Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD9053

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
08-02-2002
Zaaknummer
AWB 00/391
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet op de Registeraccountants
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No.AWB 00/391 11 december 2001

20020

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellante van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: de raad van tucht), gewezen op 13 maart 2000.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 15 maart 2000, heeft de raad van tucht appellante afschrift toegezonden van zijn op 13 maart 2000 genomen beslissing op een door appellante op

26 maart 1999 ingediende klacht tegen B, registeraccountant te Y (hierna: betrokkene).

Bij een op 11 mei 2000 ingediend beroepschrift heeft appellante tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 14 juni 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Betrokkene heeft bij brief van 8 september 2000 gereageerd op het door appellante in beroep gestelde.

Bij brief van 20 september 2000 heeft appellante enige nadere stukken in het geding gebracht.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 30 oktober 2001. Appellante is, zoals zij bij brief van 17 oktober 2001 heeft aangekondigd, niet verschenen. Betrokkene is ter zitting in persoon verschenen.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals die zijn vastgesteld in de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen die vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De oorspronkelijke klacht

De klacht behelst dat betrokkene:

a. geen behoorlijke specificatie heeft verstrekt betreffende de facturen over de jaren 1997 en 1998;

b. nadat de opdracht beëindigd was, de administratie niet heeft doorgegeven aan de opvolgende accountant.

4. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht in beide onderdelen ongegrond verklaard.

5. De middelen van beroep

Appellante heeft - samengevat en voor zover hier van belang - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

De meer- en minderwerkzaamheden in 1997 zijn onvoldoende gespecificeerd. Onduidelijk is welke kosten bij welke posten horen.

In 1998 zijn teveel manuren in rekening gebracht voor besprekingen over een eventuele bedrijfsovername door de zoon van de vennoten van appellante.

Door de gebrekkige overdracht aan de opvolgend accountant heeft deze extra werkzaamheden moeten verrichten en extra kosten moeten maken.

6. Het standpunt van betrokkene

Betrokkene heeft zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. Ter zitting heeft hij verklaard dat hij zal afzien van de invordering van de nog openstaande facturen.

7. De beoordeling

7.1 Zoals het College al eerder heeft overwogen (uitspraak van 17 april 2001, AWB 99/933, op internet te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AB1496) kan in het kader van een tuchtrechtelijke procedure over de hoogte van declaraties alleen met vrucht worden geklaagd, indien betrokkene bij het opstellen en indienen van declaraties zodanig in strijd met de van hem te verlangen zorgvuldigheid heeft gehandeld, dat daardoor de eer van de stand van de registeraccountants is geschaad of anderszins is gehandeld in strijd met de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994). Weliswaar heeft appellante in de procedure bij de raad van tucht een grote hoeveelheid bescheiden inzake verrichtingen van betrokkene en door hem in rekening gebrachte bedragen naar voren gebracht, doch het College is niet tot het oordeel kunnen komen dat de door appellante gewraakte handelwijze van betrokkene, afgemeten aan voormelde maatstaf, als laakbaar in tuchtrechtelijke zin kan worden aangemerkt. Aan de hand van de door appellante in het onderhavige geding overgelegde stukken heeft het College niet kunnen vaststellen dat betrokkene declaraties heeft verzonden ter zake van niet verrichte of overbodige werkzaamheden. Het College neemt bij haar oordeel voorts in aanmerking dat is gebleken dat betrokkene niet heeft volstaan met het sturen van specificaties, maar dat hij ervoor heeft gezorgd dat deze specificaties ook enkele malen mondeling zijn toegelicht.

Het College overweegt tevens dat het in deze tuchtprocedure slechts uitspraak kan doen over een eventueel tuchtrechtelijk laakbaar handelen. Het College is niet bevoegd bindende uitspraken te doen over de hoogte van facturen. Daartoe zijn uitsluitend bevoegd de Raad voor Geschillen van het Nederlands Instituut van Registeraccountants (NIVRA) en de burgerlijke rechter.

7.2 Omtrent de gestelde gebrekkige overdracht van de administratie aan de opvolgende accountant overweegt het College als volgt. Betrokkene heeft gesteld dat de overdracht van de financiële administratie van appellante direct na verzoek van appellante heeft plaatsgevonden, waarbij ook het grootboek en dergelijke zijn overhandigd, maar dat de door betrokkene zelf en zijn kantoor geproduceerde stukken met betrekking tot de loonadministratie over 1998 niet zijn overgedragen, aangezien appellante nog niet alle openstaande rekeningen had voldaan.

Appellante heeft deze stellingen niet bestreden, zodat het College van de juistheid daarvan zal uitgaan. In het licht daarvan kan het College geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door betrokkene vaststellen.

7.3 Op grond van het vorenstaande moet worden geoordeeld dat de raad van tucht de klacht terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard.

Het beroep dient derhalve te worden verworpen en de bestreden tuchtbeslissing kan in stand blijven.

Na te melden beslissing berust op de artikelen 52, 53, 54a tot en met g van de Wet op de Registeraccountants en artikel 5 van de GBR-1994.

8. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr J.A. Hagen en dr B. Hessel in tegenwoordigheid van mr B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen