Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8152

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 98/1331
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/1331 12 december 2001

11241

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A, te B, appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, verweerder,

gemachtigde: mr J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 24 december 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 12 november 1998. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante tegen de beslissing op haar aanvraag op grond van de Subsidieregeling fokverbod varkens 1997 (hierna: de Regeling).

Verweerder heeft op 18 maart 1999 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 september 2001, waarbij verweerder zijn standpunt bij monde van zijn gemachtigde nader uiteen heeft gezet. Appellante is niet ter zitting verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 24 juni 1997 is de Regeling fokverbod varkens II 1997 (Stcrt. 1997, 118), in werking getreden. Deze Regeling is op 12 november 1997 ingetrokken.

Bij Verordening (EG) nr. 1564/97 van de Commissie van de Europese Gemeenschappen is met ingang van 2 augustus 1997 in Verordening (EG) nr. 413/97 artikel 4 bis ingevoegd. Dit artikel luidt na de wijziging bij Verordening (EG) nr. 1688/97 van de Commissie, voor zover hier van belang, als volgt:

" 1. Aan de producenten kan op hun verzoek door de Nederlandse bevoegde autoriteiten steun worden toegekend voor de zeugen op hun bedrijf waarvoor het inseminatieverbod geldt dat op 3 juni 1997 is afgekondigd bij de Nederlandse "Regeling fokverbod varkens 1997".

2. De steun wordt vastgesteld op 32 ecu per zeug en per maand. De steun wordt toegekend voor in aanmerking komende zeugen die gedurende de gehele periode van het inseminatieverbod en in de vier maanden na de opheffing van het verbod op het bedrijf van de aanvrager worden aangehouden. Iedere zeug moet ongedekt blijven gedurende een periode die ten minste overeenkomt met de duur van het inseminatieverbod. De steun wordt toegekend voor de gehele duur van het inseminatieverbod. (…)

3. De Nederlandse autoriteiten stellen alle nodige bepalingen voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde steunregeling vast, en met name bepalingen betreffende de definitie van de voor steun in aanmerking komende dieren en hun identificatie.

Wat de indiening van de aanvragen, de controlemaatregelen en de sancties betreft, geldt mutatis mutandis het bepaalde in artikel 5, artikel 6, leden 1, 3 en 4, en lid 5, eerste alinea, artikel 8, artikel 10, leden 2 en 5, en de artikelen 11, 12, 13 en 14 van Verordening (EEG) nr. 3887/92 van de Commissie (…)"

Artikel 10, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92 luidde ten tijde hier van belang als volgt:

" 5. Indien het bedrijfshoofd door oorzaken die verband houden met natuurlijke omstandigheden die het leven van dieren in kuddeverband kenmerken, zich niet kan houden aan zijn verbintenis om de voor een premie aangemelde dieren aan te houden gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, wordt het recht op de premie gehandhaafd voor het aantal feitelijk in aanmerking komende dieren die gedurende de voorgeschreven periode zijn aangehouden, op voorwaarde dat het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk van dat feit in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen nadat de vermindering van het aantal van de betrokken dieren is vastgesteld."

De Regeling, die op 22 september 1997 in werking is getreden, luidt voor zover hier belang als volgt:

" Artikel 3

Aan aanvragers wordt door de minister, onder voorbehoud van goedkeuring van deze regeling door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, de subsidie, bedoeld in artikel 4 bis van verordening 413/97, verstrekt, mits aan de verplichtingen van het tweede lid van voornoemd artikel en van deze regeling wordt voldaan.

(…)

Artikel 6

1. Voor de aanvraag of mededelingen in het kader van deze regeling maakt de aanvrager gebruik van een daartoe door LASER vastgesteld formulier dat door de aanvrager volledig en naar waarheid wordt ingevuld, ondertekend en

gedagtekend.

2. Bij de indiening van een formulier als bedoeld in het eerste lid legt de aanvrager alle bewijsstukken over ten aanzien waarvan zulks wordt verlangd.

(…)

Artikel 7

1. De aanvrager deelt elke vermindering van het aantal zeugen waarvoor subsidie is aangevraagd, mede aan LASER door middel van een formulier als bedoeld in artikel 6.

2. De in het eerste lid bedoelde mededeling wordt ten laatste ontvangen op de tiende werkdag volgend op de dag van de vermindering.

Artikel 11

1. Indien wordt vastgesteld dat het aantal in de aanvraag opgegeven zeugen groter is dan het aantal bij controle geconstateerde zeugen, wordt de subsidie berekend op basis van het aantal geconstateerde zeugen.

2. In afwijking van het eerste lid wordt de subsidie tevens berekend over het aantal opgegeven zeugen dat zich ten gevolge van natuurlijke omstandigheden of overmacht als bedoeld in artikel 11 van verordening 3887/92 niet meer op het bedrijf van de aanvrager bevindt, mits de vermindering overeenkomstig artikel 7, onderscheidenlijk 12 is gemeld, met dien verstande dat de subsidie over deze zeugen wordt berekend over de periode gedurende waarin de zeugen daadwerkelijk zijn aangehouden.

3. (…)

4. Indien het in de aanvraag opgegeven aantal zeugen meer dan 20 bedraagt en het verschil tussen het aantal opgegeven zeugen en het aantal geconstateerde zeugen:

a. niet groter is dan 5 % van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;

b. groter is dan 5 % doch ten hoogste 20 % van het aantal geconstateerde zeugen, wordt de subsidie verlaagd met het dubbele percentage dat de verhouding van dit verschil ten opzichte van het aantal geconstateerde zeugen weergeeft;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaken de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante exploiteert een varkenshouderij aan het adres X te B, voor welk bedrijf met ingang van 24 juni 1997 een fokverbod van kracht is geworden.

- Appellante heeft bij op 1 oktober 1997 door verweerders uitvoeringsdienst LASER ontvangen formulier subsidie ingevolge de Regeling aangevraagd; blijkens het door haar ingevulde antwoord op vraag 5 heeft de aanvraag betrekking op 221 zeugen.

- Bij brief van 20 oktober 1997 heeft verweerder appellante de benodigde oormerken doen toekomen, alsmede een vijftal zogenoemde verminderingsverklaringen.

- Op 7 november 1997 heeft verweerder van appellante een drietal verminderingsverklaringen ontvangen, alle door appellante ondertekend op 5 november 1997, waarbij iedere verklaring betrekking heeft op één zeug. Deze dieren zijn blijkens een bijgevoegde notitie van het destructiebedrijf respectievelijk op 29 september, 6 oktober en 15 oktober 1997 van het bedrijf van appellante afgevoerd. Bij deze verminderingsverklaringen heeft appellante tevens een toelichting gevoegd. In deze toelichting staat vermeld dat deze drie dieren al van het bedrijf waren afgevoerd voordat de LASER-oormerken waren ontvangen.

- Op 12 januari 1998 heeft verweerder van appellante één verminderingsverklaring ontvangen, welke verklaring betrekking heeft op twee zeugen. Deze verklaring is door appellante ondertekend op 7 januari 1998 en de bijbehorende verzendenveloppe is voorzien van een poststempel van 9 januari 1998. Deze dieren zijn blijkens een bijgevoegde notitie van het destructiebedrijf op 23 december 1997 van het bedrijf van appellante afgevoerd.

- Op 26 januari 1998 heeft verweerder van appellante één verminderingsverklaring ontvangen, door appellante ondertekend op 20 januari 1998, welke verklaring betrekking heeft op vijf zeugen. Deze dieren zijn blijkens een bijgevoegde notitie, gedateerd 19 januari 1998, van Noodslachterij van de Pasch B.V. op 6 januari 1998 van het bedrijf van appellante afgevoerd. Bij deze verminderingsverklaring heeft appellante tevens een toelichting, gedateerd 20 januari 1998, gevoegd. In deze toelichting worden excuses aangeboden voor het later aanbieden van de verminderingsverklaring, waarbij wordt gesteld dat dit niet eerder heeft kunnen plaatsvinden omdat appellante nog niet de beschikking had over de verklaring van Noodslachterij van de Pasch B.V..

- Bij besluiten van 9 maart, 14 mei, 15 juni en 19 juni 1998 heeft verweerder de aan appellante uit te keren subsidie vastgesteld voor respectievelijk de maanden juni september, oktober en november 1997. Bij deze besluiten heeft verweerder telkenmale een korting op het totale subsidiebedrag toegepast van 4,74% omdat LASER de hierboven vermelde verminderingsverklaringen met betrekking tot de desbetreffende tien dieren te laat van appellante heeft ontvangen.

- Appellante heeft tegen bovengenoemde vier besluiten tijdig bezwaar aangetekend.

- Op 14 september 1998 is appellante in de gelegenheid gesteld haar bezwaar mondeling toe te lichten.

- Bij besluit van 12 november 1998 heeft verweerder de bovengenoemde vier bezwaarschriften ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit is onder meer het navolgende overwogen:

" Ten aanzien van uw bezwaar dat zich richt tegen de te late inzending van een verminderingsverklaring stel ik vast dat in de berekening van het bedrag aan steunverlening in het door u bestreden besluit rekening is gehouden met het feit dat vijf verminderingsverklaringen aangaande de vermindering van tien zeugen te laat zijn ontvangen.

Ten aanzien van de verminderingen in september en oktober 1997 stel ik vast dat de betreffende drie verminderingsverklaringen eerst op 7 november 1997 door LASER zijn ontvangen. De verminderingen hebben plaatsgevonden op respectievelijk 29 september 1997, 6 oktober 1997 en 15 oktober 1997. Mitsdien heeft u niet voldaan aan het gestelde in artikel 10 lid 5 van Verordening (EEG) juncto artikel 7 lid 2 van de Subsidieregeling. De verminderingsverklaring dient ingevolge artikel 7 lid 2 van de Subsidieregeling ten laatste door LASER te zijn ontvangen op de tiende werkdag volgend op de dag van vermindering. U voert ter rechtvaardiging voor het feit dat u de verminderingsverklaringen te laat heeft opgestuurd aan, dat op het moment van de betreffende verminderingen de verklaringen en oormerken nog niet in uw bezit waren en u aldus geen verklaring kon opsturen met daarop de betreffende geïndividualiseerde zeugen.

Ten aanzien van het voorgaande stel ik vast dat verminderingsverklaringen eerst op 21 oktober 1997 door LASER aan u zijn toegezonden. Nochtans ontslaat dit u niet van uw verplichting verminderingen binnen tien werkdagen na datum vermindering te melden aan LASER, nu u bij de ondertekening van het aanvraagformulier heeft verklaard bekend te zijn met de voorwaarden en verplichtingen zoals bepaald in de Subsidieregeling en de daaraan ten grondslag liggende EG-Verordeningen. Ook indien de zeugen niet geïndividualiseerd kunnen worden, moeten verminderingen gemeld worden, daar op dat moment rekening kan worden gehouden met de hoogte van het toe te kennen bedrag aan subsidie ingevolge de Subsidieregeling. Artikel 10 lid 5 van Verordening (EEG) 3887/92 bepaalt voorzover van belang dat indien een bedrijfshoofd door oorzaken die verband houden met natuurlijke omstandigheden die het leven van dieren in kuddeverband kenmerken, zich niet kan houden aan zijn verbintenis om de voor een premie aangemelde dieren aan te houden gedurende de periode waarin deze dieren moeten worden aangehouden, het recht op premie wordt gehandhaafd voor het aantal feitelijk in aanmerking komende dieren die gedurende de voorgeschreven periode zijn aangehouden, op voorwaarde dat het bedrijfshoofd de bevoegde instantie schriftelijk van dat feit in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen nadat de vermindering van het aantal van de betrokken dieren is vastgesteld. U had aldus LASER binnen tien werkdagen na vermindering schriftelijk in kennis moeten stellen van de betreffende vermindering. Dat de verklaringen eerst na indiening van een aanvraagformulier door LASER aan de aanvragers worden toegezonden, is inherent aan het feit dat aanvragen verwerkt moeten worden, waardoor redelijkerwijs enige tijd verstrijkt alvorens verklaringen en oormerken toegezonden kunnen worden. Hoewel evident is dat tussen deze periode verminderingen kunnen voorvallen, doet dit geen afbreuk aan de voorgaande overwegingen. Overigens merk ik op dat ten aanzien van de vermindering van 15 oktober 1997 de verminderingsverklaringen tijdig in uw bezit waren, nu de verklaringen op 21 oktober aan u zijn toegezonden.

Ten aanzien van de verminderingen die hebben plaatsgevonden in december 1997 is mij het volgende gebleken. De verminderingsverklaring inclusief origineel bewijsmateriaal aangaande de vermindering van 12 december 1997 van twee zeugen (E3332 en E3444) is door LASER op 5 januari 1998 ontvangen. In beginsel is de termijn waarbinnen verminderingen gemeld dienen te worden ingevolge artikel 7 lid 2 van de Subsidieregeling overschreden. Echter, u heeft voor het verstrijken van de termijn terzake van deze twee verminderingen contact opgenomen met LASER. Er is u te kennen gegeven dat de verminderingen schriftelijk gemeld dienen te worden binnen de gestelde termijn van 10 werkdagen. U heeft hieraan voldaan door op 27 december 1997 een fax aan LASER toe te sturen, waarin de verminderingen worden gemeld. U verklaart in de betreffende fax tevens de originele verklaring inclusief het bewijsmateriaal te hebben opgestuurd. Zoals reeds vermeld wordt de verklaring inclusief bewijsmateriaal op 5 januari 1998 door LASER ontvangen. Mitsdien heeft u voor wat betreft deze twee verminderingen voldaan aan de vigerende verplichtingen. Uit onderzoek is mij gebleken dat de betreffende twee zeugen voor subsidie in aanmerking zijn gebracht en dat terzake geen korting is opgelegd. De verminderingsverklaring inclusief origineel bewijsmateriaal aangaande de vermindering van 23 december 1997 van twee zeugen (E 3320 en E 3481) is door LASER eerst op 12 januari 1998 ontvangen. De verklaring had uiterlijk op 7 januari 1998 door LASER ontvangen moeten worden. De poststempel is gedateerd op 9 januari 1998. Redelijkerwijs kan worden aangenomen dat u de verklaring eerst op 9 januari 1998 gepost heeft. Mitsdien heeft u niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7 lid 2 van de Subsidieregeling.

Ten aanzien van de verminderingen van 6 januari 1998 stel ik vast dat de betreffende verminderingsverklaring aangaande vijf verminderingen eerst op 26 januari 1998 door LASER is ontvangen. Mitsdien heeft u niet voldaan aan het gestelde in artikel 10 lid 5 van Verordening (EEG) juncto artikel 7 lid 2 van de Subsidieregeling. Ik verwijs hier kortheidshalve naar de voorgaande overwegingen. U verklaart dat dit te wijten is aan het te laat aanleveren van het bewijsmateriaal dienaangaande door noodslachterij Van de Pasch B.V. Bovendien heeft u een telefonisch onderhoud met een medewerker van LASER gehad, die u naar uw zeggen, gewezen heeft op het feit dat verminderingen niet rechtsgeldig zijn zonder origineel bewijsmateriaal. U bent van mening dat de medewerker van LASER u had moeten wijzen op de mogelijkheid de verminderingsverklaring binnen 10 werkdagen toe te sturen en het originele bewijsmateriaal alsnog na verkrijging toe te sturen.

Uit onderzoek is mij gebleken dat aan alle aanvragers, die telefonisch inlichtingen hebben opgevraagd bij LASER en derhalve ook bij de betrokken medewerker ten aanzien van verminderingen, is medegedeeld, verminderingen schriftelijk te melden aan LASER inclusief origineel bewijsmateriaal en voorts als dit bewijsmateriaal om welke reden dan ook niet binnen de gestelde termijn overgelegd kan worden dit zo spoedig mogelijk alsnog toe te sturen. In ieder geval is te allen tijde medegedeeld de verminderingen binnen de gestelde termijn schriftelijk te melden aan LASER. Voorts is in de Subsidieregeling als zodanig nergens de verplichting voor een varkenshouder opgenomen om binnen een bepaalde termijn bewijsstukken terzake van verminderingen van het subsidiabele zeugenbestand te overleggen. Mitsdien kan in redelijkheid gesteld worden dat verminderingen tevens op een later tijdstip, althans tijdens de fase van het aanhangig zijn van bezwaar; door middel van originele bewijsstukken kunnen worden aangetoond.

Een en ander blijkt ook uit het feit dat in het onderhavige geval een eerdere vermindering na een telefonisch onderhoud met LASER binnen de gestelde termijn is gemeld via een fax die naderhand is gecompleteerd met een formulier als bedoeld in artikel 6 lid 1 van de Subsidieregeling inclusief origineel bewijsmateriaal Deze vermindering is destijds gehonoreerd, dat wil zeggen de verminderde zeugen zijn conform de Subsidieregeling tot aan het moment van vermindering gesubsidieerd zonder oplegging van een sanctie. Ik verwijs kortheidshalve naar de voorgaande overwegingen terzake van de verminderingen van 12 december 1997. Redelijkerwijs stel ik vast dat u aldus op de hoogte was, althans op de hoogte had kunnen zijn, van de procedure omtrent meldingen van verminderingen.

Ingevolge artikel 11, leden 2 en 4 van de Subsidieregeling juncto artikel 10, leden 2 en 5 van Verordening (EEG) 3887/92 kunnen de te laat verminderde zeugen niet worden gesubsidieerd en dient er een korting over het bedrag aan steunverlening plaats te vinden. Het staat LASER niet vrij van deze regelgeving af te wijken. Mij is gebleken dat aan u conform de Subsidieregeling en onderliggende Verordeningen juiste bedragen aan subsidie zijn toegekend en uitbetaald en dat tevens een correct kortingspercentage is opgelegd. Mitsdien treft uw grond van bezwaar in deze geen doel."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft in haar beroepschrift onder meer het navolgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" De drie verminderingsverklaringen met daarop de verminderingen van 29 september 1997, 6 oktober 1997 en 15 oktober 1997 zouden door LASER pas op 7 november 1997, en daarom niet tijdig, ontvangen zijn. Het feit dat deze verminderingen te laat bij LASER zijn gemeld kan ondergetekenden echter niet worden tegengeworpen omdat LASER de verminderings-verklaringen en de LASER-oormerken pas op 21 oktober 1997 aan hen heeft verstuurd. Pas na de ontvangst van de verminderingsverklaringen konden ondergetekenden voldoen aan de voorwaarde dat verminderingen aan LASER dienen te worden gemeld middels het formulier als bedoeld in artikel 6 (artikel 7 lid 1 van de Subsidieregeling) en konden zij op het formulier de LASER-oornummers vermelden. Omdat zij na de ontvangst van de verklaringen en de oormerken ook nog eens moesten voldoen aan de voorwaarde dat de oormerken binnen 3 werkdagen na ontvangst bij alle voor subsidie in aanmerking gebrachte zeugen moesten worden ingebracht hebben ondergetekenden na ontvangst nog even de tijd nodig gehad om de formulieren in te vullen en op te sturen.

De verminderingsverklaring met daarop de verminderingen van 23 december 1997 zou door LASER pas op 12 januari 1998, en daarom niet tijdig, ontvangen zijn. Volgens LASER zou de verklaring uiterlijk op 7 januari 1998 binnen moeten zijn en kan uit het feit dat op de verklaring een poststempel van 9 januari 1998 staat worden afgeleid dat de verklaring te laat is opgestuurd. Ondergetekenden zijn van mening dat LASER met deze redenering ten onrechte voorbij gaat aan het feit dat 25 december 1997 (eerste kerstdag), 26 december 1997 (tweede kerstdag) en 1 januari 1998 (nieuwjaarsdag) als nationale feestdagen en niet als werkdagen zijn aan te merken. Daarbij komt dat het algemeen bekend is dat de PTT na de feestdagen, in verband met het verwerken van de enorme hoeveelheid kerstkaarten, dikwijls met een achterstand kampt. Ondergetekenden zijn daarom van mening dat uit het feit dat op de poststempel 9 januari 1998 staat niet zondermeer mag worden afgeleid dat de verklaring ook pas op 9 januari 1998 door hen is gepost.

De verminderingsverklaring met daarop de vijf verminderingen van 6 januari 1998 zou door LASER pas op 26 januari 1998, en daarom niet tijdig, ontvangen zijn. Deze verklaring had uiterlijk op 20 januari 1998 door LASER ontvangen moeten zijn. Ondergetekenden hebben de verklaring en de bewijsstukken vier werkdagen te laat opgestuurd omdat zij de bewijsstukken van de noodslachterij Van de Pasch B.V. te laat hebben ontvangen. Omdat op het formulier als bedoeld in artikel 6 van de Subsidieregeling staat dat de varkenshouder samen met de verklaring bewijsstukken mee moet sturen hebben ondergetekenden met het opsturen van de verminderingsverklaring gewacht totdat zij de stukken van de noodslachterij hadden. Ondergetekenden waren door de mededeling op het formulier en een telefonische mededeling van een medewerker van LASER inhoudende dat verminderingen niet rechtsgeldig zijn zonder origineel bewijsmateriaal in de veronderstelling hierdoor juist te handelen.

Gelet op de bovenstaande gronden, het feit dat zij wel alle verminderingen hebben gemeld, de zeer geringe termijnoverschrijdingen en het feit dat ondergetekenden zich keurig aan het fokverbod hebben gehouden, zijn ondergetekenden van mening dat zij door een korting van 4,74% over het gehele subsidiebedrag onevenredig zwaar worden gestraft."

5. Het nadere standpunt van verweerder

In het verweerschrift is van de zijde van verweerder in aanvulling op het bestreden besluit nog het volgende naar voren gebracht.

De vermindering met twee zeugen, waarvan de melding pas op 12 januari 1998 is ontvangen, diende uiterlijk op 8 januari 1998 te zijn gemeld. Hierbij is rekening gehouden met alle feestdagen waar appellante op wijst. Per abuis in de bestreden beschikking opgenomen dat de verklaring uiterlijk 7 januari 1998 ontvangen had moeten worden. Dit doet echter niet af aan de conclusie dat de verklaring te laat is ontvangen. Aangezien in artikel 7 van de Regeling uitdrukkelijk wordt bepaald dat de verklaring uiterlijk op de tiende werkdag na de vermindering moet zijn ontvangen, doet de vraag of al dan niet van de datum van het poststempel mag worden afgeleid dat de verklaring pas op 9 januari 1998 is gepost niet ter zake. Overigens kan deze conclusie wel worden getrokken uit het poststempel, aangezien bij navraag is gebleken dat de PTT weliswaar voor de kerst van 1997 een achterstand in de postbezorging had opgelopen, doch dat na de kerstdagen de postbezorging weer geheel volgens het normale regime verliep.

6. De beoordeling van het geschil

In geschil is of verweerder in het onderhavige geval terecht een korting van 4,74% over het gehele subsidiebedrag aan appellante heeft opgelegd omdat verweerder een vijftal verminderingsverklaringen, met betrekking tot in totaal 10 dieren, niet binnen de daartoe op grond van artikel 7, tweede lid, van de Regeling gestelde termijn van tien werkdagen van appellante heeft ontvangen. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Allereerst wordt opgemerkt dat niet in geschil is dat verweerder de verminderings-verklaringen met betrekking tot de verminderingen die zich op 29 september 1997 (één dier), 6 oktober 1997 (één dier), 15 oktober 1997 (één dier) en 6 januari 1998 (vijf dieren) op het bedrijf van appellante hebben voorgedaan, pas na het verstrijken van bovengenoemde termijn heeft ontvangen.

Appellante stelt zich evenwel op het standpunt dat dit niet aan haar kan worden tegengeworpen, aangezien zij op die momenten bij het verstrijken van genoemde termijn (nog) niet de beschikking had over de voorgeschreven officiële verminderingsformulieren, de oormerken voor deze dieren, dan wel de vereiste bewijsmiddelen, terwijl het gebruik van dit officiële verminderingsformulier, alsmede het overleggen van bewijsmateriaal, op grond van artikel 7, eerste lid, juncto artikel 6 van de Regeling wel verplicht wordt gesteld.

De opvatting van verweerder dat het (nog) niet beschikken over deze officiële formulieren dan wel bewijsmiddelen een aanvrager niet ontslaat van zijn verplichting om tijdig melding te maken van eventuele verminderingen, acht het College echter, gelet op de duidelijke bewoordingen van artikel 10, vijfde lid, van Verordening (EEG) nr. 3887/92, juist, zodat het betoog van appellante op dit punt niet kan worden gevolgd. Voorzover appellante in het geval van deze verminderingen nog niet de beschikking had over de vereiste documenten, had het op haar weg gelegen om vóór het verstrijken van genoemde termijn contact op te nemen met verweerder met de vraag hoe te handelen. Hierbij merkt het College nog op dat appellante met betrekking tot een vermindering op 12 december 1997 wel contact heeft opgenomen met verweerders uitvoeringsdienst LASER, waarna de desbetreffende vermindering op 27 december 1997 door middel van een faxbericht alsnog tijdig is doorgegeven, onder latere nazending van de officiële documenten, zodat appellante kennelijk ook van deze mogelijkheid op de hoogte was.

Ten aanzien van de verminderingsverklaring met betrekking tot de dieren die op 6 januari 1998 van het bedrijf zijn afgevoerd, acht het College het voorts niet aannemelijk gemaakt dat appellante telefonisch van een medewerker van verweerders uitvoeringsdienst LASER zou hebben vernomen dat de bewuste verklaring zonder het vereiste bewijsmateriaal niet rechtsgeldig zou zijn. Hierbij is van belang dat appellante haar stelling terzake op geen enkele wijze heeft onderbouwd, terwijl verweerder voorts genoegzaam aannemelijk heeft gemaakt dat aanvragers in het geval van telefonische contacten met LASER in dit soort gevallen steeds zijn gewezen op de mogelijkheid van een (tijdige) vormvrije mededeling met het achteraf inzenden van de officiële formulieren en bewijsmiddelen. Bovendien strookt deze stelling van appellante niet met de gang van zaken met betrekking tot de hierboven omschreven vermindering die op 12 december 1997 op het bedrijf van appellante heeft plaatsgevonden.

Met betrekking tot de (resterende) verminderingen (twee dieren) die zich op 23 december 1997 op het bedrijf van appellante hebben voorgedaan, is door appellante niet bestreden dat de desbetreffende verminderingsverklaring, welke uiterlijk op 8 januari 1998 ter kennis van verweerder diende zijn gebracht, pas op 12 januari 1998 door verweerder is ontvangen. Daargelaten of verweerder zonder meer gevolgd kan worden in zijn betoog dat onder alle omstandigheden slechts van belang is dat de verklaring binnen de termijn van 10 werkdagen moet zijn ontvangen, acht het College reeds niet aannemelijk dat appellante de bewuste verminderingsverklaring vóór 8 januari 1998 ter post heeft bezorgd. De enveloppe waarmee de bewuste verklaring is verzonden is immers afgestempeld op 9 januari 1998, terwijl op grond van het onderzoek van verweerder kan worden aangenomen dat er op dat moment geen sprake (meer) was van een achterstand in de postverwerking door de PTT. Appellante heeft verweerders bevindingen in dit verband ook niet weersproken. Mitsdien heeft verweerder ook ten aanzien van deze verminderingsverklaring terecht aangenomen dat deze is ingediend na het verstrijken van de termijn als gesteld in artikel 7, tweede lid, van de Regeling.

Op grond van al het vorenstaande wordt het beroep ongegrond verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.

w.g. D. Roemers w.g. R.P.H. Rozenbrand