Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8481

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
18-12-2001
Datum publicatie
25-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/108 18 december 2001

26400

Uitspraak in de zaak van:

de Staat der Nederlanden, vertegenwoordigd door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, appellant,

gemachtigde: mr S.L.A.M. Lim, werkzaam bij het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen,

tegen

de Algemene Directie van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie, te Zoetermeer, verweerster,

gemachtigde: mr C.A. van Sluis,

1. De procedure

Op 3 februari 1999 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep is ingesteld tegen een besluit van verweerster van 24 december 1998, betreffende de vaststelling van subsidie ter zake van het project "Transnationale opleiding Europees Bedrijfsmedewerker Nijmegen", op grond van de Regeling Europees Sociaal Fonds doelstelling 2 Arnhem/Nijmegen, welke regeling is gepubliceerd in de Staatscourant van 26 juli 1995 (hierna: Regeling).

Appellant heeft bij schrijven van 15 maart 1999 de gronden van het beroep uiteengezet.

Verweerster heeft onder dagtekening 26 oktober 1999 een verweerschrift ingediend.

Het College heeft de zaak onderzocht ter zitting van 6 november 2001. Aldaar hebben gemachtigden van partijen hun standpunten nader toegelicht.

2. Toepasselijke regelgeving

Krachtens artikel 2, eerste lid, van de Regeling kan met in achtneming van de bepalingen van de Regeling aan een aanvrager, zijnde een Nederlandse overheidsinstantie of een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, als omschreven in artikel 1, aanhef en onder e, van de Regeling, subsidie ten laste van het Europees Sociaal Fonds worden verleend.

In artikel 4 van de Regeling, betreffende inhoudelijke criteria van het project, is in het eerste lid bepaald dat de subsidie slechts wordt verleend voor een project dat activiteiten omvat, gericht op verbetering van de werking van de arbeidsmarkt en voldoet aan de selectiecriteria, als opgenomen in bijlage I, behorende bij de Regeling.

Naast de in het eerste lid bedoelde criteria gelden ingevolge het tweede lid van evengenoemd artikel de navolgende voorwaarden:

a. passen binnen het kader van doelstelling 2;

b. passen binnen een prioriteit , alsmede de daartoe aangegeven maatregelen en acties

c. voldoen aan de nadere criteria, opgenomen in het EPD.

Doelstelling 2 betreft blijkens de considerans van de Regeling de omschakeling van regio's die door achteruitgang van de industrie zwaar zijn getroffen.

Voornoemde term "EPD" betreft het in artikel 1, aanhef en onder i, van de Regeling omschreven Enig Programmeringsdocument voor de structurele bijstandsverlening door de Gemeenschap uit hoofde van doelstelling 2 in Nederland, zoals goedgekeurd en vastgesteld door de Europese Commissie.

In de Regeling is in bijlage 1 (beoordelingscriteria) onder rubriek II (selectiecriteria; doelstelling 2) onder punt d van het hoofdje "Prioriteits criteria" gesteld:

" Het (scholingsproject) is opgezet met de garantie dat minimaal 75% van de gestarte deelnemers de opleiding succesvol zal afsluiten.

De bij- of omscholing is zodanig afgestemd op de vraag dat minimaal 60% van de gestarte deelnemers voor (blijvende) plaatsing in aanmerking komt;

- werkenden: aansluitend op de opleiding;

- werklozen binnen 6 maanden na afloop van de opleiding."

In het EPD is in hoofdstuk 2 (De regionale ontwikkelingsstrategie, prioriteiten en maatregelen) in rubriek 2.2 (Prioriteiten en maatregelen) onder maatregel 1.5 (Investeren in menselijk kapitaal voor de transport- en distributiesector en zakelijke dienstverlening) van Prioriteit 1 (EuroTradePort) in het kader van de vermelding (op pag. 33) van een zestal algemene criteria met betrekking tot doelgroepen, achter het derde opsommingsteken gesteld:

" werklozen die om-, her-, bijscholing of andere soorten hulp nodig hebben om vacatures binnen de in doelstelling 2 regio gevestigde TDL bedrijven te kunnen vervullen"

In de Regeling zijn in de artikelen 7 tot en met 13 voorschriften gegeven omtrent onderscheidenlijk de aanvraag en verlening van subsidie, bevoorschotting, projectadministratie, rapportage, toezicht en einddeclaratie.

Op grond van artikel 14 (subsidievaststelling en betaling), eerste lid, van de Regeling wordt het definitieve subsidiebedrag vastgesteld aan de hand van de ingediende declaratie, als bedoeld in artikel 13, en met inachtneming van hetgeen overigens is gebleken.

Het definitieve subsidiebedrag is - aldus genoemd artikellid - niet hoger dan het bedrag van de toezegging, noch hoger dan het bedrag dat blijkens de verklaring van de accountant controleerbaar en in overeenstemming met de voorschriften van de Regeling is.

3. Ontstaan en loop van het geding

- Op 9 december 1994 is vanwege appellant ter zake van het hierboven vermelde project een aanvraag gedaan om subsidie uit het Europees Sociaal Fonds, zulks in het kader van doelstelling 3.

- Bij brief van 6 juni 1995 heeft de regionaal coördinator Europees Sociaal Fonds appellant onder meer te kennen gegeven dat het, in verband met een dreigende uitputting van ESF-budgetten voor de realisering van doelstelling 3 in de betrokken regio's en de mogelijkheid van overheveling van het project naar doelstelling 2, geboden is de aanvraag te herschrijven als een aanvraag voor doelstelling 2.

- Naar aanleiding hiervan heeft appellant op 19 juni 1995 een aanvraag om subsidie voor eerdervermeld project ingediend in het kader van doelstelling 2.

- Bij besluit van 16 oktober 1995 hebben de regionale besturen voor de Arbeidsvoorziening in Arnhem/Oost-Gelderland en Nijmegen/Rivierenland appellant onder nader vermelde voorwaarden in aanmerking gebracht voor subsidie, in dier voege dat de subsidie voor het project voor de periode 1 september 1995 tot

1 september 1996 op basis van in aanmerking te nemen redelijke kosten, voor het subsidiejaar 1995 maximaal ƒ 123.800,-- en voor 1996 maximaal ƒ 204.682,-- (23 deelnemers voor zowel 1995 als 1996), bedraagt.

- Nadat van de zijde van appellant en de projectorganisatie een einddeclaratie, accoutantsverklaringen, een uitstroomrapportage en - naar aanleiding van daartoe strekkende verzoeken van de Arbeidsvoorzieningsorganisatie - nadere gegevens aangaande het project waren ingezonden, is bij besluit van 1 september 1997 het definitieve subsidiebedrag vastgesteld op ƒ 182.484,-- zijnde 15/23e deel van het bedrag van ƒ 279.809,-- waarop appellants verzoek om vaststelling betrekking had.

- Vanwege appellant zijn tegen dit besluit bezwaren ingediend.

- Verweerster heeft na appellant te hebben gehoord het bestreden besluit genomen.

Dit besluit strekt tot ongegrondverklaring van de bezwaren van appellant en tot handhaving van het primaire besluit van 1 september 1997.

4. De grondslag van het bestreden besluit

Verweerster stelt zich op het standpunt dat uit het bepaalde in de Regeling de voorwaarde voortvloeit, dat 60% van de deelnemers van het project dient uit te stromen naar de doelstelling 2 regio. In dit verband heeft verweerster gewezen op (-) artikel 4, eerste lid, en artikel 4, tweede lid, aanhef en onder c, van de Regeling, (-) de hiervoor weergegeven passage op pagina 33 van het EPD en (-) het hiervoor aangehaalde gedeelte van bijlage 1 van de Regeling, onder het hoofdje "Prioriteits criteria" sub d.

Het bepaalde in deze regels brengt naar de mening van verweerster met zich, dat bij de toepassing van artikel 14, eerste lid, van de Regeling de subsidie op nihil behoort te worden vastgesteld, indien genoemde voorwaarde niet is vervuld.

Bij de in het geding zijnde vaststelling van subsidie is in aanmerking genomen dat, ofschoon in verband met het niet vervuld zijn van eerdervermelde voorwaarde (er was slechts één deelnemer van het project uitgestroomd naar de doelstelling 2 regio) de subsidie op nihil zou behoren te worden vastgesteld, niettemin uit overwegingen van coulance een vaststelling in rede ligt op grond van een berekening, waarbij het door appellant voor vaststelling in aanmerking gebracht bedrag als uitgangspunt geldt en in aanmerking wordt genomen dat van de 23 projectdeelnemers waarmee bij de toekenning van subsidie rekening is gehouden, 15 deelnemers een baan van meer dan 19 uur per week hebben gevonden.

5. De beoordeling van het geschil

Het College spreekt in de eerste plaats als zijn oordeel uit, dat de opvatting van verweerder omtrent het rechtsgevolg - te weten het in beginsel op nihil vaststellen van de subsidie - dat zou moeten worden verbonden aan het al dan niet vervuld zijn van voormelde voorwaarde inzake de uitstroom van projectdeelnemers, gelet op het bepaalde in de Regeling als onjuist van de hand moet worden gewezen.

Daartoe wordt overwogen dat het bepaalde in artikel 4 inzake het voldoen aan de selectiecriteria opgenomen in bijlage 1 van de Regeling, en de nadere criteria opgenomen in het EPD, naar blijkt uit de eerste volzin van het eerste lid van dit artikel, betrekking heeft op de verlening van subsidie. Deze verlening c.q. toezegging van subsidie, welke kan leiden - en in dit geval heeft geleid - tot het verstrekken van voorschotten gedurende de looptijd van het project, dient te worden onderscheiden van de in artikel 14 geregelde vaststelling van het definitieve subsidiebedrag, die na afloop van het project plaatsvindt op grond van de einddeclaratie. Bij de besluitvorming inzake de verlening dient - mede - te worden nagegaan of het project waarvoor subsidie wordt aangevraagd, voldoet aan evenbedoelde criteria. Dit betekent onder meer dat moet worden beoordeeld of voldoende gewaarborgd is dat wordt voldaan aan de voorwaarden, vermeld onder punt d van eerdergenoemde prioriteitscriteria, inzake het succesvol afsluiten van de opleiding door de projectdeelnemers en hun instroom op de arbeidsmarkt. Bij dit laatste aspect is mede van betekenis het gestelde in het EPD omtrent de algemene criteria met betrekking tot doelgroepen, waarvan het derde punt (op pag. 33 van het document) is weergegeven onder rubriek 2 van deze uitspraak.

Naar blijkt uit de overwegingen van eerdervermeld besluit tot toekenning van subsidie d.d. 16 oktober 1995, zijn bij het nemen van dit besluit evenvermelde beoordelingsaspecten, waaronder begrepen het gestelde in het EPD, in aanmerking genomen.

Vorenomschreven wijze van beoordeling bij de besluitvorming omtrent de toekenning van subsidie, impliceert echter niet dat de subsidie kan worden vastgesteld op nihil, indien een bij deze besluitvorming van wezenlijk belang geachte voorwaarde, zoals de instroom in de betrokken regio, waarvan de haalbaarheid vooraf positief is beoordeeld, naar achteraf blijkt niet is vervuld.

Voor het bij de subsidievaststelling verbinden van consequenties aan het niet vervuld zijn van een dergelijke voorwaarde zal in ieder geval, mede uit een oogpunt van rechtszekerheid voor de justitiabele, een duidelijke grondslag moeten kunnen worden gevonden in de Regeling dan wel in de voorwaarden waaronder de subsidie is toegekend.

Een zodanige grondslag valt echter noch in de Regeling noch in eerdergenoemd toekenningsbesluit van 16 oktober 1995 aan te wijzen.

In verband hiermede moet, nog daargelaten of gezien de strekking en de systematiek van de Regeling de vervulling van de voorwaarde inzake de instroom in de regio als eis bij de toekenning van subsidie kan worden gesteld, worden geconcludeerd dat de in het geding zijnde vaststelling berust op een onjuiste toepassing van de Regeling.

Hieruit volgt dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 24 december 1998;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van appellant met inachtneming van het in deze uitspraak

overwogene;

- bepaalt dat het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ 420,-- (zegge: vierhonderdtwintig gulden) door de

Arbeidsvoorzieningsorganisatie aan hem wordt vergoed;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr H.A.A.G. Vermeulen in tegenwoordigheid van mr W.F. Claessens, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 18 december 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. W.F. Claessens