Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD8661

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/634
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No.AWB 01/634 2 januari 2002

29010

Uitspraak in de zaak van:

Horeca Advies Buro Groningen B.V., te Groningen, appellante,

tegen

de Burgemeester van Franekeradeel, verweerder,

gemachtigde: mr I. van der Meer, werkzaam bij de gemeente Franekeradeel.

1. De procedure

Op 1 augustus 2001 heeft het College door tussenkomst van de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden een aldaar op 15 juni 2001 ingekomen beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 23 mei 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar, dat appellante mede namens A heeft gemaakt tegen het besluit van verweerder tot afwijzing van de aanvraag van voormelde A om een aanwezigheidsvergunning voor een kansspelautomaat.

Verweerder heeft bij voormelde rechtbank op 18 juli 2001 een verweerschrift ingediend.

Op 13 december 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde nader heeft toegelicht. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil.

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- A heeft bij een op 12 december 2000 bij verweerder ingekomen formulier een aanwezigheidsvergunning als bedoeld in de artikelen 30b en 30c van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) aangevraagd voor een kansspelautomaat in de door hem geëxploiteerde inrichting Chinees Indisch restaurant B (hierna mede: B), gevestigd aan C te Franeker.

- Als houder van de exploitatievergunning voor de desbetreffende automaat is appellante in de aanvraag vermeld.

- Blijkens het door haar overgelegde uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel en Fabrieken voor Groningen houdt appellante zich onder meer bezig met het exploiteren van speelautomaten.

- Bij besluit van 29 januari 2001 heeft verweerder A (hierna: A) meegedeeld dat de aanvraag is afgewezen op de grond dat B moet worden aangemerkt als een laagdrempelige inrichting en dat in een dergelijke inrichting op grond van de Wet, zoals deze sedert 1 juni 2000 luidt, geen kansspelautomaten zijn toegestaan.

- Appellante heeft bij brief van 8 februari 2001 mede namens A bezwaar gemaakt tegen voormeld besluit.

- Op 26 maart 2001 heeft de commissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (hierna: de commissie) een hoorzitting gehouden, waar de directeur/enig aandeelhouder van appellante, D, het bezwaar heeft toegelicht. De commissie heeft verweerder op dezelfde datum geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren. In het advies heeft de commissie appellante aangemerkt als gemachtigde van B.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen. Bij dit, aan appellante gerichte, besluit heeft verweerder meegedeeld dat daartegen beroep kon worden ingesteld bij de arrondissementsrechtbank te Leeuwarden.

- Appellante heeft zowel in bezwaar als in beroep een volmacht overgelegd, waarin "B" verklaart door ondertekening daarvan aan appellante volmacht te verlenen "ten einde de zaken te behartigen aangaande de problematiek vergunning speelautomaten in voornoemd restaurant te Franeker."

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift onder verwijzing naar en overneming van het advies van de commissie ongegrond verklaard.

Het advies van de commissie houdt - zakelijk samengevat - het volgende in.

Restaurant B moet worden beschouwd als één inrichting, bestaande uit een restaurant- en afhaalgedeelte. Deze delen zijn niet van elkaar afgescheiden; het publiek kan via het afhaalgedeelte het restaurant betreden en omgekeerd. Ook is geen sprake van een - van het hoogdrempelige gedeelte afgescheiden - gemeenschappelijke entree.

Op grond van het vorenstaande is de commissie onder verwijzing naar de parlementaire behandeling van de wijziging van de Wet, zoals deze op 1 juni 2000 in werking is getreden, van oordeel dat niet wordt voldaan aan het bepaalde in artikel 30c, vierde lid, van de Wet.

Nu de afhaalfunctie als laagdrempelig moet worden beschouwd, stelt de commissie zich op het standpunt dat de gehele inrichting in deze kwalificatie deelt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De kansspelautomaat staat opgesteld in het restaurantgedeelte van B; derhalve in het hoogdrempelige deel.

Het bestreden besluit is gebaseerd op jurisprudentie, die is gebaseerd op de oude wetstekst. Deze jurisprudentie moet als verouderd worden beschouwd.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt voorop dat in het beroepschrift niet is vermeld dat dit mede namens A is ingediend.

A kan dan ook niet worden aangemerkt als (mede)indiener van het beroepschrift als bedoeld in artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De omstandigheid dat appellante - onder meer - in de beroepsfase een afschrift van de hiervoor in rubriek 2 weergegeven volmacht heeft overgelegd maakt dit niet anders.

Uit deze in algemene bewoordingen gestelde volmacht kan immers niet worden geconcludeerd dat appellante bevoegd was mede namens A (B) beroep in te stellen. Van een dergelijke bedoeling aan de zijde van A is in de onderhavige procedure ook niet gebleken, waarbij het College mede in aanmerking neemt dat noch appellante noch A ter zitting is verschenen.

Nu het beroep derhalve uitsluitend is ingediend door appellante, dient allereerst de vraag te worden beantwoord of zij kan worden aangemerkt als belanghebbende, die ingevolge artikel 30v van de Wet beroep kan instellen.

Het College beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe als volgt.

Het bestreden besluit strekt gelet op de ongegrondverklaring van het bezwaar - kort gezegd - tot handhaving van de weigering aan A, in diens hoedanigheid van exploitant van de inrichting B, vergunning te verlenen tot het aanwezig mogen hebben van een kansspelautomaat in deze inrichting.

Het belang van appellante is, mede gelet op het door haar overgelegde uittreksel uit het handelsregister, uitsluitend gelegen in haar wens de in B beoogde speelautomaat te kunnen exploiteren. Zoals het College eerder heeft overwogen kan, reeds omdat in het algemeen alleen de aanvrager door - de handhaving van - een op diens aanvraag genomen negatief besluit wordt geacht rechtstreeks in zijn belang te zijn getroffen, een dergelijk belang slechts als afgeleid belang worden beschouwd.

De omstandigheid dat het bestreden besluit aan appellante is gericht maakt dit niet anders. Zoals uit het hieraan ten grondslag liggende advies van de commissie blijkt en voorts ter zitting van de zijde van verweerder is bevestigd, is dit slechts het gevolg van het feit dat verweerder en de commissie appellante op grond van het gestelde in het bezwaarschrift en de ook destijds door haar overgelegde volmacht (mede) hebben aangemerkt als gemachtigde van de rechtstreeks belanghebbende A.

Uit het vorenstaande volgt dat appellante in haar beroep niet-ontvankelijk moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Ten overvloede merkt het College nog op dat het er de schijn van heeft dat het verweerder is ontgaan dat de Wet, na de op 1 juni 2000 in werking getreden wijziging, per 1 november 2000 wederom is gewijzigd. Deze wijziging ziet met name op de definitie van het begrip 'inrichting' ingevolge de met ingang van laatstgenoemde datum eveneens gewijzigde Drank- en Horecawet.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. Th.J. van Gessel