Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8491

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-12-2001
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
AWB 00/802
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/802 27 december 2001

14860

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

het dagelijks bestuur van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven (SRE), verweerder,

gemachtigde: mr Th.H.J.H. Broekman, bestuurlijk-juridisch medewerker bij het SRE.

1. De procedure

Op 12 oktober 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 31 augustus 2000, dat is verzonden op 1 september 2000. Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen een besluit van 8 mei 2000 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij faxbericht van 5 november 2000 heeft appellant zijn beroep nader gemotiveerd.

Op 18 december 2000 is een verweerschrift ingekomen.

Op 15 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Verweerder heeft hierbij zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde nader toegelicht. Appellant was niet ter zitting aanwezig.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 8 mei 2000 heeft verweerder op grond van de Wet personenvervoer de dienstregeling vastgesteld voor de periode van 28 mei 2000 tot en met 26 mei 2001 voor de stadsdiensten Eindhoven en Helmond van Hermes en de streekdiensten van Hermes en de BBA in het gebied van de regio Eindhoven. Bij de publicatie van dit besluit is aangegeven dat tegen de vaststelling uiterlijk 21 juni 2000 bezwaar kon worden gemaakt.

- Appellant stelt bij fax van 6 juni 2000 bij het SRE een klacht te hebben ingediend met betrekking tot een bushalte, die met ingang van 28 mei 2000 op geringe afstand van zijn woning is gecreëerd en die als stopplaats wordt gebruikt. In die fax heeft hij aangegeven terzake geluids- en stankhinder te ondervinden, waartegen hij bezwaar maakt, en heeft hij verzocht de situatie te onderzoeken en het resultaat schriftelijk mede te delen. Voorts heeft hij gevraagd hem schriftelijk mede te delen welke voorwaarden van toepassing zijn op een halte welke gebruikt wordt als stopplaats, zoals omschreven, en welke overwegingen ertoe hebben geleid de stopplaats te vestigen op de nu ingenomen locatie.

- Bij brief van 17 juli 2000 heeft appellant aangegeven op zijn fax van 6 juni 2000 geen reactie te hebben ontvangen. Bij deze brief maakt hij "bezwaar tegen het besluit van het Samenwerkingsverband Regio Eindhoven aangaande dienstregeling c.q. de wijzigingen stads- en streekvervoer ingaande 28 mei 2000 en dit met name voor die gedeelten van het besluit welke betrekking hebben op de dienstregeling van lijn 10, op het rijden van een extra lus via Grote Bos te Geldrop en op het inrichten van een eindhaltevoorziening op Grote Bos te Geldrop.".

- Bij brief van 30 juli 2000 heeft appellant zijn bezwaar nader gemotiveerd.

- Op 3 augustus 2000 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder appellant in zijn bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard (lees: het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard) wegens termijnoverschrijding. Daartoe heeft verweerder het volgende overwogen:

" Uw bezwaarschrift, gedateerd 17 juli 2000, is buiten de bezwaarschriftentermijn ingediend. U heeft zowel in uw brief als tijdens de hoorzitting verwezen naar een fax, welke u aan ons heeft verzonden op 6 juni jl. Deze fax bevatte een klacht tegen de geluids- en stankhinder van de bussen naast uw woning. Aangezien u in deze fax niets m.b.t. de nieuwe dienstregeling opmerkt, kan deze fax niet als bezwaarschrift tegen de dienstregeling worden aangemerkt."

In het verweerschrift heeft verweerder nader te kennen gegeven dat de kennelijke veronderstelling van appellant dat het aanwijzen van halteplaatsen onderdeel uitmaakt van de dienstregeling, onjuist is. De dienstregeling geeft slechts de route aan waarlangs de bussen rijden en waar zij zullen stoppen, maar de wegbeheerder bepaalt de locatie van de halte.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat weergegeven - onder meer aangevoerd dat, indien het SRE tijdig antwoord zou hebben gegeven op de door hem in zijn brief van 6 juni 2000 gestelde vragen, het hem tijdig duidelijk zou zijn geworden dat het vestigen van de bushalte te maken had met de nieuwe dienstregeling van lijn 10 en dat hij dan nog tijdig een bezwaarschrift tegen de dienstregeling had kunnen indienen. Nu het SRE niet gereageerd heeft zijn de consequenties daarvan dat appellant pas later op de hoogte kwam van de rol van het SRE in de totstandkoming van de nieuwe dienstregeling en de relatie daarvan met de plaats van de bushalte. Appellant is van mening dat het SRE hem had dienen voor te lichten over de nog openstaande mogelijkheid van het maken van bezwaar tegen de nieuwe dienstregeling. Nu dat niet is gebeurd kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat hij in verzuim is geweest en is de termijnoverschrijding verschoonbaar, aldus appellant.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat het bezwaarschrift van appellant gelet op de aanhef daarvan gericht lijkt te zijn tegen de dienstregeling, doch dat het bezwaar naar zijn inhoud slechts betrekking heeft op de locatie van de eindhaltevoorziening in de nabijheid van zijn woning. Appellant richt zich in wezen, zoals ook uit (de motivering van) zijn beroepschrift duidelijk wordt, enkel tegen het in de dienstregeling veronderstelde besluit tot vastlegging van de concrete halteplaats. Zoals het College ook al heeft overwogen in zijn uitspraak van 9 februari 2000 inz. nos. AWB 98/874, 98/943 en 98/978 (gepubliceerd in AB 2000, 190), komt de vaststelling van een dienstregeling neer op het vaststellen van een schema van reismogelijkheden en impliceert dit niet het vastleggen van concrete halteplaatsen, maar slechts de globale aanduiding van in- en uitstapmogelijkheden. Uit het opnemen van de halte "Grote Bos" in de dienstregeling vloeit rechtens niet de precieze locatie van de halte voort, en evenmin de status van eindhalte. De wegbeheerder heeft de vrijheid de halte anders in te vullen.

Nu appellant is opgekomen tegen het door hem in de dienstregeling veronderstelde maar rechtens daarin niet begrepen besluit tot situering van de in het geding zijnde halteplaats en zijn bezwaren zich hiertoe beperken, had verweerder het bezwaar reeds om die reden niet-ontvankelijk moeten verklaren. Er is hier immers geen sprake van een besluit waartegen ingevolge artikel 65 (oud) van de Wet personenvervoer beroep bij het College kon worden ingesteld en - voorafgaand daaraan - bij verweerder naar aanleiding van de vaststelling van de dienstregeling bezwaar kon worden gemaakt.

5.2 Overigens is het College van oordeel dat - daargelaten de punten die in de bezwaarfase naar voren zijn gekomen met betrekking tot de ontvangst ervan - verweerder de in de fax van 6 juni 2000 verwoorde klacht terecht niet heeft aangemerkt als bezwaar tegen de dienstregeling. Gelet op de inhoud van de fax bestond voor die interpretatie geen aanleiding. Daarnaast heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat het bezwaarschrift van 17 juli 2000, indien dit in verband met het onderwerp ervan al ontvankelijk zou zijn, om niet-verschoonbare redenen te laat is ingediend en deswege niet-ontvankelijk zou zijn.

5.3 Uit het vorenoverwogene volgt dat het bezwaar bij het bestreden besluit - wat er zij van de daaraan ten grondslag gelegde motivering - terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Het beroep is ongegrond.

5.4 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr M.A. van der Ham in tegenwoordigheid van mr R.H.L. Dallinga, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 december 2001.

w.g. M.A. van der Ham w.g. R.H.L. Dallinga