Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8604

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
30-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/293
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/293 27 december 2001

26100

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr E. Meijer, advocaat te Den Haag,

tegen

de Regionale Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie Haaglanden, verweerster,

gemachtigde: R.K. Nai Chung Tong, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Bij faxbericht van 4 april 2000 heeft appellant beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 22 februari 2000.

Bij dit besluit heeft verweerster beslist op het bezwaarschrift dat appellant had ingediend tegen het besluit van 17 februari 2000, waarbij is geweigerd appellant in te schrijven als werkzoekende.

Op 25 mei 2000 heeft appellant de gronden van zijn beroep uiteengezet.

Verweerster heeft onder overlegging van de op de zaak betrekking hebbende stukken onder dagtekening 15 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2001. Bij die gelegenheid hebben partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij artikel 69, eerste lid, van de Arbeidsvoorzieningswet 1996 (hierna: de Wet) - voorheen artikel 61 van de Arbeidsvoorzieningswet -, is voor zover hier van belang, bepaald dat het recht zich als werkzoekende door de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te laten registreren toekomt aan:

" (…)

c. vreemdelingen die beschikken over een krachtens de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning, welke is voorzien van een aantekening van Onze Minister van Justitie waaruit blijkt dat aan die vergunning geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid;

d. vreemdelingen die behoren tot een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen categorie.

(…)"

Bij Koninklijk besluit van 23 augustus 1994, Stb. 407, is vastgesteld een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in artikel 61, eerste lid, aanhef en onder d van de Arbeidsvoorzieningswet (hierna: het Besluit), waarin het recht op registratie als werkzoekende tevens wordt toegekend aan een vreemdeling die beschikt over een krachtens artikel 9 van de Vreemdelingenwet afgegeven vergunning tot verblijf voor het verrichten van arbeid en die onvrijwillig werkloos is.

Ingevolge artikel 7 van de Invoeringswet Arbeidsvoorzieningswet 1996 berust evenbedoelde algemene maatregel van bestuur met ingang van de inwerkingtreding van de Wet op artikel 69, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wet.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 8 februari 2000 heeft verweerster geweigerd appellant, die de Marokkaanse nationaliteit bezit, in te schrijven als werkzoekende op de grond dat appellant niet in het bezit is van een geldige vergunning tot verblijf, waaraan geen beperkingen zijn verbonden voor het verrichten van arbeid.

- Tegen dit besluit heeft appellant een bezwaarschrift ingediend.

- Bij het thans bestreden besluit heeft verweerster het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, waartoe onder meer het volgende is overwogen:

" Verzoeker bezit de Marokkaanse nationaliteit.

Verzoeker behoort derhalve niet tot de categorie werkzoekenden, als vermeld in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Arbeidsvoorzieningswet.

Voorts wordt als volgt overwogen.

Verzoeker behoort niet tot de categorie personen, als bedoeld in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder c, van de Arbeidsvoorzieningswet; evenmin behoort verzoeker tot de categorie van personen als bedoeld in de Algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 69, eerste lid, aanhef en onder d, van de Arbeidsvoorzieningswet 1969.

Uit telefonisch ingewonnen informatie van de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) van het Ministerie van Justitie is gebleken, dat op het moment van een verzoek tot registratie niet in bezit is van een voor arbeid geldige vergunning tot verblijf. Mitsdien kan verzoeker geen aanspraak maken op arbeidsbemiddeling en tewerkstelling in Nederland. De omstandigheid dat het kennelijk verzoeker is toegestaan de procedure ter verkrijging van een vergunning tot verblijf in Nederland af te wachten, doet aan het bovenstaande niet af.

(…)"

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het Besluit, dat is gebaseerd op het in casu van toepassing zijnde onderdeel d. van het eerste lid van artikel 69 van de Wet, voegt in wezen een nieuwe rechtsgrond toe voor het onthouden van een uitkering krachtens de Werkloosheidswet, te weten het zich in Nederland bevinden zonder rechtsgeldige verblijfsvergunning. Immers, op grond van het Besluit is inschrijving als werkzoekende onmogelijk, zodat een vreemdeling, wiens verblijfsvergunning van rechtswege is verlopen en die om verlenging hiervan heeft verzocht, van rechtswege niet kan voldoen aan één van de voorwaarden voor het verkrijgen van een uitkering op grond van de Werkloosheid, namelijk: het ingeschreven staan als werkzoekende. In het Besluit had deze categorie vreemdelingen dan ook moeten worden opgenomen. Nu dit niet is gebeurd en de Werkloosheidswet niet de mogelijkheid biedt om het recht op uitkering bij een amvb als de onderhavige nog verder te beperken dan al bij die wet is geschied, is het Besluit onverbindend.

Wat betreft onderdeel c. van evengenoemd artikellid moet onderscheid worden gemaakt tussen vreemdelingen die een verblijfstitel hebben, vreemdelingen die geen enkele verblijfsstatus hebben en vreemdelingen die, zoals appellant, tijdig een verzoek om verlenging van hun verblijfsvergunning hebben ingediend, waarop niet tijdig is beslist. De laatste categorie is gelijk te stellen met de als eerste genoemde categorie vreemdelingen.

Het Besluit heeft tot gevolg dat de verblijfsvergunning invloed heeft op het recht op uitkering. Immers, degene die geen geldige verblijfsvergunning heeft, wordt niet ingeschreven als werkzoekende, hetgeen als consequentie heeft dat de uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt onthouden wegens het niet voldoen aan de voorwaarden. Aldus creëert het Besluit een met artikel 1 van de Grondwet strijdige discriminatie tussen enerzijds degenen die geen verblijfsvergunning nodig hebben, dan wel over een geldige verblijfsvergunning beschikken, en anderzijds degenen die geen geldige verblijfsvergunning (meer) hebben. Ook om deze reden is het Besluit onverbindend.

Door geen haast te maken met de behandeling van aanvragen om verlenging van de verblijfsvergunning, worden werkloze vreemdelingen, wier verblijfsvergunning verloopt vlak voor en/of tijdens de periode van werkloosheid, door toedoen van het Besluit in de situatie gebracht dat hun kans op het vinden van arbeid wordt verslechterd en zij hun aanspraak op uitkering krachtens de Werkloosheidswet niet kunnen verzilveren. Aldus biedt de Arbeidsvoorzieningswet 1996, in combinatie met een personele onderbezetting van de IND, de mogelijkheid om vreemdelingen als hiervoor bedoeld de mogelijkheid te ontnemen om te voldoen aan de voorwaarden voor verlenging van de verblijfsvergunning. Het Besluit impliceert derhalve détournement de pouvoir ten aanzien van diegenen die, zoals appellant, werkloos zijn (geworden) en wier verblijfsvergunning verloopt vlak voor en/of tijdens de periode van werkloosheid. Hierbij wordt aangetekend dat appellant reeds op 1 september 1999 heeft verzocht om verlenging van zijn tot 1 oktober 1999 geldige verblijfsgunning en dat de Staatssecretaris van Justitie eerst op 25 januari 2001 heeft besloten de geldigheidsduur van die vergunning te verlengen.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat appellants verblijfsvergunning ten tijde hier in geding - het moment waarop het bestreden besluit werd genomen - al was geëxpireerd, zodat appellant op dat moment niet beschikte over een verblijfsdocument, als omschreven in artikel 69, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wet, en hij evenmin behoorde tot de bij het Besluit aangewezen categorie vreemdelingen. Uit de ter zake geldende voorschriften vloeit voort dat aan appellant niet het recht toekwam zich als werkzoekende te laten inschrijven.

Hieraan doet niet af dat appellant ten tijde hier in geding was gewikkeld in een procedure ter verlenging van zijn verblijfsvergunning. Het College heeft al eerder, te weten in onder meer zijn uitspraak van 1 november 2000, nr. 00/571, uitgesproken dat in het geval de betrokken vreemdeling ten tijde van het bestreden besluit een verblijfsrechtelijke procedure heeft lopen, niet kan worden staande gehouden dat die vreemdeling op dat moment een verblijfsrechtelijke status bezit die gelijk kan worden gesteld met de in evengenoemd voorschrift vermelde verblijfstitel. Dit is niet anders indien een verleende verblijfsvergunning is geëxpireerd en het vervolgens geruime tijd duurt voordat op een verlengingsverzoek wordt beslist. De omstandigheid dat de verblijfsvergunning van appellant inmiddels is verlengd, is in dezen evenmin relevant. Dit betreft een na het bestreden besluit ontstane nieuwe feitelijke situatie, die bij de beoordeling van dit besluit geen rol kan spelen.

Appellant beroept zich op onverbindendheid van het Besluit, omdat hierin, naar hij stelt, ten onrechte niet zijn aangewezen vreemdelingen die, zoals appellant, in afwachting zijn van een beslissing op een vóór de expiratie van hun verblijfsvergunning ingediend verlengingsverzoek. Dit beroep kan appellant evenwel geen soelaas bieden, reeds omdat hetgeen appellant beoogt, pas kan worden geëffectueerd, indien vorenbedoelde categorie vreemdelingen onder de werking van het Besluit wordt gebracht. Een zodanige wijziging van het Besluit valt evenwel buiten de rechtsvormende taak van het College.

Voorts faalt het beroep van appellant, dat hem een uitkering krachtens de Werkloosheidswet wordt onthouden, indien hij niet als werkzoekende wordt ingeschreven. Reeds eerder heeft het College, te weten in onder meer zijn uitspraak van 30 september 1997, nr. 96/0862/108/214, overwogen, dat niet-inschrijving als werkzoekende niet noodzakelijkerwijs behoeft te leiden tot weigering van een uitkering ingevolge de werkloosheidswetgeving. Zulks is afhankelijk van het standpunt van met de beslissing over toekenning van zodanige uitkeringen belaste organen.

Het College vermag voorts niet in te zien dat verweerster bij het nemen van het bestreden besluit heeft gehandeld, zoals appellant heeft gesteld, in strijd met het in artikel 1 van de Grondwet neergelegde discriminatieverbod. Het College overweegt dienaangaande dat, voorzover kan worden gesproken van een relevant verschil in behandeling, de omstandigheid dat appellant vreemdeling is, daarvoor een objectieve en redelijke rechtvaardiging vormt.

Ten slotte kan niet worden staande gehouden dat verweerster het in artikel 3:3 Awb neergelegde verbod van détournement de pouvoir heeft overtreden. Het College overweegt te dien aanzien dat het hierop betrekking hebbende betoog van appellant feitelijk niet is gericht tegen handelen van verweerster, maar tegen de (trage) besluitvorming rond de verlenging van zijn verblijfsvergunning, hetgeen behoort tot de competentie van de IND.

Uit het vorenstaande volgt dat het beroep niet kan slagen.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. W.F. Claessens