Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD8150

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-12-2001
Datum publicatie
16-01-2002
Zaaknummer
AWB 99/748
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/748 11 december 2001

27366

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: ir C.J. van Donselaar, verbonden aan H, te Uden,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr C.N. Gajadhar en mr B.B. Zuiderwijk, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 10 september 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 juli 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de afwijzing van haar aanvraag om subsidie in het kader van de Subsidieregeling energie-investeringen in de non-profitsector (Stcrt. 1997, nr 122, hierna: de Subsidieregeling).

Bij brief van 7 oktober 1999 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevoerd.

Op 22 december 1999 heeft het College terzake van dit beroep een verweerschrift van verweerder ontvangen.

Op 30 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar appellante niet is verschenen en verweerder bij monde van haar gemachtigden haar standpunt nader heeft uiteengezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Subsidieregeling is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 2.- 1. De minister verstrekt op aanvraag een subsidie aan:

- een stichting, (…)

- 2. Geen subsidie wordt verstrekt:

a. indien de aanvrager voor de indiening van de aanvraag ter zake van de aanschaf van de voorzieningen waarop de aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan;

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 18 september 1997 en door verweerder ontvangen op 22 september 1997, heeft appellante een aanvraag ingediend ter verkrijging van subsidie op grond van de Subsidieregeling voor een dertiental energievoorzieningen, betreffende een frequentieregelaar voor pompen, ventilatoren en compressoren, een zonnecollectorsysteem, tien HR-ketels en een weersafhankelijke optimaliseringsregeling voor de verwarming van bedrijfsgebouwen. Deze voorzieningen zijn voor rekening van appellante in het door haar geëxploiteerde zorgcomplex "C" te D, aangebracht.

- Op 1 december 1997 heeft appellante aan Senter nadere gegevens over voornoemde bedrijfsmiddelen verstrekt, onder meer door overlegging van een aannemingsovereenkomst tussen haar en E van 2 oktober 1997.

- Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder de aanvraag om subsidie gedeeltelijk ingewilligd, in dier voege dat subsidie wordt toegekend tot een bedrag van fl. 26.951,--.

- Bij een daartoe bestemd formulier, ondertekend op 14 oktober 1998 en door verweerder ontvangen op 15 oktober 1998, heeft appellante in het kader van de Subsidieregeling een aanvraag ingediend ter vaststelling van voornoemde subsidie.

- Bij besluit van 20 april 1999 heeft verweerder op appellantes aanvraag om vaststelling van subsidie te kennen gegeven dat geen subsidie kan worden verleend.

- Bij brief van 12 mei 1999, ontvangen door verweerder op 17 mei 1999, heeft appellante tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

- Op 5 juli 1999 is appellante op haar bezwaar gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is onder meer als volgt overwogen en beslist.

" Bevindingen

(…)

Echter, in de vier bijgevoegde facturen van F wordt verwezen naar een opdracht van 8 september 1997 die conform de aanbieding van de G is verstrekt. Aan het project is nummer 725673 toegekend. De werkzaamheden in het kader van dit project zijn in vier termijnen aan u in rekening gebracht. De eerste tot en met de derde termijn bedraagt telkens 30% van de totale aanneemsom en de laatste termijn ongeveer 10%, exclusief meer- en minderwerk.

Overwegingen

Op grond van deze informatie kan niet anders geoordeeld worden dan dat de opdracht op 8 september 1997 is verstrekt. Nu uw aanvraag op 19 september 1997 is ingediend, betekent dit dat de opdracht is verleend voordat de aanvraag bij mij werd ingediend. Dat wordt niet anders nu de aannemingsovereenkomst eerst op 2 oktober 1997, dus nadat de subsidieaanvraag door u was ingediend, werd ondertekend. Die ondertekening is niet meer dan een bevestiging van de eerder aangegane verplichtingen. (…)

U heeft niet aannemelijk gemaakt dat er verschillende opdrachten zijn verstrekt voor werkzaamheden waarop de subsidieaanvraag wel betrekking heeft en voor werkzaamheden waarop de subsidieaanvraag geen betrekking heeft. Uw stelling blijkt noch uit de door u overgelegde aannemingsovereenkomst, noch uit de overgelegde facturen. Immers uit de bij het verzoek om vaststelling gevoegde facturen blijkt duidelijk dat er sprake is van één project en één aanneemsom, terwijl op de facturen steeds uitdrukkelijk wordt vermeld dat die aanneemsom betrekking heeft op uw opdracht van 8 september 1997. De factuurbedragen zijn dan ook vastgesteld als een percentage van de totale aanneemsom en niet als een bedrag voor bepaalde nader genoemde werkzaamheden. Het totale factuurbedrag sluit aan bij het in de notulen van het werkoverleg van 17 juli 1997 genoemde totaalbedrag van ongeveer f 430.000,00. (…)

Voorts draagt het feit, dat met het verstrekken van de opdracht in ieder geval niet gewacht is tot het moment waarop duidelijkheid bestond over de eventuele subsidieverlening, niet bij aan de aannemelijkheid van uw stelling dat gewacht is met het verstrekken van de opdracht voor de voorzieningen waarvoor de subsidieaanvraag was ingediend. Immers op 2 oktober 1997 bestond slechts zekerheid over de ontvangst van de subsidieaanvraag door mij, doch bestond nog geen duidelijkheid over de eventuele subsidieverlening. Dit betekent eveneens dat de opmerking zoals die gemaakt is in de, door de drie betrokken partijen ondertekende, stukken die ik op 16 juli 1999 van u ontving, geen doel treft. Immers hierin is opgemerkt dat indien er geen subsidie zou worden verstrekt voor de aangevraagde voorzieningen, G een alternatieve opdracht zou krijgen ten aanzien van de ketels en de geoptimaliseerde regeling. (…)

Op grond van het voorgaande ga ik er dan ook van uit dat u in ieder geval op 8 september 1998, en mogelijk zelfs daarvóór, opdracht heeft versterkt voor de voorzieningen waarop de subsidieaanvraag betrekking heeft. (…)

Daarom verklaar ik uw bezwaarschrift ongegrond."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Ten onrechte heeft verweerder de onderhavige aanvraag afgewezen en hierbij overwogen dat appellante vóór de indiening van de onderhavige aanvraag ter zake van de aanschaf van de voorzieningen waarop die aanvraag betrekking heeft, verplichtingen heeft aangegaan.

Eerst op 2 oktober 1997 zijn verplichtingen aangegaan, aangezien op die datum een aannemingsovereenkomst met E tot stand is gekomen. Geen sprake is van een eerdere, mondelinge, overeenkomst met voornoemde vennootschap.

De opdracht tot installatie van voornoemde voorzieningen is in de met E gevoerde besprekingen teruggetrokken uit de oorspronkelijke mondelinge opdracht, zulks totdat de aanvraag om subsidie zou zijn ingediend. Dit blijkt uit de besprekingsverslagen en wordt bevestigd in de overgelegde ondertekende verklaringen van de drie betrokken partijen, te weten appellante, E en H.

Direct na de ontvangstbevestiging van de subsidie-aanvraag door verweerder zou met het werk begonnen worden. Aangezien geen twijfel bestond dat subsidie zou worden verleend, is direct na de ontvangst van die ontvangstbevestiging, aan E de opdracht gegeven tot installatie van voormelde voorzieningen. De Subsidieregeling staat toe dat direct na die bevestiging een aanvang wordt gemaakt met de werkzaamheden. In verband met de aanvang van het stookseizoen is, gelet daarop, besloten om niet langer de beslissing van verweerder op de aanvraag af te wachten en is opdracht gegeven tot het verrichten van meergenoemde werkzaamheden.

Het is gebruik in de bouw dat een mondelinge opdracht wordt verstrekt zonder dat de opdrachtgever akkoord is gegaan met alle punten van de opdracht. Op 8 september 1997 heeft appellante aanvaard dat E de renovatie van het zorgcomplex "C" op zich ging nemen. Op die datum is een mondelinge overeenkomst gesloten met E terzake van de voorbereidende werkzaamheden, die niets van doen hebben met de onderhavige subsidieaanvraag. Uiteindelijk is de opdracht aan E verleend na ontvangst van de ontvangstbevestiging van de subsidieaanvraag door verweerder. Op 2 oktober 1997 is die opdracht zowel mondeling als schriftelijk gedaan. Gelet hierop kan de aannemingsovereenkomst van 2 oktober 1997 niet worden aangemerkt als bevestiging van een eerder aangegane mondelinge overeenkomst.

Slechts op grond van het bij verweerder bestaande vermoeden van een voor 8 september 1997 tot stand gekomen overeenkomst is op de onderhavige aanvraag om subsidie afwijzend beslist.

Appellante vordert vernietiging van het bestreden besluit onder gegrondverklaring van haar beroep.

5. De beoordeling van het geschil

Het College staat voor de beantwoording van de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellante vóór de indiening van de onderhavige aanvraag ter zake van de aanschaf van de voorzieningen waarop die aanvraag betrekking heeft verplichtingen heeft aangegaan.

Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Niet in geschil is dat de door appellante op 18 september 1997 ondertekende aanvraag om subsidie op 19 september 1997 is ingediend. Deze datum is gelegen na het tijdstip waarop appellante reeds verplichtingen had aangegaan ter zake van de voorzieningen waarop haar aanvraag betrekking had. Naar het oordeel van het College dient op grond van de beschikbare gegevens te worden uitgegaan van in ieder geval 8 september 1997 als datum waarop verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de door appellante aangemelde investeringen. Het College acht het door appellante gestelde ter zake van het aangaan van verplichtingen op 2 oktober 1997 onvoldoende aannemelijk. Ter zake van zijn oordeelsvorming verwijst het College naar het standpunt en de argumenten van verweerder, als hierboven in rubriek 3 weergegeven, en maakt deze tot de zijne.

Gelet hierop heeft appellante niet voldaan aan het vereiste van het hiervoor aangehaalde artikel 2, tweede lid en onder a, van de Subsidieregeling.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr H.C. Cusell, mr M.A. Fierstra en dr B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 december 2001.

w.g. H.C. Cusell w.g. I.K. Rapmund