Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD8663

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/76
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/76 9 januari 2002

14860

Uitspraak in de zaak van:

de gemeente Hattem, appellante,

tegen

Gedeputeerde Staten van Overijssel, verweerders,

gemachtigde: W.A. Dijkstra.

1. De procedure

Op 27 januari 2000 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerders van 14 december 1999, verzonden 17 december 1999.

Bij dit besluit hebben verweerders het bezwaar van appellante tegen hun besluit van 3 augustus 1999 tot vaststelling van de dienstregeling 1999-2000, geldend voor de periode 22 augustus 1999 tot en met 27 mei 2000, van vervoerder Connexxion, ongegrond verklaard.

Op 23 juni 2000 is een verweerschrift ingekomen.

Op 21 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij verweerders, bij monde van hun gemachtigde, hun standpunt nader hebben toegelicht. Appellante heeft zich - met bericht - niet doen vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil en de standpunten van partijen

2.1 Het geschil heeft betrekking op de dienstregeling interlokaal vervoer 1999-2000 van vervoerder Connexxion. Deze dienstregeling geldt voor de periode van 22 augustus 1999 tot en met 27 mei 2000. Appellante kan zich niet verenigen met de hieruit voortvloeiende opheffing van lijn 97 (route Hattem-Zwolle) op zaterdag. Deze lijn loopt zowel over grondgebied van de provincie Overijssel, als over grondgebied van de provincie Gelderland. In de onderhavige procedure is de besluitvorming met betrekking tot het grondgebied van de provincie Overijssel aan de orde.

2.2 Bij uitspraak van 16 september 1999, no. AWB 99/709, heeft de president van het College een verzoek van appellante om voorlopige voorziening hangende bezwaar afgewezen. Bij uitspraak van 16 maart 2000, no. AWB 00/77, is eenzelfde verzoek hangende beroep afgewezen. Bij uitspraken van dezelfde data, nos. AWB 99/670 en AWB 00/79, zijn soortgelijke verzoeken met betrekking tot besluiten van Gedeputeerde Staten van Gelderland afgewezen.

2.3 Voor het toepasselijke wettelijk kader, voor een overzicht van de relevante feiten en omstandigheden en voor een nadere weergave van de inhoud van het bestreden besluit en de standpunten van partijen betreffende de aan de orde zijnde dienstregeling, verwijst het College naar de hiervoor, onder 2.2, genoemde uitspraken, welke zijn aangehecht.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het College dient allereerst na te gaan of appellante nog processueel belang heeft bij haar beroep, nu de bestreden dienstregeling op 27 mei 2000 is geƫindigd.

Ter zitting is van de zijde van verweerders verklaard dat appellante, hoewel daartoe de mogelijkheid bestond, bij verweerders geen bezwaar heeft gemaakt tegen de opvolgende dienstregeling, die, voorzover hier van belang, niet afwijkt van de bestreden dienstregeling. Gelet hierop en aangezien niet is gebleken dat appellante nog enig rechtens te honoreren belang heeft bij een uitspraak over de vervallen dienstregeling, dient het beroep niet-ontvankelijk te worden verklaard.

3.2 Er zijn geen termen voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 januari 2002.

w.g. D. Roemers w.g. R.H.L. Dallinga