Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2002:AD8654

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-01-2002
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/402
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/402 2 januari 2002

6021

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr G.J.M. de Jager, advocaat te Tilburg,

tegen

het Productschap Vee en Vlees, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr P.A.M. Broers, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 17 mei 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 6 april 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen het besluit van de Gezondheidsdienst voor Dieren (hierna mede: de Gezondheidsdienst) van 8 augustus 1997, waarbij aan appellant is medegedeeld dat de tot zijn bedrijf behorende nevenvestiging een apart UBN-nummer krijgt, ongegrond verklaard.

Op 13 juni 2000 heeft het College van appellant een nadere toelichting op zijn beroepschrift ontvangen.

Verweerder heeft op 3 november 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 december 2001. Hierbij hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader doen toelichten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 2 van het Besluit identificatie en registratie van dieren, (Stb. 1997, 602) luidde van 26 november 1999 tot 28 juni 2001, voor zover te dezen van belang:

" 1. Ter uitvoering van titel I van verordening 820/97 en van richtlijn 92/102/EEG wordt medewerking gevorderd van het bestuur van het Produktschap voor Vee en Vlees."

De Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998 (verder ook de Verordening) is vastgesteld door het bestuur van verweerder en in werking getreden op 1 januari 1998 (PBO-blad 1997, nr. 5). De algemene toelichting bij deze Verordening bevat de hiernavolgende passage:

" Met de uitbraak van varkenspest, begin 1997, zijn enkele bepalingen aangepast. De grote omvang van deze besmettelijke varkensziekte toonde immers aan dat niet alleen naleving van de bestaande regelgeving inzake identificatie en registratie van het grootste belang is, maar dat ook verdergaande maatregelen op dit terrein onontbeerlijk zijn voor de varkenssector in zijn geheel. Deze aanpassing hebben betrekking op het vervroegen van de merkverplichting, een eenduidiger omschrijving van het begrip vestiging en meer gedetailleerde registratie en meld verplichting ten aanzien van vervoersmiddelen."

Artikel 1 van de Verordening luidt, voorzover hier van belang:

" Artikel 1

1. In deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

b) voorzitter: de Voorzitter van het Productschap;

(…)

k) vestiging: het geheel van tot een bedrijf behorende productie-eenheden bestaande uit de op één plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen dan wel de afgescheiden gedeelten daarvan die door een keuringsarts, als bedoeld in artikel 1.1 van de Regeling handel levende dieren en levende produkten, als functionele en veterinaire eenheid voor het houden, opfokken of verzorgen van varkens in gebruik is of daartoe is bestemd;

(…)

r) UBN: het door of namens de Voorzitter aan het varkensbeslag op de vestiging uitgegeven Uniek Bedrijfsnummer;"

Artikel 1, onderdeel k, wordt in de toelichting op de Verordening als volgt toegelicht:

" De definitie van vestiging betreft een wijziging ten opzichte van de eerdere definitie. Doordat voorheen de mogelijkheid bestond op verzoek ook afgescheiden gedeelten van een bedrijf als vestiging aan te merken, maar ook bedrijven binnen de straal van 1 km werd de bestrijding van dierziekten ernstig bemoeilijkt. Hier is dan ook gekozen om aangrenzende grond en gebouwen als één vestiging te beschouwen, tenzij de RVV deze als afzonderlijke eenheid aanmerkt. Daarbij moet het gaan om een afgescheiden functionele en veterinaire eenheid. Op het vervoersdocument dient voortaan mede het RVV-erkenningsnummer te worden vermeld."

Artikel 22 van de Verordening luidt als volgt:

" De voorzitter is bevoegd om binnen het kader van richtlijn 92/102/EEG, onder door hem te stellen voorwaarden, ontheffing te het verlenen in bepaalde bij of krachtens deze verordening."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant exploiteert een varkensbedrijf in B. Het woonhuis van appellant, de vermeerderingszeugenstal en een vleesvarkensstal liggen aan de ene zijde van C op nummer D (de hoofdvestiging), terwijl een tweede vleesvarkensstal is gelegen aan de andere zijde van C op nummer E (de nevenvestiging).

- Bij brief van 8 augustus 1997 heeft de Gezondheidsdienst aan appellant medegedeeld dat de nevenvestiging van het bedrijf een apart UBN-nummer zal krijgen.

- Op 9 september 1997 heeft de Gezondheidsdienst aan appellant onder meer medegedeeld dat de ontbinding van het samengevoegde bedrijf van appellant per 29 september 1997 effectief wordt en dat vanaf die datum I&R-melding volgens de nieuwe bedrijfsindeling noodzakelijk is.

- Bij brief van 18 september 1997, door de Gezondheidsdienst ontvangen op 19 september 1997, heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Op 21 januari 1998 heeft het Landbouwschap de bezwaren van appellant ongegrond verklaard.

- Het College heeft op 1 december 1999 (AWB 98/178) uitspraak gedaan op het door appellant tegen deze beslissing van het Landbouwschap gerichte beroep. Hierbij is het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en is de Voorzitter van verweerder opgedragen om opnieuw op het bezwaar van appellant te beslissen.

- Op 21 januari 2000 is appellant gehoord.

- Vervolgens heeft de Voorzitter van verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in.

" Ingevolge de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998 van het productschap wordt onder UBN verstaan: "het door of namens de Voorzitter aan het varkensbeslag op de vestiging uitgegeven Uniek Bedrijfsnummer". In bovengenoemde verordening is het begrip "vestiging" gedefinieerd als "het geheel van tot een bedrijf behorende productie-eenheden bestaande uit de op één plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen dan wel de afgescheiden gedeelten daarvan die door een keuringsarts, als bedoeld in artikel 1.1. van de Regeling handel levende dieren en levende producten, als functionele en veterinaire eenheid voor het houden, opfokken of verzorgen van varkens in gebruik is of daartoe bestemd is".

Uit de hiervoor aangehaalde regelgeving blijkt dat per vestiging slechts één UBN wordt toegekend en dat er bij de beoordeling of aan één of meerdere locaties één UBN kan worden toegekend, sprake moet zijn van één vestiging in de zin van de verordening. Daarvoor is bepalend of is voldaan aan het criterium van "op één plaats gelegen aangrenzende percelen grond en gebouwen". Uit dit criterium vloeit voort dat beide percelen op één plaats gelegen en aangrenzend dienen te zijn.

Uit de plattegrond en de daarbij gegeven toelichting blijkt het volgende. Aan de ene zijde van C op nr. D zijn een woonhuis, een vermeerderingszeugenstal en een vleesvarkensstal met 450 vleesvarkens van A gelegen. Tegenover deze locatie, aan de andere kant van deze openbare weg bevindt zich nog een ander deel van het bedrijf zijnde een vleesvarkensstal met 300 vleesvarkens. Uit de aldus bestaande situaties blijkt dat beide delen van het bedrijf elk op een afzonderlijk perceel zijn gelegen en dat deze percelen niet aangrenzend zijn nu deze zijn gescheiden door een openbare weg. De door u aangevoerde argumenten kunnen daarin geen verandering brengen en hebben dus niet tot gevolg dat beide percelen daarmee aangrenzend zijn. Daarmee komt de vraag of de beide locaties op één plaats gelegen zijn niet aan de orde. Het productschap is dan ook van mening dat beide locaties reeds op grond van het niet aangrenzend zijn van beide percelen, niet als één vestiging als bedoeld in de Verordening Identificatie en Registratie Varkens 1998 zijn aan te merken.

In de verordening is voor deze wijze gekozen nadat bij de varkenspestbestrijding is gebleken dat wanneer meerdere vestigingen onder één UBN bestaan, dit de bestrijding van de varkenspest ernstig bemoeilijkt en vertraagt. Het niet meer mogen bijladen van varkens en/of het verplaatsen van zieke varkens is vanuit veterinair oogpunt noodzakelijk.

Het productschap realiseert zich dat dit hogere kosten met zich meebrengt voor het bedrijf van A, maar is echter, gelet op de betekenis van deze maatregel in het kader van het voorkomen en bestrijden van dierziekten, van oordeel dat dit vanuit een oogpunt van algemeen belang zwaarder dient te wegen dan de hiermee gepaard gaande individuele nadelen.

Het door u aangevoerde bezwaar dan A zijn dieren door een transporteur over de weg moet laten verplaatsen gold echter alleen tijdens de varkenspest. De eigenaar mag nu wel zelf zijn dieren transporteren hetgeen door A tijdens de hoorzitting ook is bevestigd.

Gezien het voorgaande verklaar ik het bezwaar ongegrond en handhaaf ik de beslissing van de GD van 8 augustus 1997."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Toekenning van twee UBN-nummers aan het bedrijf van appellant leidt voor appellant tot problemen. Zo mogen wel biggen over de weg worden vervoerd naar de nevenvestiging aan C nr. E, maar mogen van daaruit geen varkens worden terug vervoerd naar de hoofdvestiging aan C nr. D. Varkens van beide locaties mogen niet meer tegelijkertijd met dezelfde vrachtwagens worden afgevoerd. Dit laatste levert naar de mening van appellant grote veterinaire risico's op, doordat meer vervoersbewegingen moeten worden gemaakt.

Zieke varkens en restvarkens kunnen niet meer van de (voormalige) nevenvestiging naar de hoofdvestiging worden vervoerd om daar verzorgd te worden, hetgeen voor appellant een kostenverhogend effect heeft. Eveneens kostenverhogend is dat voor beide vestigingen gezondheids- en kwaliteitscertificaten vereist zijn.

Toekenning van één UBN-nummer leidt - anders dan verweerder meent - niet tot een hoger veterinair risico. De toegangen tot beide vestigingen liggen tegenover elkaar, zodat de weg slechts behoeft te worden overgestoken. Vervoer over de weg over een langere afstand is niet nodig. Daarbij komt dat de gemeente B het bedrijf van appellant als een bedrijfslocatie beschouwt, waarvoor maar één milieuvergunning is vereist.

Appellant acht het bestreden besluit van verweerder strijdig met het evenredigheidsbeginsel. De voor appellant negatieve gevolgen van het bestreden besluit zijn onevenredig in verhouding tot de met het besluit te dienen doelen.

Bij bedrijven die meerdere naast elkaar gelegen locaties/bedrijfsgebouwen hebben wordt volstaan met toekenning van één UBN-nummer, terwijl het bedrijf van appellant - enkel omdat de bedrijfsgebouwen aan weerszijden van de weg zijn gelegen - wordt gesplitst. Hierdoor ontstaat naar de mening van appellant een ongelijke situatie.

De Voorzitter van verweerder had in casu toepassing moeten geven aan artikel 22 van de Verordening. Dit artikel geeft de Voorzitter de bevoegdheid om ontheffing te verlenen van het bij of krachtens de Verordening bepaalde. Nu geen ontheffing is verleend, is gehandeld in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel.

Tevens acht appellant strijd met het motiveringsbeginsel aanwezig.

5. De beoordeling van het geschil

Partijen verschillen van mening over de vraag of verweerder terecht aan de aan beide zijden van C door appellant geëxploiteerde locaties twee aparte UBN-nummers heeft toegekend. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

De Verordening behelst een aanpassing van het regime ten opzichte van de voorgaande regeling, samenhangend met de uitbraak van varkenspest in 1997. In dit verband wordt blijkens de toelichting op de Verordening het begrip vestiging eenduidiger dan voorheen omschreven in artikel 1, aanhef en onder k.

Het College deelt het oordeel van verweerder dat geen sprake is van aangrenzende percelen grond en gebouwen als bedoeld in dit artikelonderdeel, indien - zoals het geval is - de beide bedrijfsgedeelten worden doorsneden door een openbare weg. Derhalve is sprake van twee afzonderlijke vestigingen. Dit brengt voor appellant noodzakelijkerwijs de toekenning van twee aparte UBN nummers mee.

Naar het oordeel van het College behoefde verweerder - wat er ook zij van de wijze waarop door de Voorzitter van verweerder ten algemene uitvoering wordt gegeven aan de op grond van artikel 22 van de Verordening bestaande ontheffingsbevoegdheid - in het licht van de omstandigheden van dit geval en bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid geen aanleiding te vinden om appellant een ontheffing te verlenen.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat geen sprake is van strijd met het evenredigheidsbeginsel, noch met het zorgvuldigheidsbeginsel of met het motiveringsbeginsel. Evenmin is gebleken van strijd met enige hogere rechtsregel.

Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham, mr W.E. Doolaard en mr F.W. du Marchie Sarvaas in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 januari 2002.

w.g. M.A. van der Ham w.g. Th.J. van Gessel