Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8777

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
01-02-2002
Zaaknummer
AWB 01/117
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren 2, 3 en 3a
Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 17
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

No. AWB 01/117 27 december 2001

20310

Uitspraak in de zaak van:

A, te Kootwijkerbroek, appellante van een op 25 oktober 2000, onder nummer TS 23/2000 tegen hem gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten (hierna: het Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie van het College op 14 februari 2001, heeft appellante beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellante ter kennis is gebracht bij aangetekende brief van 2 februari 2001.

De secretaris van het Tuchtgerecht heeft het College bij brieven van 7 maart 2001 en 30 mei 2001 de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 8 november 2001.

Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door J.A.M. Knoben, directeur van de Stichting Controlebureau voor Pluimvee, Eieren en Eiproducten.

Voor appellante is ter zitting verschenen B, maat van de maatschap.

2. De grondslag van het geschil

In de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie (hierna: de Wet) is onder meer als volgt bepaald:

"Art. 17. Het beroep kan worden ingesteld ter zake dat:

(…)

d. het tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel of maatregelen heeft kunnen komen."

In Verordening (EEG) nr. 1274/91 van de Commissie van 15 mei 1991 houdende bepalingen ter toepassing van Verordening (EEG) nr. 1970/90 van de Raad betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren is onder meer het volgende bepaald:

" BIJLAGE II

Minimumvoorwaarden waaraan de bedrijven die de in artikel 18, lid 1, onder a), b), c) en d), bedoelde eieren produceren, moeten voldoen:

(…)

b) Eieren in kleine verpakkingen waarop de vermelding "Eieren van hennen met vrije uitloop" is aangebracht, moeten afkomstig zijn van bedrijven waar

- de hennen de gehele dag door over een uitloop in de open lucht beschikken,

(…)"

In het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren is onder meer als volgt bepaald:

" Art. 2. -1. Op kleine verpakkingen met eieren van klasse A mag, ter aanduiding van de produktiemethode, een van de volgende vermeldingen worden aangebracht:

(…)

b. eieren van hennen met vrije uitloop;

(…)

-2. Het is, bij het verhandelen van eieren, verboden op of bij eieren dan wel op of bij de verpakking ervan:

a. de vermeldingen als bedoeld in het eerste lid aan te brengen of te bezigen, tenzij met betrekking tot deze eieren is voldaan aan het bij of krachtens de artikelen 3 en 4 van dit besluit bepaalde;

(…)

Art. 3. -1. Onze Minister stelt voor eieren, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, regelen met betrekking tot:

(…)

b. de inrichting en het gebruik van de ruimte bestemd voor de kippen, die deze eieren voortbrengen;

(…)

Art. 3a. -1. Onze Minister kan bepalen dat de in artikel 3, eerste lid, bedoelde regelen bij verordening worden gesteld door het bestuur van het produktschap."

In de Verordening Eieren van hennen met vrije uitloop 1990 (Produktschap voor Pluimvee en Eieren), hierna: de verordening, is onder meer als volgt bepaald:

" Artikel 2

Bij het verhandelen van eieren is het verboden op of bij eieren dan wel op of bij de verpakking ervan de aanduiding "Eieren van hennen met vrije uitloop" aan te brengen of te bezigen, tenzij met betrekking tot deze eieren is voldaan aan de bepalingen van deze verordening.

Artikel 3

Eieren, als bedoeld in artikel 2, moeten afkomstig zijn van bedrijven waar:

a. de kippen de gehele dag door over een uitloop in de open lucht beschikken;

(…)"

3. De bestreden tuchtbeschikking

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht appellante bij wege van tuchtrechtelijke maatregel een geldboete opgelegd van fl. 1500,--.

Ter zake van de gronden waarop de bestreden tuchtbeschikking berust, wordt kortheidshalve verwezen naar de inhoud van die beschikking, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

4. De middelen van beroep

Appellante heeft - samengevat - tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen voorgedragen.

4.1 Appellante heeft geen oproeping gehad om ter terechtzitting van het Tuchtgerecht te verschijnen.

4.2 Appellante heeft vijf jaar geleden bij de start van haar bedrijf aan de toen aanwezige controleur gevraagd op welk tijdstip de hennen naar buiten moesten. Geantwoord werd dat het goed was als de luiken na de middag open gaan.

Aangezien appellante later nimmer te horen heeft gekregen dat de luiken om 11.00 uur open moesten, heeft zij dit immer te goeder trouw om 13.00 uur gedaan. De hennen van appellante kunnen vervolgens tot zonsondergang beschikken over een vrije uitloop.

4.3 Appellante acht de opgelegde boete te hoog. Weliswaar is appellante reeds eerder, in juni 2000, veroordeeld, echter deze veroordeling betrof een ander feit. Bovendien was die veroordeling ten dele onterecht.

In die omstandigheden was het gebruikelijk geweest wanneer thans een waarschuwing was gegeven.

5. De beoordeling

5.1 Het College kan de juistheid van appellantes stelling dat zij de uitnodiging voor de zitting van het Tuchtgerecht niet heeft ontvangen in het midden laten, nu zij ter zitting de voorkeur heeft uitgesproken voor een inhoudelijke uitspraak van het College.

5.2 Het College stelt vast dat het Tuchtgerecht bij het opleggen van de geldboete van fl. 1500,-- mee heeft laten wegen dat appellante eerdere veroordelingen heeft gehad.

Uit de bij de gedingstukken aanwezige recidivestaat blijkt daarentegen dat appellante slechts eenmaal eerder is veroordeeld op grond van overtreding van artikel 2, lid 2, van het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren.

Het College is van oordeel dat, gezien de tegenstrijdigheid tussen de tuchtbeschikking en genoemde recidivestaat, de bestreden tuchtbeschikking de rechterlijke toetsing niet kan doorstaan. Immers, een dergelijke tegenstrijdigheid impliceert dat hier van toepassing is de beroepsgrond, genoemd in artikel 17, onder d, van de Wet, in dier voege dat het Tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen.

Het bovenstaande heeft tot gevolg dat het beroep gegrond is. De tuchtbeschikking zal derhalve vernietigd worden.

Het College ziet termen om de zaak zelf af te doen.

5.3 Ter zitting heeft J.A.M. Knoben, voornoemd, onder meer verklaard dat het wettelijke vereiste dat de hennen de gehele dag door over een vrije uitloop in de open lucht moeten beschikken door het Controlebureau als volgt wordt uitgelegd. Ten eerste wordt onder "de gehele dag" niet de nacht begrepen. Zouden de hennen 24 uur per dag, dus ook gedurende de nacht, over een vrije uitloop beschikken, dan zouden, aldus de heer Knoben, de hennen ten prooi kunnen vallen aan hun natuurlijke vijanden. Voorts is het praktisch gezien niet wenselijk de luiken in de vroege ochtend al open te doen, aangezien een hen juist dan activiteiten ontplooit als eten, leggen en mesten. Deze activiteiten dienen bij voorkeur in het hok plaats te vinden. Om deze redenen wordt door het Controlebureau vóór 11.00 uur niet gecontroleerd op naleving van de betrokken bepaling. Het is echter strijdig met de regelgeving om de luiken pas na de middag open te doen.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Het uitgangspunt in zowel de europese als nationale regelgeving is dat de hennen de gehele dag over een vrije uitloop moeten kunnen beschikken.

Vast staat dat tijdens twee controles de luiken van het pluimveebedrijf van appellante op of omstreeks 12.35 uur niet geopend waren.

Gezien hetgeen de heer Knoben ter zitting naar voren heeft gebracht omtrent de uitleg van het begrip "de gehele dag", in verband waarmee het Controlebureau niet voor 11.00 uur handhavend optreedt, acht het College 12.35 uur niet een zodanig tijdstip dat redelijkerwijs niet van de pluimveehouder verlangd kan worden de luiken geopend te hebben. Ook naar het oordeel van het College staat vast en is bewezen de overtreding door appellante van artikel 2 lid 2 van het Landbouwkwaliteitsbesluit Scharreleieren in samenhang met artikel 3 lid 1 van dat besluit.

Op grond van het voorgaande rechtvaardigt het feit dat appellante, voorafgaand aan onderhavige veroordeling, eenmaal eerder is veroordeeld voor overtreding van het bepaalde in artikel 2, lid 2, van het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren de oplegging van een geldboete van fl. 1000,--.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op het bepaalde in de Verordening Eieren van hennen met vrije uitloop 1990 (Produktschap voor Pluimvee en Eieren) alsmede de artikelen 17, 28 en 29 van de Wet.

Derhalve wordt als volgt beslist.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden tuchtbeschikking;

- bepaalt dat is bewezen dat appellante artikel 2, lid 2, van het Landbouwkwaliteitsbesluit scharreleieren heeft overtreden;

- besluit tot oplegging aan appellante van een geldboete van fl. 1000,-- (zegge: duizend gulden).

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. A.J. Medze