Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD8665

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/817
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/817 10 januari 2002

4291

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. A, te B, appellante,

tegen

het Hoofdproductschap Akkerbouw, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr O.D. van der Vliet en mr E.R. Kleijwegt, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 16 oktober 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 september 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen haar opgelegde financierings- en fondsheffingen over het jaar 1999 ongegrond verklaard.

Bij brief van 17 november 2000 heeft appellante een aanvulling gegeven op het door haar ingediende beroepschrift.

Op 21 december 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 29 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen - appellante bij monde van haar vennoot A en verweerder bij monde van zijn gemachtigden - hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de bedrijfsorganisatie bepaalt, voor zover hier van belang:

" Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn onttrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

a.(…);

g. fondsen en andere instellingen in het belang der bedrijfsgenoten.

(…)

Artikel 126

1 Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen , die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

2 (…)"

Bij artikel 2 van Verordening HPA financieringsheffing teeltaangelegenheden 1997 is bepaald dat de ondernemer, die in enig kalenderjaar een onderneming drijft, verplicht is voor dat jaar aan het hoofdproductschap een heffing te betalen.

Ingevolge artikel 11 juncto artikel 1 , sub f, van deze Verordening zijn de heffingen bestemd voor de huishoudelijke uitgaven van de Commissie Teeltaangelegenheden van verweerder.

Bij artikel 2 van de Heffingsverordening HPA fonds teeltaangelegenheden 1997 is bepaald dat de ondernemer die in enig kalenderjaar een onderneming drijft, verplicht is voor dat jaar aan het hoofdproductschap een heffing te betalen.

Ingevolge de toelichting bij deze verordening zijn de opgelegde heffingen bestemd voor de uitgaven van het Fonds teeltaangelegenheden.

Bij artikel 2 van de Heffingsverordening HPA fonds consumptieaardappelen 1997 is de ondernemer , die in enig jaar een onderneming drijft, verplicht voor dat jaar aan het Hoofdproductschap een heffing te betalen. Ingevolge de toelichting bij de verordening zijn de opgelegde heffingen bestemd voor de uitgaven van het fonds Consumptieaardappelen.

Ingevolge de artikelen 1, onder g, van voornoemde verordeningen is ondernemer de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarvoor het hoofdproductschap is ingesteld.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 30 november 1999 heeft verweerder de hiervoor omschreven financieringsheffing opgelegd tot een nettobedrag van

fl. 131,86. Bij dezelfde heffingsnota werd de hiervoor omschreven teeltfondsheffing opgelegd tot een bedrag van fl. 404,46. Tenslotte werd bij dezelfde heffingsnota de hiervoor omschreven fondsheffing opgelegd tot een bedrag van fl. 847,60.

- Tegen deze heffingsnota heeft appellante bij brief van 11 januari 2000 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante kennelijk ongegrond verklaard. Dit besluit houdt onder meer het volgende in.

" Het Nederlands Instituut voor de Afzetbevordering van Aardappelen (NIVAA) houdt zich onder meer bezig met de promotie en afzetbevordering van aardappelen en het opstellen van regels voor de aardappelteelt. Zoals reeds vermeld in de bij de nota gezonden toelichting wordt de opbrengst van de heffing niet alleen voor afzetbevordering gebruikt, maar ook voor onderzoek, bestrijding van ziekten en een klein gedeelte voor bestuurskosten.

Binnen het hoofdproductschap zijn de akkerbouwers vertegenwoordigd in de Commissie Teeltaangelegenheden en, samen met handel en industrie, in de Commissie Aardappelen. Beide commissies bepalen zowel de hoogte als de bestemming van de heffingen. De commissies zetten met de opbrengsten van de heffingen alleen die projecten op, die door de akkerbouwsector gewenst zijn.

Bij het financieren van deze collectieve sectoractiviteiten via een verplichte heffing is het directe belang voor individuele teler niet altijd duidelijk. Het gaat dan ook meer om het algemeen belang, zoals bijvoorbeeld het oplossen van teeltproblemen via onderzoek en het vergroten van de afzet door reclame in binnen- en buitenland, hetgeen ook de economische positie van elke teler ten goede komt.

Gelet op het voorgaande acht het hoofdproductschap uw bezwaar kennelijk ongegrond. Om deze reden wordt op grond van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht afgezien van een hoorzitting."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - ter ondersteuning van het beroep het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante acht het niet juist dat ook over braakgelegde grond heffing moet worden betaald. Voorts stelt zij zich op het standpunt dat afzet- en exportbevordering geen taak is voor verweerder, zodat het voor dit doel bestemde deel van de fondsheffing (de heffing ten gunste van de NIVA) ten onrechte is opgelegd. Naar de opvatting van appellante dient het voor dit doel bestemde geld te worden opgebracht door de handelshuizen, die beschikken over licenties voor monopolierassen en in verband met hun monopolie zelf de pootgoedprijzen kunnen vaststellen.

Promotie van rassen kan wel leiden tot afzetbevordering, maar dit heeft tot gevolg dat er verdringing op de markt plaatsvindt ten gunste van de monopolierassen en derhalve ten gunste van de handelshuizen. Aangezien de individuele teler van industrie- en/of consumptieaardappelen niet van een dergelijke promotie profiteert is het ook niet redelijk hem hieraan te laten meebetalen.

5. De beoordeling van het geschil

Ter zitting heeft appellante haar bezwaren tegen de heffing op braakliggend land ingetrokken. Het College zal daarom op deze grief niet ingaan.

Met betrekking tot de resterende grief overweegt het College als volgt.

Gesteld noch gebleken is dat de bestreden heffingen zijn opgelegd in strijd met de betreffende heffingsverordeningen. Dit betekent dat het bestreden besluit slechts voor vernietiging in aanmerking zou komen, indien geoordeeld moet worden dat de verordeningen, die aan deze heffingsaanslagen ten grondslag liggen, onverbindend zijn.

Voor een dergelijk oordeel acht het College geen gronden aanwezig.

Aan de stelling van appellante dat zij als teler van fabrieksaardappelen geen baat heeft bij het gedeelte van de fondsheffing dat besteed wordt aan het NIVA (dat daarvan activiteiten met betrekking tot exportbevordering financiert) moet het College - zoals in vaste jurisprudentie meermaals is overwogen - voorbijgaan, nu er geen rechtsregel valt aan te wijzen, op grond waarvan de verschuldigdheid van de heffing afhankelijk zou moeten zijn van het profijt dat de individuele ondernemer van de daarmee te financieren activiteiten heeft. Hetgeen namens appellante ter zitting is opgemerkt omtrent de bezwaren die er binnen de sector zouden bestaan tegen deze heffingsverordeningen en ook hetgeen is opgemerkt over de in de ogen van appellante dubieuze raadpleging van de betrokken ondernemers in november 1999 over deze problematiek kan - wat er ook zij van deze stellingen - evenmin leiden tot het oordeel dat betreffende heffingsverordeningen onverbindend zijn.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie sarvaas