Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9066

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/237
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants, geldigheid: 2002-01-22
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/237 22 januari 2002

20020

Uitspraak in de zaak van:

Het bestuur van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants, te Amsterdam, appellant, van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam, gewezen op 15 december 1999,

gemachtigde: mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 23 juni 1997, is aan A (hierna: betrokkene) een afschrift toegezonden van een uitspraak van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage, gegeven op 20 juni 1997, welke uitspraak betrekking had op betrokkene.

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het College op 22 augustus 1997, heeft betrokkene beroep ingesteld tegen voormelde beslissing van de raad van tucht te 's-Gravenhage.

Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 13 april 1999.

Bij uitspraak van 12 mei 1999 heeft het College het beroep gegrond verklaard, voornoemde beslissing van de raad van tucht te 's-Gravenhage vernietigd en de zaak verwezen naar de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht).

In de bestreden beslissing d.d. 15 december 1999, verzonden op 21 januari 2000, heeft de raad van tucht het bezwaar tegen betrokkene afgewezen.

Bij een op 20 maart 2000 bij het College ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 10 april 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Het College heeft de zaak behandeld ter terechtzitting van 13 november 2001. Appellant heeft zich ter zitting doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Voorts waren aan de zijde van appellant ter zitting aanwezig mr drs L.J. Wortel RA en mr U.E. Holdinga.

Betrokkene is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Betrokkene heeft bij brief van 13 november 2001 verzocht het onderzoek te heropenen teneinde hem de gelegenheid te geven alsnog ter zitting zijn standpunt toe te lichten.

Het College heeft dit verzoek afgewezen bij brief van 20 december 2001.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht het bezwaar tegen betrokkene dat op verzoek van appellant, ingediend bij de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage bij brief van 29 mei 1996, in behandeling is genomen, afgewezen.

3. De middelen van beroep

Als grief heeft appellant aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte heeft beslist als vermeld in paragraaf 3 van zijn beslissing op gronden als vermeld in paragraaf 2 van deze beslissing. Appellant heeft in beroep en ter zitting ter onderbouwing van dit standpunt verwezen naar hetgeen hij in de punten 3 tot en met 6 van zijn beroepschrift heeft aangevoerd. Daarin heeft hij een nadere adstructie gegeven van zijn klacht die hij beoogt in volle omvang aan het College voor te leggen. Deze betreft de handelwijze van betrokkene rondom het halfjaarbericht 1989 en de voorlopige jaarcijfers van 1989, en de vermeende schending door betrokkene van vaktechnische normen. Ter verdere adstructie van de klacht tegen betrokkene heeft appellant ter zitting - niet eerder in de procedure gebrachte - kopieën overgelegd van passages uit (ontwerp) Richtlijnen voor de jaarverslaggeving.

Voorts heeft appellant ter zitting voorgedragen de grief dat de raad van tucht in strijd met de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure gehandeld heeft door partijen niet in de gelegenheid te stellen een memorie na verwijzing in te dienen en door na te laten aan appellant vragen te stellen omtrent een eventuele nadere concretisering van de klacht.

4. De beoordeling

4.1.1 Bij de beoordeling van eerstgenoemde grief komt in de eerste plaats aan de orde of de raad van tucht in de bestreden beslissing terecht heeft geconcludeerd dat appellant heeft nagelaten het tegen betrokkene gerezen bezwaar te concretiseren en te onderbouwen, althans dit te doen op een zodanige wijze dat wordt voldaan aan de door het College genoemde criteria, zoals deze onder (2.2), tweede zin in genoemde beslissing van de raad van tucht zijn omschreven.

Het College overweegt dienaangaande het volgende.

De raad van tucht heeft bij zijn beslissing onder meer het volgende overwogen:

" 2. De beoordeling

2.1. Bij voormelde beslissing van 12 mei 1999 heeft het CBB, onder toepassing van artikel 54g Wet op de Registeraccountants, de zaak verwezen naar de Raad om haar af te doen met inachtneming van de beslissing van het College. De inhoud van deze beslissing van het CBB dient derhalve voor de Raad uitgangspunt te zijn.

2.2. (…)

Een zodanig oordeel dient - aldus het CBB - gedragen te worden door een concrete omschrijving van de relevante handelingen en de context waarbinnen die zijn verricht, een duiding van de betrokken vaktechnische normen en een uidrukkelijke motivering warom betrokkene gelet op de aard van de handelingen en de betekenis en de strekking van de betrokken vakregels, schending van artikel 5 GBR moet worden verweten.

2.3. (…)

2.4. (…)

2.5. Het NIVRA-bestuur heeft omstandig en gemotiveerd aangevoerd dat genoemde beslissing van het CBB onjuist is. (…)

2.6. De Raad dient aan de bezwaren die door het NIVRA-bestuur zijn aangevoerd tegen de beslissing van het CBB voorbij te gaan. Uit hetgeen onder (2.1.) is overwogen volgt dat het de Raad niet vrijstaat van deze beslissing af te wijken.

2.7. Het NIVRA-bestuur heeft, zich baserend enerzijds op zijn standpunt dat de beslissing van het CBB onjuist is en - in samenhang hiermede - anderzijds op door het CBB in zijn beslissing niet gevolgde jurisprudentie van de voormalige Raad van Beroep van het NIVRA waaruit naar zijn mening volgt dat het enkele oordeel van de Ondernemingskamer, dat betrokkene mede verantwoordelijk is voor het wanbeleid bij Text Lite, reeds een schending van de eer van de stand der registeraccountants oplevert, nagelaten het tegen betrokkene gerezen bezwaar te concretiseren en te onderbouwen, althans dit te doen op een zodanige wijze dat wordt voldaan aan de door het CBB genoemde criteria, zoals deze onder (2.2), tweede zin zijn omschreven.

2.8. Uit hetgeen hiervoor onder (2.7.) is overwogen, leidt de Raad af dat het NIVRA-bestuur het niet mogelijk heeft geacht het in behandeling genomen bezwaar zodanig te concretiseren en te onderbouwen dat daarop een naar het oordeel van het CBB genoegzaam gemotiveerde tuchtrechtelijke veroordeling kan volgen. Ook de Raad acht het, binnen het kader van het door het NIVRA-bestuur aan het bezwaar ten grondslag gelegde feitencomplex en tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene, niet mogelijk - met een genoegzame motivering - handelingen van betrokkene aan te wijzen die, hoewel in zijn hoedanigheid van commissaris verricht, in zodanige mate op gespannen voet staan met de eisen welke substantiële vakregels aan optreden als accountant zouden hebben gesteld dat het oordeel gerechtvaardigd is dat schade is toegebracht aan de eer van de stand der registeraccountants. Daarbij is in aanmerking genomen dat betrokkene in aanvulling op hetgeen is vermeld in de hiervoor onder (2.4.) (c) vermelde stukken zijn verweer dat van schending van substantiële vakregels en van handelen in strijd met artikel 5 GBR geen sprake is geweest, nader heeft onderbouwd met brieven van 27 en 29 maart 1999 van B, waarin deze desgevraagd een oordeel heeft gegeven over de vraag of betrokkene als commissaris in redelijkheid heeft gehandeld bij de publicatie van de half jaarcijfers 1989 van Text Lite in het licht van de door de desbetreffende accountant gemaakte opmerkingen en over de rol van betrokkene als commissaris in de gang van zaken met betrekking tot de jaarcijfers 1989 van Text Lite. De in deze brieven gegeven beoordeling, mede aan de hand van vaktechnische normen waarop het CBB klaarblijkelijk in zijn hiervoor weergegeven overwegingen het oog heeft, komt kort gezegd erop neer dat op een aantal punten verschil van inzicht tussen accountants mogelijk is, maar dat het handelen van betrokkene niet onverdedigbaar is geweest. Deze beoordeling is door het NIVRA-bestuur niet gemotiveerd betwist.

2.9. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het tegen betrokkene op verzoek van het NIVRA-bestuur in behandeling genomen bezwaar dient te worden afgewezen."

Het oordeel van de raad van tucht, neergelegd in overweging 2.6, in samenhang met overweging 2.1, van zijn beslissing en inhoudende dat bij de beoordeling van de stellingen van appellant voorbijgegaan dient te worden aan hetgeen door appellant omstandig en gemotiveerd is aangevoerd met betrekking tot de uitspraak van het College van 12 mei 1999, omdat het de raad niet vrijstaat van deze beslissing af te wijken, is als zodanig door appellant niet anders bestreden dan door verwijzing naar de eerst in beroep en ter zitting gegeven nadere adstructie van de klacht. Deze nadere adstructie doet naar het oordeel van het College evenwel niet af aan vorenbedoeld oordeel, dat het College juist acht.

Gelet op de stukken en in het bijzonder de pleitnota die de gemachtigde van appellant ter zitting van de raad van tucht op 21 oktober 1999 heeft ingediend - waarnaar hij in de thans onderhavige procedure heeft verwezen - acht het College voorts de vaststelling door de raad van tucht in overweging 2.7 dat appellant bij de raad van tucht de juistheid van de uitspraak van het College heeft betwist en, zich daarop baserende, heeft nagelaten het tegen betrokkene gerezen bezwaar te concretiseren en te onderbouwen, niet onjuist.

4.1.2 Ook overigens heeft appellant geen argumenten aangevoerd op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de in geding zijnde uitspraak van de raad van tucht niet in stand kan blijven. Het College volgt niet de stelling van appellant dat de raad van tucht in strijd met de eisen van een behoorlijke tuchtprocedure gehandeld heeft door partijen niet in de gelegenheid te stellen een memorie na verwijzing in te dienen en door na te laten vragen te stellen omtrent een eventuele nadere concretisering van de klacht. De Wet op de Registeraccountants bevat geen verplichting voor de raad van tucht om partijen gelegenheid te geven tot het nemen van een memorie na verwijzing. Dat de raad van tucht daartoe in andere gevallen wel heeft besloten maakt niet dat hierdoor voor de raad de plicht is ontstaan in alle gevallen gelegenheid te geven tot het nemen van een memorie na verwijzing.

Het College ziet voorts geen plaats voor het oordeel dat de raad van tucht op grond van de door appellant gekozen argumentatie ten onrechte heeft geconcludeerd dat appellant het niet mogelijk heeft geacht het in behandeling genomen bezwaar zodanig te concretiseren en te onderbouwen dat een naar het oordeel van het College genoegzaam gemotiveerde tuchtrechtelijke veroordeling kan volgen. Het College ziet derhalve evenmin plaats voor het oordeel dat de raad van tucht, mede gelet op diens eigen ambtshalve gegeven bevindingen ter zake van de hiervoor bedoelde mogelijkheid, in strijd met een goede procesorde heeft nagelaten aan appellant verdere gelegenheid te geven ter concretisering en onderbouwing dan, bij gelegenheid van de mondelinge behandeling, is gedaan.

4.2 Vervolgens komt aan de orde of appellant gerechtigd is eerst in het beroepschrift zijn klacht met betrekking tot betrokkene nader te concretiseren en te onderbouwen. Dienaangaande overweegt het College het volgende.

Het College heeft in zijn uitspraak van 19 mei 1999 onder meer overwogen dat in het, na het oordeel van de Ondernemingskamer geëntameerde, tuchtrechtelijk onderzoek alsnog centraal zal dienen te staan de vraag welke in het onderzoek van de Ondernemingskamer aan de orde gestelde handelingen betrokkene op grond van welke tuchtrechtelijke normen verweten moeten worden. Gelet op de aard van die alsnog te verrichten beoordeling heeft het College dat onderzoek niet zelf verricht, maar de zaak verwezen naar de raad van tucht. Een behoorlijke procesorde brengt mee dat in een geval als dit een appellant, als hij de tegen betrokkene gerezen bezwaren nader wenst te concretiseren en te onderbouwen, dit bij de raad van tucht waarnaar is verwezen behoort te doen en dat hij dat niet voor het eerst kan doen in het (tweede) beroep bij het College. Om deze reden dient hetgeen appellant eerst thans in zijn beroepschrift en ter zitting van het College ter adstructie van zijn klacht heeft aangevoerd buiten beschouwing te blijven.

Gelet op al het vorenoverwogene dient het beroep verworpen te worden.

Deze beslissing is gebaseerd op titel II, paragraaf 6, Wet op de Registeraccountants en artikel 5 van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van mr M.J. van den Broek-Prins, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 januari 2002.

w.g. B. Verwayen w.g. M.J. van den Broek-Prins