Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9067

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/732
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/732 22 januari 2002

20020

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, The Factory B.V. gevestigd te Roermond en S&F Sportorders B.V. gevestigd te Roermond, appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 29 juni 2000,

gemachtigde: mr M.F.J.J.M. Tijssen, advocaat te Roermond.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 7 juli 2000, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van zijn op 29 juni 2000 genomen beslissing op een klacht d.d. 23 november 1998 ingediend tegen C (hierna: betrokkene) door appellanten.

Bij een op 6 september 2000 bij het College ingediend beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 6 oktober 2000 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 11 december 2001. Aldaar zijn verschenen betrokkene in persoon en bijgestaan door mr T.E. van Scheijndel, advocaat te Roermond, alsmede appellant A in persoon, bijgestaan door mr. M.F.J.J.M. Tijssen die tevens de overige appellanten vertegenwoordigde.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in alle onderdelen ongegrond verklaard.

4. De middelen van beroep

Appellanten hebben - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende grieven voorgedragen.

4.1 Klachtonderdeel A: Twee heren dienen en daardoor belangen cliënt verwaarlozen.

Door betrokkene was een accountantsopdracht aangenomen voor zowel The

Factory B.V. als S & F Sportorders B.V. als voor Creation Station B.V.

Toen de verstandhouding na de aandelenoverdracht van 6 juni 1996 tussen de heren C, D en E en appellanten volledig was verstoord, heeft betrokkene zich niet uit enige accountantsopdracht teruggetrokken maar bleef hij de zaken behartigen voor beide met elkander in ruzie verkerende partijen. Betrokkene kon zich in de situatie waarin hij zich bevond niet onafhankelijk opstellen en had zich ten minste van een van zijn cliënten moeten terugtrekken.

4.2 Klachtonderdeel B: onvoldoende voorlichting en informatie aan cliënt bij verstrekkende overeenkomsten.

Bij de onder regie van betrokkene gevoerde besprekingen waarbij besloten werd de ondernemingen Vof S & F Publications en Vof Timmermans Drukkerijen in te brengen in Creation Station B.V. en vervolgens tot herverdeling van aandelen Creation Station B.V. over te gaan, zijn geen notulen noch voorbereidende stukken gemaakt waaruit blijkt dat partijen op de hoogte waren van de financiële consequenties van een en ander. Omdat betrokkene de regie aan zich trok behoorde het tot zijn taak partijen vooraf en schriftelijk, op de hoogte te stellen van de consequenties van zijn voorstellen. Het spreekt voor zich, dat appellanten enige communicatie met hun registeraccountant mogen verwachten. Zulks heeft hij echter nagelaten en zelfs achteraf kon betrokkene aan de hand van zijn eigen aantekeningen geen duidelijkheid over gemaakte afspraken geven. In de uitoefening van zijn beroep moet een registeraccountant de nodige zorgvuldigheid betrachten door duidelijke notities te maken en afspraken schriftelijk vast te leggen.

4.3 Klachtonderdeel C: verlaten van ingenomen standpunten en gemaakte afspraken.

Betrokkene heeft het standpunt ten aanzien van de acquisitievergoeding, opgenomen in zijn brief van 10 juli 1996, verlaten en heeft de inhoud van die brief niet gestand willen doen. De in die brief opgenomen acquisitievergoeding was voor A echter reden om akkoord te gaan met verkoop van 25 % van zijn aandelenkapitaal in Creation Station B.V. voor de symbolische prijs van fl. 1,--. Ten onrechte neemt de raad van tucht het standpunt in dat betrokkene de acquisitievergoeding als indicatie heeft gegeven van verrekeningen welke zouden kunnen plaatsvinden op basis van gegevens die op dat moment aan betrokkene bekend waren. Echter, op het moment dat betrokkene de brief van 10 juli 1996 opstelde, was hij ervan op de hoogte dat de deal met F in april 1996 was afgeketst. Toch heeft betrokkene de gegevens betreffende de acquisitiebijdrage verwerkt in de brief van 10 juli 1996. A acht logisch dat hij, als leek, ervan uit mag gaan dat hij mag vertrouwen op hetgeen zijn registeraccountant hem vertelt en dat hetgeen deze op papier heeft gezet waarheidsgetrouw is. In het geval dat betrokkene op 10 juli 1996 nog niet op de hoogte was van het feit dat de deal met F niet doorging, had hij het als zijn plicht moeten zien, om nadat dit feit aan hem bekend was geworden, appellanten van de desbetreffende verandering in de berekening onmiddellijk op de hoogte te brengen. Dit is niet gebeurd, waardoor appellanten nog steeds gegronde reden hebben om van de acquisitievergoeding te mogen uitgaan.

4.4 Klachtonderdeel D: achterwege gebleven/onjuiste verslaglegging, of onduidelijke verslaglegging besprekingen.

De intentieovereenkomst van 4 maart 1997, opgesteld onder regie van betrokkene, is blijven steken in algemeenheden en vaagheden welke mogelijkheid heeft geboden voor verschillende partij-interpretaties hetgeen vervolgens aanleiding gaf voor procedures. De bijeenkomsten en vergaderingen, welke werden gehouden op initiatief van betrokkene, werden geen van alle voldoende voorbereid in die zin dat een agenda en voldoende informatieve bescheiden aan die vergaderingen vooraf gingen zodat partijen vooraf inzicht hadden in wat besloten werd. Vervolgens werd nagelaten de besluitvorming eenduidig vast te leggen en in die zin tenminste meteen achteraf duidelijkheid te verschaffen omtrent het beslotene. De informatievoorziening aan appellanten bleef daarbij ver achter bij hetgeen noodzakelijk was en gerechtvaardigd werd door de omvang van de betrokken belangen.

4.5 Klachtonderdeel E: deponering jaarstukken Creation Station B.V. boekjaar 1996.

Ondanks dat betrokkene wist dat de jaarstukken over het boekjaar 1996 van Creation Station B.V. niet door A (25 % aandeelhouder) waren goedgekeurd, en dat er ook geen aandeelhoudersvergadering was geweest die aan de vereiste formaliteiten voldeed, heeft betrokkene de jaarstukken ter publicatie aangeboden aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Venlo met als datum van goedkeuring door de algemene vergadering van aandeelhouders 23 januari 1998. Ten onrechte neemt de raad van tucht het standpunt in, dat niet gebleken is dat betrokkene op de hoogte was van het formele gebrek. Appellanten vinden het vreemd en zeer zeker bezwarend dat, als zij gebruik maken van de diensten van een registeraccountant, deze niet de moeite neemt om van de betreffende gegevens (in casu het goedkeuringsbesluit van de aandeelhouders) na te gaan of aan alle vereisten is voldaan, voordat hij tot deponering overgaat. Dat de jaarstukken in een later, formeel juist bijeengeroepen vergadering ongewijzigd zijn goedgekeurd doet niet aan de klacht af, aangezien de grove nalatigheid van betrokkene zich reeds had geuit.

4.6 Klachtonderdeel F: achterwege laten afgesproken beoordelingsverklaring.

Volgens de geaccepteerde offerte van 14 februari 1996 zouden de werkzaamheden van betrokkene gericht zijn op het afgeven van een beoordelingsverklaring. In strijd daarmede, en zonder toestemming van appellanten, is zonder dat daarover nadere mededelingen zijn gedaan nimmer een beoordelingsverklaring afgegeven.

4.7 Klachtonderdeel G: onduidelijke prijsstelling ruim boven offerte.

De geaccepteerde offerte spreekt van vaste prijzen voor de accountantswerkzaamheden. Doordat de advies- en accountantswerkzaamheden door betrokkene niet apart werden geadministreerd was geen controle door appellanten op de gehanteerde tarieven mogelijk. Doordat uitsplitsing naar de verschillende vennootschappen niet heeft plaatsgevonden is niet duidelijk hoe de kosten over de verschillende ondernemingen verdeeld moeten worden.

4.8 Klachtonderdeel H: waardering aandelen Creation Station B.V.

Bij de waardering van de aandelen heeft betrokkene zonder nadere motivatie verschillende uitgangspunten gehanteerd en daarmede de kiem gelegd voor nog meer onenigheid en wantrouwen tussen partijen en ten opzichte van betrokkene. In de overeenkomst van 17 januari 1997 is een voorstel gedaan om te komen tot een waardering van de aandelen Creation Station B.V. op basis van het gemiddelde van 1 x intrinsiek + 2 x rentabiliteit: 3. De intrinsieke waarde en de rentabiliteitswaarde wordt vervolgens nog nader aangeduid. Opmerkelijk is dat betrokkene voorstelt geen rekening te houden met stille reserves met als (ondeugdelijke) motivering dat hij discussie hieromtrent wil vermijden en zo reëel mogelijke waarden in de balans wil aangeven. In de intentie-overeenkomst van 4 maart 1997 trekt betrokkene de aandelenwaardering aan zich. In de brief van 9 april 1997 berekent betrokkene vervolgens de waarde van de aandelen volgens de formule: het gemiddelde van 1 x intrinsiek + 1 x rentabiliteit: 2. Enige uitleg omtrent de reden van deze andere waardering wordt niet gegeven. De rentabiliteit wordt op nihil gewaardeerd, onder meer door het jaar 1995 - dat zeer verliesgevend was vanwege de onenigheid tussen partijen, de ondoorzichtige structuur en de hoge advieskosten van de diverse adviseurs - ongecorrigeerd mee te wegen en de winst voor het jaar 1996 te corrigeren met eenmalige herwaarderingen Machines E en Uitgaverechten Woonbeeld en Piloot en Vliegtuig. De ondoorzichtigheid van de jaarstukken 1994 tot en met 1996 waren voor appellanten redenen de aandelenwaardering van Creation Station B.V. niet van deze jaren te laten afhangen maar te baseren op de geschoonde resultaten van bijvoorbeeld de jaren 1996, 1997 en 1998 of alleen te baseren op het geschoonde resultaat van het jaar 1996, doch dit voorstel werd door betrokkene niet overgenomen.

4.9 Klachtonderdeel I: verschillen in Rekeningen Courant.

Betrokkene heeft tussen partijen verschil van mening laten bestaan over de onderlinge rekening-courantverhoudingen tussen Factory BV/S&F Sportorders B.V. en Creation Station B.V. Ofschoon betrokkene voor beide partijen de jaarstukken opstelde heeft hij nimmer de noodzakelijke duidelijkheid over deze verhouding aan partijen weten te verschaffen.

Ter zitting hebben appellanten ten aanzien van de klachtonderdelen F tot en met I verklaard dat indien appellanten niet in deze klachtonderdelen kunnen worden ontvangen omdat zij door appellanten in de procedure bij de raad van tucht zijn ingetrokken, deze klachtonderdelen ter adstructie van de overige klachtonderdelen in deze zaak dienen te worden beschouwd.

5. De beoordeling

Het College stelt allereerst vast dat, gezien de intrekking door appellanten van de klachtonderdelen F t/m I bij de raad van tucht, deze geen deel uitmaken van de bestreden beslissing. Ingevolge artikel 52 van de Wet op de Registeraccountants kan het beroep slechts betreffen de beslissing van de raad van tucht aangaande een tegen de registeraccountant gerezen bezwaar zodat bezwaren ten aanzien waarvan geen beslissing behoefde te worden genomen niet als zodanig in beroep aan het College kunnen worden voorgelegd. Het beroep is derhalve niet ontvankelijk voor zover appellanten met de klachtonderdelen F t/m I een oordeel van het College beogen te verkrijgen over de in die onderdelen aan de orde gestelde bezwaren tegen betrokkene.

5.1 Met betrekking tot klachtonderdeel A, twee heren dienen en daardoor belangen appellanten verwaarlozen, heeft de raad van tucht geoordeeld dat appellanten het verwijt van gebrek aan integriteit, onafhankelijkheid en objectiviteit onvoldoende hebben onderbouwd. Het College is van oordeel dat appellanten dit verwijt ook in beroep onvoldoende hebben onderbouwd.

Allereerst merkt het College dienaangaande op dat de stelling van appellanten dat betrokkene zich na de aandelenoverdracht van 6 juni 1996, toen de verstandhouding tussen de heren C, D en E en appellanten volledig was verstoord, zich ten onrechte niet heeft teruggetrokken uit het spanningsveld tussen Factory B.V. en S&F Sportorders B.V. enerzijds en Creation Station B.V. anderzijds, op gespannen voet staat met de door appellanten ook na 6 juni 1996 getoonde bereidheid om met hulp van betrokkene in onderling overleg tussen partijen tot een oplossing van het tussen partijen ontstane geschil te komen. Het College heeft geconstateerd dat A op 4 maart 1997, handelend voor zich in privé alsmede als rechtsgeldig bestuurder van The Factory B.V. en S&F Sportorders B.V., een door betrokkene opgestelde intentie-overeenkomst heeft ondertekend in welke overeenkomst uitdrukkelijk is vermeld dat de waarde van de over te dragen aandelen en rechten in beginsel zullen worden gewaardeerd door betrokkene. Voorts heeft A bij brief van 14 april 1997 betrokkene gecomplimenteerd voor diens "perfecte begeleiding van het gesprek met de bank". Van een bij appellanten levende opvatting dat betrokkene zich had dienen terug te trekken blijkt uit deze handelingen van A niet. Ook uit het verslag van de bespreking van 29 augustus 1997 tussen onder meer A en betrokkene blijkt dat appellanten wilden dat betrokkene verdere werkzaamheden zou verrichten. Dat de onderhandelingen uiteindelijk niet tot het door appellanten gewenste resultaat hebben geleid, vormt op zichzelf onvoldoende grond om de in het onderhavige beroep geuite twijfels aan de integriteit van betrokkene gegrond te achten.

Voorts acht het College in dit verband van belang dat betrokkene bij brief van 25 april 1997 aan A heeft geschreven:

" Zou het niet zinvoller zijn als ieder zich, desgewenst laat informeren over zijn juridische- en financiële positie in deze, en vervolgens met deze bagage een gesprek aan gaat met de andere partij, zonder deze deskundigen, teneinde een overeenstemming na te streven."

Uit voornoemd verslag van 29 augustus 1997 blijkt nogmaals dat betrokkene heeft voorgesteld dat partijen zich ieder door een extern deskundige zouden laten adviseren. Het College memoreert hierbij dat betrokkene in zijn brief van 9 april 1997 aan de raadsman van appellanten uitdrukkelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij gelet op mogelijke tegenstrijdige belangen, geen standpunt voor één der partijen zal innemen.

Dat betrokkene niet onpartijdig zou hebben gehandeld is ook overigens niet uit de stukken of het verhandelde ter zitting gebleken. Ter zitting hebben appellanten ter concretisering van hun grief uitdrukkelijk gerefereerd aan de brief van 9 april 1997 van betrokkene aan de directie en aandeelhouders van Factory B.V./S&F Sportorders B.V. en Creation Station & Partners B.V. betreffende de te verrekenen posten uit hoofde van de intentie-overeenkomst van 4 maart 1997. Uit de vermelding in deze brief van te verrekenen posten blijkt evenwel dat betrokkene ook de acquisitievergoeding waarop A recht stelt te hebben heeft betrokken. Het College kan uit de wijze waarop betrokkene zich blijkens deze brief heeft opgesteld niet afleiden dat betrokkene de belangen van appellanten achter zou hebben gesteld bij de belangen van de wederpartij van appellanten en zich aldus partijdig zou hebben opgesteld.

Appellanten hebben ter toelichting van hun opvatting dat van een partijdige opstelling wel degelijk sprake is - desgevraagd - ter zitting voorts verklaard, dat naar aanleiding van de reactie van appellanten van 24 april 1997 op evengenoemde brief van betrokkene van 9 april 1997, betrokkene weliswaar de door appellanten gewenste correctie van een aantal posten heeft doorgevoerd, maar dat hij tegelijkertijd een aantal posten ten nadele van appellanten heeft opgenomen, zoals bijvoorbeeld de - niet eerder aan de orde gestelde - afkoop van de vordering G/H.

Naar het oordeel van het College blijkt uit het enkele feit dat betrokkene ook posten ten nadele van appellanten heeft opgevoerd nog niet van de partijdigheid van betrokkene. Betrokkene heeft ter zitting verklaard dat hij slechts als intermediair heeft gefungeerd tussen de betrokken partijen en dat hij steeds naar aanleiding van de reacties van partijen omtrent al dan niet juist geachte te verrekenen posten, heeft geregistreerd wat partijen meenden te verrekenen te hebben waardoor mogelijk posten die aanvankelijk niet in het voorstel tot verrekening waren opgenomen, later werden toegevoegd. Deze verklaring van betrokkene die ook is neergelegd in de meergenoemde brief d.d. 9 april 1997 van betrokkene aan de raadsman van appellanten, komt het College niet als onaannemelijk of als onredelijk voor. Immers, appellanten hebben gesteld dat de door hen gewenste correcties door betrokkene zijn aangebracht, hetgeen erop duidt dat betrokkene zich inderdaad heeft beperkt tot het in opdracht van partijen registreren van door hen verstrekte gegevens. Het feit dat betrokkene ook door de wederpartij van appellanten gewenste correcties op de te verrekenen posten heeft aangebracht duidt naar het oordeel van het College dan ook niet op partijdigheid, doch veeleer op een ten opzichte van betrokken partijen neutrale opstelling van betrokkene. Het College acht het verwijt aan betrokkene van gebrek aan integriteit, onafhankelijkheid en objectiviteit dan ook onvoldoende onderbouwd.

Het eerste middel treft derhalve geen doel.

5.2 Evenals de raad van tucht zal het College de in het tweede en vierde middel opgeworpen klachtonderdelen B en D gezamenlijk beoordelen, omdat deze onderdelen beide het verwijt betreffen dat betrokkene geen voorbereidende stukken noch notulen heeft gemaakt van besprekingen dan wel dat door hem onjuiste of onduidelijke verslaglegging van die besprekingen heeft plaats gevonden.

Uit de stukken is het College niet gebleken dat aan betrokkene in algemene zin is opgedragen voor verslaglegging van besprekingen of van de aandeelhoudersvergaderingen zorg te dragen, of besprekingen schriftelijk voor te bereiden. Als de voorbereiding van besprekingen of de weergave van gemaakte afspraken desondanks naar het oordeel van appellanten tot de taken van betrokkene behoorden en deze taken naar hun mening door hem niet juist of onvoldoende werden uitgevoerd, had het op de weg van appellanten gelegen, om zodra zij dit bemerkten hiertegen te protesteren, althans ervoor zorg te dragen dat duidelijke afspraken met betrokkene werden gemaakt omtrent de door hem uit te voeren taken. Hiervan is het College niet gebleken. Betrokkene heeft kennelijk omdat dit zijns inziens inherent was aan de betreffende specifieke werkzaamheden een aantal stukken geproduceerd, waarin onder meer tussen partijen gemaakte afspraken werden vastgelegd. Appellanten hebben toentertijd, hoewel zij geacht worden daartoe in de gelegenheid te zijn geweest, niet aangegeven dat afspraken onjuist waren weergegeven. Het College kan dan ook niet inzien dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De stelling van appellanten dat de intentie-overeenkomst die door betrokkene is opgesteld is blijven steken in algemeenheden en vaagheden welke mogelijkheid heeft geboden voor verschillende partij-interpretaties kan in het licht van het verweer dat geen concretere afspraken werden gemaakt niet tot de gevolgtrekking leiden dat de vastlegging gebrekkig is, nog daargelaten dat appellanten bedoelde intentie-overeenkomst zonder enig voorbehoud hebben ondertekend.

Ook het tweede en vierde middel treffen derhalve geen doel.

5.3 Ten aanzien van het in het derde middel aan de orde gestelde klachtonderdeel C (verlaten van ingenomen standpunten en gemaakte afspraken) heeft de raad van tucht geoordeeld dat betrokkene in juli 1996 op verzoek van appellanten een indicatie heeft gegeven van verrekeningen, waaronder de acquisitievergoeding van fl. 110.000,--, welke zouden kunnen plaatsvinden op basis van de gegevens die op dat moment aan betrokkene bekend waren. Het College is van oordeel dat de raad van tucht terecht heeft geoordeeld dat de opstelling van de verrekening van onderlinge schuldverhoudingen neergelegd in de brief d.d. 10 juli 1996 indicatieve betekenis heeft. De zin "Uit praktische overwegingen zou dit (afwikkeling van de onderlinge rekening-courant verhoudingen) op de volgende wijze kunnen plaatsvinden" maakt duidelijk dat de berekeningen veronderstellenderwijs zijn gemaakt. Betrokkene heeft aangevoerd dat partijen na het mislukken van de overdracht aan F het uitgangspunt hadden te komen tot een ieder 25% verhouding waarbij de overige afspraken, voor zover van belang, in stand zouden blijven. Blijkens de brief d.d. 24 april 1997 van de raadsman van appellanten aan betrokkene heeft de genoemde acquisitievergoeding voor A als uitgangspunt bij de onderhandeling gediend, hetgeen bevestigt dat ook dit bedrag een veronderstelling betrof waarvan moest worden afgewacht of en in hoeverre terzake met de andere partijen overeenstemming zou worden bereikt. A heeft niet betwist dat de brief van 10 juli 1996 op zijn verzoek is opgesteld. Naar het oordeel van het College voert het standpunt van appellanten dat uit deze brief voortvloeit dat A recht zou hebben op de vermelde acquisitievergoeding, gelet op het voorgaande dan ook te ver. Aan de opvatting van A dat hij met een registeraccountant in zee is gegaan omdat hij er vanuit ging in dat geval te mogen vertrouwen op de juistheid van hetgeen deze op schrift zou stellen komt onder deze omstandigheden niet het gewicht toe dat hij daaraan, blijkens dit klachtonderdeel, wenst toe te kennen.

Het hier te beoordelen klachtonderdeel betreft het verwijt aan betrokkene dat deze het standpunt ten aanzien van de acquisitievergoeding, opgenomen in zijn brief van 10 juli 1996, heeft verlaten en de inhoud van die brief niet gestand heeft willen doen. Nu betrokkene geen partij was in de betreffende onderhandelingen maar - zoals hiervoor reeds is gezegd - een bemiddelende rol had, vermag het College niet in te zien dat het in de macht van betrokkene lag om met die op verzoek van A opgestelde brief partijen te binden. Daaruit volgt dat betrokkene evenmin in een positie verkeerde waarin van hem verlangd kon worden dat hij de inhoud van genoemde brief gestand zou doen.

Dit middel treft derhalve evenmin doel.

5.4 Ten aanzien van het middel betreffende de in klachtonderdeel E door appellanten naar voren gebrachte stelling dat betrokkene, hoewel hij wist dat de jaarstukken over het boekjaar 1996 van Creation Station B.V. niet door A waren goedgekeurd en dat er ook geen aandeelhoudersvergadering was geweest die aan de vereiste formaliteiten voldeed, de jaarstukken ter publicatie heeft aangeboden aan de Kamer van Koophandel en Fabrieken te Venlo, overweegt het College dat betrokkene ter zitting onweersproken heeft verklaard dat C hem namens de vennootschap daartoe opdracht heeft gegeven. Dat betrokkene daarop de jaarstukken ter publicatie heeft aangeboden is niet tuchtrechtelijk verwijtbaar. Dit is niet anders nu hij wist dat A bezwaar had tegen deze jaarstukken nu voor de vaststelling daarvan geen unanimiteit van de aandeelhouders was vereist en deze zonder medewerking van A konden worden vastgesteld. Evenmin is dit anders doordat nadien is gebleken dat de algemene vergadering van aandeelhouders niet rechtsgeldig bijeen was geroepen. Betrokkene behoefde hierop niet bedacht te zijn en heeft derhalve kunnen beslissen om aan het verzoek van Creation Station B.V. zonder meer te voldoen vanwege de verstrekkende gevolgen die voor een onderneming verbonden zijn aan het te laat indienen van de jaarstukken bij de Kamer van Koophandel.

Ook dit middel treft derhalve geen doel.

Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep dient te worden verworpen.

Deze beslissing is gebaseerd op titel II, paragraaf 6, Wet op de Registeraccountants en op de artikelen 5 en 9, eerste lid, van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr. J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins