Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD7641

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/502
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

No. AWB 00/502 6 december 2001

29010

Uitspraak in de zaak van:

A, te Den Haag, appellant,

gemachtigde: drs. D. Wareman, werkzaam bij Wareman en Schulze Accountants en Belastingadviseurs, te Den Haag,

tegen

de burgemeester van Den Haag, verweerder,

gemachtigde: F.M.J. Schumans, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 13 juni 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 mei 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen de afwijzing van zijn aanvraag om vergunning voor het aanwezig hebben van twee kansspelautomaten als bedoeld in de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend op 27 september 2000.

Op 18 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Bij die gelegenheid hebben partijen hun standpunten doen toelichten door hun gemachtigden. Appellant is in persoon verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In de gemeente Den Haag is ten tijde hier van belang, bij verlening van een vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten, door verweerder het beleid gevoerd dat in horeca-inrichtingen ten hoogste twee speelautomaten werden toegestaan, met dien verstande dat in een hoogdrempelige inrichting maximaal twee kansspelautomaten en in een laagdrempelige inrichting maximaal één kansspelautomaat mochten worden geplaatst.

- Appellant exploiteert een horecagelegenheid gevestigd aan de B, te Den Haag.

- Bij besluit van 15 december 1999 is de door appellant gevraagde vergunning voor de periode van 1 maart 1999 tot 1 maart 2000 voor één kansspelautomaat verleend en voor de tweede geweigerd. In dit besluit is de inrichting aangemerkt als laagdrempelige recreatie-inrichting.

- Tegen voormeld besluit heeft appellant tijdig een bezwaarschrift ingediend.

- Na een gehouden hoorzitting heeft verweerder, in overeenstemming met het door de Adviescommissie bezwaarschriften uitgebrachte advies, het bezwaar ongegrond verklaard.

3. De ontvankelijkheid van het beroep

Allereerst is de vraag aan de orde of appellant op dit moment nog een rechtens te honoreren belang heeft bij het verkrijgen van een uitspraak op zijn beroep. Het College overweegt in verband hiermee als volgt.

De periode waarop de gevraagde vergunning betrekking heeft - en volgens niet ontoelaatbaar te achten beleid kán hebben - loopt van 1 maart 1999 tot 1 maart 2000. Vaststaat dat gedurende bedoeld tijdvak - en zelfs in aansluiting daarop in ieder geval tot aan het tijdstip van de zitting van het College - twee kansspelautomaten in de inrichting aanwezig waren. De wettelijke regeling inzake het aanwezig hebben van kansspelautomaten is inmiddels gewijzigd en ook overigens is van schade als gevolg van het bestreden besluit niet gebleken. De slotsom moet derhalve zijn dat appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van zijn beroep.

Voorgaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het beroep van appellant niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

4. De beslissing

Het College verklaart het beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr W.E. Doolaard in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 december 2001.

w.g. W.E. Doolaard w.g. Th.J. van Gessel