zijde van mijn cliënt. Een fout waarmee hij zich benadeeld voor f 6.971,80

In haar beslissing op bezwaar gaat LASER hieraan voorbij. Bij: "Overwegingen" stelt LASER dat een fout slechts als zodanig wordt geaccepteerd indien deze voldoet aan de gegeven omschrijving in het werkdocument van de Europese Commissie (doc. VI/7103/98/Rev2-NL). LASER stelt daarbij dat het voor iedere producent -waar mogelijk- vrij staat een subsidie aan te vragen. Hieruit vloeit mijns inziens voort dat elke aanvraag juist heel nauwgezet moet worden gecontroleerd, want de toevoeging: "waar mogelijk" betekent dat enkel in potentie succesvolle aanvragen kunnen worden ingediend. Hierop dient te worden gecontroleerd; de niet-succesvolle aanvragen dienen te worden uitgefilterd met behulp van de gegevensbestanden waarover LASER beschikt. Het foutgehalte van onvolkomenheden in potentieel succesvolle aanvragen kan vervolgens worden getoetst aan genoemd Werkdocument. De aanvraag van mijn cliënt is potentieel ongeschikt om enige uitkering te bewerkstelligen. LASER beschikt over voldoende toegankelijke gegevens, kennis en automatisering om op snelle wijze gegevensbestanden zodanig met elkaar te vergelijken dat potentieel niet-succesvolle aanvragen, zoals van mijn cliënt, tijdig kunnen worden geïsoleerd. Doordat LASER deze, practisch zeer goed uitvoerbare werkwijze niet toepast, geeft zij blijk van een oppervlakkige en onbehoorlijke wijze van behandeling van een aanvraag in het kader van de Regeling. De belangen van mijn cliënt zijn dan ook onzorgvuldig afgewogen.

LASER stelt verder dat de aanvraag van mijn cliënt niet onvolledig, niet onlogisch en consequent is ingevuld. Hierover het volgende: De aanvraag is volledig ingevuld, daar valt niets op aan te merken. De aanvraag is echter niet logisch ingevuld. Mijn cliënt heeft in totaal twee bijdragecodes ingevuld: 800 en (de foutieve code) 805. Bij: "totale oppervlakte" vermeld mijn cliënt de aldaar voorgeschreven optelsom zijnde 31.80 ha. Echter, bij: 'totale oppervlakte voederareaal (bijdragecode 800 en 805)" vermeld mijn cliënt: 8.2 ha. Deze 8.2 ha verstaat zich geenszins met de instructie: "bijdragecode 800 en 805": want dan had er logischerwijs 31,8 ha moeten staan. Zelfs bij een oppervlakkige beschouwing door verweerder had deze omissie aan het licht kunnen komen. Deze fout van mijn cliënt leidt tot een tegenstrijdigheid in de aanvraag. Bovendien heeft deze fout geheel zelfstandige betekenis want zij is qua gegeven ingevuld op een aparte plaats op het aanvraagformulier, los van de andere gegevens. Deze fout maakt de aanvraag van mijn cliënt duidelijk onderscheidend van andere, wel correcte aanvragen. In haar verweer van 26 oktober 2000, pagina 2, 2e alinea stelt het Ministerie nota bene dat mijn cliënt onderaan het aanvraagformulier bij: "totale oppervlakte voederareaal" de oppervlakten van de betreffende percelen heeft opgegeven. Zelfs in deze fase van de procedure viel het haar niet op dat de met de aanvraagcodes 800 en 805 corresponderende, getotaliseerde oppervlakte niet strookt met het totaal onder: "totale oppervlakte".

In haar bezwaarschrift van 10 december 1999 2e pagina, 2e alinea verwijst mijn cliënt duidelijk naar het op het aanvraagformulier ingevulde item: "totaal voederareaal 8.20 ha". Deze verwijzing had voor LASER, indien zij de bezwaren van mijn cliënt -en aldus diens belangen- zorgvuldig had afgewogen, reden moeten zijn de hierboven geschetste fout te ontdekken."

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt stelt dat slechts aan het bezwaar van appellante tegemoet kan worden gekomen, indien door appellante bij de aanvraag oppervlakten een klaarblijkelijke fout is gemaakt. Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum van een aanvraag mogelijk die aanvraag te wijzigen.

De Commissie van de Europese Gemeenschappen heeft in een werkdocument van 18 januari 1999, VI/7103/98 Rev2-NL, enkele richtsnoeren inzake manifeste fouten in de zin van genoemd artikel 5 bis vastgesteld. Als manifeste fouten worden in dit werkdocument aangemerkt direct in het oog springende fouten en tegenstrijdigheden, die bij een aandachtiger onderzoek van de in de aanvraag verstrekte gegevens geconstateerd worden, alsmede eigenaardigheden, die betrekking hebben op aanduidingen of nummers van percelen of dieren. Benadrukt wordt dat het moet gaan om identificatiefouten.

Fouten met betrekking tot de teelt gelden in beginsel niet als duidelijke fouten. Bij verwisseling van percelen zou een uitzondering gemaakt kunnen worden, mits het niet gaat om een perceel, dat wordt gebruikt als braakgrond of met voedergewassen beteelde oppervlakte.

Het College overweegt dat genoemd werkdocument niet is aan te merken als een verordening, een richtlijn of een beschikking in de zin van artikel 249 EG en dat derhalve aan dit werkdocument geen verbindende kracht toekomt. Naar zijn inhoud betreft dit werkdocument bovendien niet een limitatief systeem van mogelijke gronden om wijziging van de aanvraag na de sluitingsdatum toe te laten.

Dit neemt niet weg dat verweerder de bevoegdheid om aan de hand van dit werkdocument en de daaraan voorafgaande, qua strekking vergelijkbare werkdocumenten binnen de door Verordening (EEG) nr. 3887/92 getrokken grenzen een vaste beleidslijn te ontwikkelen, niet ontzegd kan worden.

Verweerder heeft er in het onderhavige geval terecht op gewezen dat appellantes aanvraag geen tegenstrijdigheden bevat. Uit dien hoofde bestond er derhalve geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van die aanvraag.

De omstandigheid dat appellante op de aanvraag bij de in het geding zijnde percelen tevens de productieregio heeft vermeld, hetgeen op zichzelf slechts is vereist indien voor een bepaald perceel de toekenning van subsidie wordt beoogd, maakt niet dat sprake is van een tegenstrijdigheid in de aanvraag. Mede omdat appellante bij alle percelen op de aanvraag de productieregio heeft vermeld, heeft verweerder deze vermelding van de productieregio terecht als een additioneel gegeven zonder zelfstandige betekenis aangemerkt, althans als een gegeven dat niet noodzakelijk is voor het beslissen op de aanvraag.

Het argument van appellante dat de door haar gemaakte fout tevens manifest is omdat de onderhavige aanvraag anders zinledig zou zijn, faalt evenzeer. Dit argument miskent immers het feit dat met deze aanvraag een bepaalde oppervlakte voederareaal wordt gevraagd, waarbij verweerder niet gehouden is om het materieel belang van deze toekenning voor appellante te verifiëren. De omstandigheid dat appellante in 1999 geen aanvraag ingevolge de Regeling dierlijke EG-premies heeft ingediend, en overigens slechts melkvee op haar bedrijf houdt, doet hier niet aan af, nu dit immers uit de onderhavige aanvraag zelf niet kan worden afgeleid. Bovendien heeft appellante niet slechts bij de onderhavige drie (maïs)percelen de bijdragecode voor voederareaal vermeld, doch heeft zij alle percelen op haar aanvraag voor toekenning van voerderareaal in aanmerking gebracht.

De omstandigheid dat op de aanvraag de opgegeven oppervlakte bij de vraag naar de "totale oppervlakte voederareaal" verschilt van de opgegeven totaaloppervlakte van alle percelen bij de daarop betrekking hebbende vraag maakt evenmin dat verweerder deze aanvraag anders diende op te vatten dan hij heeft gedaan. Uit de aldus opgegeven "totale oppervlakte voederareaal" heeft verweerder in ieder geval niet hoeven afleiden dat appellante deze oppervlakte eigenlijk voor steunverlening akkerbouwgewassen in aanmerking had willen brengen. Voorts gaven naar het oordeel van het College de perceelsgewijs vermelde gegevens voor verweerder voldoende informatie om te beslissen zoals hij heeft gedaan, waarbij hij vermeld verschil in oppervlakten voederareaal als non-concludent heeft mogen passeren.

De slotsom is dat hetgeen appellante heeft aangevoerd, geen grond biedt voor het oordeel dat verweerder de aanwezigheid van een klaarblijkelijke fout, als bedoeld

in artikel 5 bis van Verordening (EEG) nr. 3887/92 had moeten erkennen en naar aanleiding van appellantes bezwaarschrift wijziging van de aanvraag had moeten toestaan.

Naar het oordeel van het College heeft verweerder gezien de omstandigheden van dit geval voorts terecht af gezien van het horen van appellante.

Het beroep dient gelet op het vorenstaand ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr C.M. Wolters, mr M.J. Kuiper en mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2002.

w.g. C.M. Wolters w.g. R.P.H. Rozenbrand