Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD9054

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-01-2002
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/124
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/124 8 januari 2002

20020

Uitspraak in de zaak van:

A, te Eindhoven, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 18 december 2000.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 21 december 2001, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van zijn op 18 december 2000 genomen beslissing op een klacht, op 17 februari 2000 ingediend tegen appellant door B (hierna: klaagster).

Bij een op 20 februari 2001 bij het College ingekomen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 14 maart 2001 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en aan appellant de maatregel van schriftelijke waarschuwing opgelegd.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 Appellant heeft in de jaarrekeningen 1997 en 1998 van Handelmaatschappij A.T.S. B.V., waarin klaagster zowel mede-aandeelhoudster als mede-bestuurder is, aan de tenaamstelling van een vordering klaagsters naam toegevoegd. In de jaarrekeningen met betrekking tot de voorgaande jaren luidde de tenaamstelling van de vordering: rekening-courant C. Laatstgenoemde is klaagsters voormalige echtgenoot; hij was mede-aandeelhouder en mede-directeur van evengenoemde vennootschap.

In de jaarrekeningen 1997 en 1998 luidde de tenaamstelling: rekening-courant D.

Op grond van de binnen de organisatie van appellant ter beschikking staande kennis omtrent de gang van zaken in het verleden bij cliënt C, mocht appellant ervan uitgaan dat de door deze cliënt uitgesproken stelling dat de privé-opnamen in het verleden uiteindelijk altijd voor de gemeenschappelijke huishouding gedaan waren, niet onaannemelijk was. Dit werd uitdrukkelijk bevestigd door de assistent van appellant die jarenlang voor cliënt C werkzaam is geweest.

De gewijzigde tenaamstelling hield een verbetering in ten opzichte van de door de vorige accountant gehanteerde tenaamstelling.

Appellant heeft geen nader onderzoek ingesteld in de vorm van het vragen van het standpunt van E, omdat dit onderzoek voor appellant geen uitkomst zou kunnen opleveren. E is bovendien nimmer bij de opstelling van de jaarrekeningen betrokken geweest.

4.2 Indien de raad van tucht de klacht op juiste gronden gegrond heeft verklaard, dan is de overtreding te ernstig ingeschat. In onderhavig geval dient geen maatregel te worden opgelegd.

5. De beoordeling

5.1 Het eerste middel richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht omtrent de door appellant in acht te nemen onpartijdigheid, zoals neergelegd in artikel 9 van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994).

Met de raad van tucht is het College van oordeel dat appellant in zijn handelwijze niet onpartijdig is geweest.

Het College hecht daarbij belang aan de omstandigheid dat betrokkene, zonder voorafgaand onderzoek te verrichten, gevolg heeft gegeven aan een eenzijdig verzoek van C tot wijziging in de jaarrekeningen 1997 en 1998 van de tenaamstelling van een vordering in de rekening-courant. In het bijzonder acht het College het aan betrokkene verwijtbaar dat hij heeft nagelaten met klaagster als mede-directeur en -aandeelhoudster, in overleg te treden omtrent het verzoek van C.

Betrokkene was op de hoogte van het feit dat klaagster en C in 1996 in een echtscheidingsprocedure verwikkeld waren. Onder die omstandigheden had betrokkene ervan doordrongen moeten zijn dat een gewijzigde tenaamstelling van een vordering in de rekening-courant in een procedure tot scheiding en deling een rol zou kunnen spelen en in het voordeel van C en in het nadeel van klaagster uitgelegd zou kunnen worden.

Het middel treft derhalve geen doel.

5.2 Het College acht de door de raad van tucht opgelegde maatregel in overeenstemming met de ernst van de door betrokkene begane overtreding van artikel 9 GBR-1994.

Het subsidiaire middel treft derhalve evenmin doel.

5.3 Aangezien geen van de door appellant aangevoerde middelen gegrond is, moet het beroep worden verworpen.

5.4 Deze beslissing berust op de artikelen 52, 53, 54 a tot en met 54 h van de Wet op de Registeraccountants en artikel 9 GBR-1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr J.A. Hagen en mr M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 januari 2002.

w.g. H.C. Cusell w.g. A.J. Medze