Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD8664

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/816
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 7:12, geldigheid: 2002-01-10
Regeling EG-steunverlening akkerbouwgewassen, geldigheid: 2002-01-10
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/816 10 januari 2002

5135

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr B.T. Goerdat, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 12 oktober 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 september 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag op grond van de Regeling EG-steunverlening akkerbouw-gewassen (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 4 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 29 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen - appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde - hun standpunten hebben toegelicht.

Overeenkomstig hetgeen ter zitting is besproken heeft verweerder bij faxbericht van 18 december 2001 uiteengezet waarom in de brochure Aanvraag oppervlakten (1999) bij nagenoeg alle gewassen de mogelijkheid is opgenomen voor de bijdragecode 999 (niet voor bijdrage).

Bij op 2 januari 2002 door het College ontvangen brief heeft appellant op voormeld faxbericht gereageerd.

Vervolgens is het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 15 april 1999 heeft appellant bij de uitvoeringsdienst LASER een formulier "Aanvraag oppervlakten, algemene regeling en voederareaal" ingediend.

- In zijn aanvraag heeft appellant een totale oppervlakte zomertarwe (gewascode 234) van 15.9 ha opgegeven (de percelen 6, 8, 11 en 12) en daarbij de bijdragecode 810 (de desbetreffende bijdragecode in het kader van de vereenvoudigde regeling) vermeld.

Voorts heeft hij voor het perceel met het volgnummer 7 (oppervlakte 2.10 ha) de gewascode 667 (zwarte braak) en de bijdragecode 999 (geen bijdrage) opgegeven.

- Bij brief van 16 juni 1999 heeft LASER appellant bericht dat de door hem bij de percelen 6, 8, 11 en 12 vermelde bijdragecode is gewijzigd in 840, de bijdragecode voor zomertarwe in het kader van de algemene regeling.

- Bij besluit van 29 november 1999 is de aanvraag afgewezen omdat, kort gezegd, appellant geen braakgelegde percelen heeft opgegeven.

- Appellant heeft tegen dit besluit bij brief van 8 december 1999 bezwaar gemaakt. In het bezwaarschrift stelt appellant per abuis voor perceel 7 een onjuiste bijdragecode te hebben gebruikt, maar dat dit perceel door hem in 1999 wel degelijk is braakgelegd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" U voert aan dat u voor perceel met volgnummer 7 abusievelijk de verkeerde bijdragecode heeft ingevuld.

(…)

Artikel 9, tweede lid, aanhef en sub a, van de Regeling bepaalt dat de aanvraag oppervlakten in afwijking van het eerste lid na 15 mei kan worden gewijzigd in geval van een duidelijke fout.

(…)

Ik ben van mening, dat in uw geval geen sprake is van een duidelijke fout. Uw aanvraag is als zodanig niet onlogisch, niet onvolledig en consequent ingevuld. Het staat de producent vrij om voor een perceel - waar mogelijk - al dan niet een subsidie aan te vragen. LASER behoefde derhalve geen gerede twijfel te hebben ten aanzien van hetgeen u met uw aanvraag beoogde.

Over het besluit d.d. 29 november 1999, waarbij uw hele aanvraag is afgewezen, merk ik het volgende op.

Om voor subsidie in het kader van de algemene regeling in aanmerking te komen bepaalt artikel 16, eerste lid, van de Regeling juncto artikel 7, eerste lid van Verordening (EEG) nr. 1635/98 dat de producent 10% van de akkerbouwpercelen waarvoor hij subsidie aanvraagt en van de oppervlakte die hij braaklegt, uit productie moet nemen. Hieruit volgt dat de producent slechts een bepaalde oppervlakte uit productie moet nemen. Niet is vereist dat de producent, om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen, ook subsidie aanvraagt voor de braakpercelen.

Om voor subsidie voor akkerbouwgewassen in aanmerking te komen is vereist dat de braakpercelen aan de voorwaarden voldoen. Gebleken is dat perceel 7 aan deze voorwaarden voldoet. U komt voor 15,90 hectare zomertarwe in regio 1 in aanmerking voor subsidie.

(…)

Conclusie

Op grond van het bovenstaande verklaar ik uw bezwaarschrift gegrond in die zin dat u in aanmerking komt voor subsidie van 15,90 ha. zomertarwe in regio 1. Voor het overige verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond.

U komt niet in aanmerking voor subsidie voor het perceel met het volgnummer 7."

Naar aanleiding van de behandeling ter zitting heeft verweerder bij het op 18 december 2001 ingekomen faxbericht uiteengezet waarom in de brochure met betrekking tot de algemene regeling bij de gewascode 667 voor zwarte braak de keuzemogelijkheid wordt geboden om een perceel, waarvoor deze code is ingevuld, voor een bijdrage ingevolge de toepasselijke regelgeving (blijkend uit code 830) dan wel niet voor bijdrage (met code 999) op te geven.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft bij het invullen van het aanvraagformulier 1999 abusievelijk de brochure met betrekking tot de vereenvoudigde regeling geraadpleegd. Dit blijkt ook uit de in de aanvraag onjuist vermelde bijdragecode voor zomertarwe.

Uit het feit dat hij blijkens het door hem daarvoor gebruikte formulier een aanvraag heeft gedaan in het kader van de algemene regeling, hetgeen ook duidelijk was uit het feit dat de door hem voor subsidie in aanmerking gebrachte oppervlakte zomertarwe groter was dan de maximale oppervlakte ingevolge de vereenvoudigde regeling, kon het LASER zonder meer duidelijk zijn dat op appellant een braakverplichting rustte. Logischerwijs had het LASER dan ook duidelijk moeten zijn dat hij voor het braakgelegde perceel ook subsidie beoogde aan te vragen.

In de op 2 januari 2002 ingekomen brief heeft appellant nog opgemerkt dat perceel 7, anders dan verweerder kennelijk veronderstelt, geen zwarte maar groene braak betrof, aangezien hij deze 2,1 ha heeft ingezaaid met bladrammenas, dat vervolgens is ondergeploegd. Voorts heeft appellant in deze brief opgemerkt dat het feitelijke gebruik van dit perceel door verweerder kan worden gecontroleerd aan de hand van satellietopnamen.

5. De beoordeling van het geschil

Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat slechts volledig aan het bezwaar van appellant tegemoet kan worden gekomen - en ook voor perceel 7 subsidie kan worden toegekend - indien moet worden geoordeeld dat appellant bij het invullen van de aanvraag een kennelijke fout heeft gemaakt.

Immers alleen in dat geval is het blijkens artikel 5 bis (oud) van Verordening (EEG) nr. 3887/92 ook na afloop van de uiterste indieningsdatum mogelijk een aanvraag te wijzigen.

Zoals het College reeds eerder heeft overwogen, is slechts sprake van een klaarblijkelijke fout indien objectief vaststaat dat de aanvankelijk gedane opgave kennelijk fout was.

Dit is slechts het geval indien uit de aanvraag zelf blijkt dat de gedane opgave niet juist kan zijn.

LASER heeft blijkens de brief van 16 juni 1999 aanleiding gezien de door appellant voor de totale oppervlakte zomertarwe vermelde bijdragecode 810 (welke code hoort bij een subsidie-aanvraag voor dit gewas op grond van de vereenvoudigde regeling) te wijzigen in 840; de onder de algemene regeling tot subsidie voor dit gewas leidende bijdragecode.

Het College leidt hieruit af dat LASER kennelijk heeft geconcludeerd dat de aanvraag met betrekking tot de vermelde bijdragecode een duidelijke fout behelsde.

Aangenomen moet worden dat deze conclusie is gebaseerd op de omstandigheid dat appellant een aanvraagformulier in het kader van de algemene regeling heeft ingediend en daarbij een grotere oppervlakte subsidiabel gewas (zomertarwe) heeft opgegeven dan het maximum van de vereenvoudigde regeling, zodat hij - in weerwil van de door hem vermelde bijdragecode - kennelijk niet beoogd heeft een aanvraag te doen in het kader van laatstgenoemde regeling.

Naar het oordeel van het College mag gelet op het vorenstaande van een terzake deskundige instantie als LASER dan tevens worden verwacht, dat bij de ambtshalve wijziging van de aanvraag bij appellant zou zijn geïnformeerd of de door hem bij het braakperceel met volgnummer 7 vermelde bijdragecode '999' daadwerkelijk zijn bedoeling weergaf. Ingevolge de (door appellant ook met betrekking tot het gewas zomertarwe geraadpleegde brochure inzake de) vereenvoudigde regeling was ten tijde van belang bij de voor braak geldende gewascode immers uitsluitend bijdragecode 999 mogelijk.

Nu LASER dit heeft nagelaten, heeft verweerder bij het bestreden besluit dan ook niet, althans niet zonder meer, kunnen beslissen dat de aanvraag met betrekking tot het braakperceel geen kennelijke fout behelsde en derhalve na de uiterste indieningsdatum niet meer kan worden gewijzigd.

Het bestreden besluit komt dan ook wegens strijd met het in artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervatte vereiste van een deugdelijke motivering voor vernietiging in aanmerking.

Het beroep is derhalve gegrond.

Het College ziet voorts aanleiding voor nevenbeslissingen als in het dictum van deze uitspraak vermeld.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw op het bezwaarschrift van appellant dient te beslissen met inachtneming van hetgeen in

deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellant gemaakte proceskosten ad € 11,69 (zegge: elf euro en

negenenzestig eurocent; was fl. 25,75) en wijst de Staat der Nederlanden aan als rechtspersoon, die deze kosten

vergoeden;

- bepaalt dat de Staat der Nederlanden aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 102,10 (zegge honderdentwee

euro en tien eurocent; was fl. 225,--) vergoedt.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 januari 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. F.W. du Marchie Sarvaas