Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8645

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-12-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 01/422
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/422 28 december 2001

20010

Uitspraak in de zaak van:

A, te X, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 5 april 2001.

1. De procedure

Bij brief van 22 mei 2000 heeft appellant bij de raad van tucht een klacht ingediend tegen B, kantoorhoudende te Y (hierna: betrokkene).

Bij beslissing van 5 april 2001 heeft de raad van tucht deze klacht ongegrond verklaard.

Bij brief van 28 mei 2001, ingekomen ter griffie van het College op 29 mei 2001, heeft appellant beroep ingesteld tegen genoemde beslissing van de raad van tucht.

Bij brief van 5 juni 2001 heeft de secretaris van de raad van tucht de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 20 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Appellant is in persoon verschenen. Betrokkene heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr F. Waardenburg, advocaat te Rotterdam.

2. De vaststaande feiten

Het College gaat uit van de feiten zoals vastgesteld in rubriek 3 van de bestreden beslissing van de raad van tucht, nu tegen deze vaststelling geen grieven zijn aangevoerd.

3. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeslissing, die aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd, heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

4. De middelen van beroep

Appellant heeft, zakelijk weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de volgende middelen van beroep voorgedragen.

Ten onrechte heeft de raad van tucht geoordeeld dat betrokkene geen verwijt treft ter zake van het feit dat in het jaarverslag 1999 van P geen melding wordt gemaakt van een tegen P ingediende claim ter hoogte van fl. 7.000.000.000,-- (€ 3.176.461.513). De raad van tucht heeft betrokkene ten onrechte niet aangerekend dat de in dit jaarverslag opgenomen algemene passage over claims de lezer zand in de ogen strooit.

5. De beoordeling

Het College stelt allereerst vast dat de klacht geen betrekking heeft op een optreden van betrokkene als (openbaar) accountant, maar op zijn gestelde handelen als voorzitter van de raad van bestuur van P. Zoals de raad van tucht terecht heeft overwogen, impliceert dit dat slechts ter beoordeling staat of betrokkene artikel 5 van de Verordening Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR 1994) heeft overtreden.

Vaststaat dat de door appellant genoemde claim tegen KPMG is ingediend in het jaar 2000. Ten algemene geldt - kort gezegd - dat gebeurtenissen na balansdatum slechts onder bijzondere omstandigheden vermelding behoeven in de jaarrekening.

Het College stelt vast dat de door appellant gewraakte passage uit het jaarverslag 1999 van P geen informatie bevat die, bezien in het licht van de door appellant aan de orde gestelde claim, voor onjuist dient te worden gehouden. In deze passage valt onder meer te lezen dat, indien P zulks noodzakelijk acht, voorzieningen worden gevormd voor het verschil tussen een eventuele aanspraak en de daarmee verband houdende verzekeringsuitkering. Dat betrokkene niet betwist dat de verzekeringsuitkering aan P ontoereikend is om de claim te dekken indien deze volledig zou worden gehonoreerd, impliceert niet dat de bewuste passage uit het jaarverslag onjuist is te achten. In dit verband is van belang dat betrokkene heeft aangegeven dat ter zake van de kans van slagen van deze claim externe deskundigen zijn geraadpleegd en dat de controlerend accountant heeft ingestemd met de gewraakte passage uit het jaarverslag.

Appellant heeft geen feiten of omstandigheden naar voren gebracht die, bezien in het licht van de door hem genoemde claim, het College leiden tot het oordeel dat de raad van tucht ten onrechte heeft beslist dat het hierover in het jaarverslag 1999 van P gestelde grond vormt voor tuchtrechtelijk ingrijpen. In hoeverre betrokkene verantwoordelijk is voor dit jaarverslag, behoeft derhalve geen beoordeling.

Uit het vorenstaande volgt dat de door appellant voorgedragen middelen van beroep geen doel treffen.

Onderstaande beslissing berust op titel II van de Wet op de Registeraccountants en op artikel 5 GBR 1994.

6. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr drs M.A. Fierstra en prof dr B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 december 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen