Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD7638

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
19-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
AWB 99/442
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/442 19 december 2001

7450

Uitspraak in de zaak van:

A, te Voorthuizen, appellante,

gemachtigde: mr H.J. Bronkhorst, advocaat te 's-Gravenhage,

tegen

Productschap Zuivel, te Rijswijk, verweerder,

gemachtigde: mr A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 10 mei 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 19 april 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellante, gericht tegen besluiten van 11 september 1998 en 8 maart 1999.

Bij schrijven van 29 juli 1999 heeft appellante het beroep aangevuld met gronden en een aantal producties overgelegd.

Op 14 oktober 1999 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 22 november 2000 heeft het eerste onderzoek ter zitting plaatsgevonden. Partijen hebben daar hun standpunten bij monde van hun gemachtigden toegelicht.

Voor appellante was voorts haar directeur, B, aanwezig. De gemachtigde van verweerder werd ter zitting vergezeld door J.W. Hagen, werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst van het ministerie van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij (hierna: AID). Bij beschikking van 28 februari 2001 heeft het College het onderzoek in de zaak heropend en een aantal vragen aan verweerder gesteld.

Bij brief van 13 maart 2001 heeft verweerder zijn antwoord, vergezeld van een drietal producties, aan het College doen toekomen, waarna appellante bij brief van 5 april 2001 heeft gereageerd.

Het College heeft de zaak wederom behandeld ter zitting van 7 november 2001, waarbij partijen bij monde van de hiervoor vermelde gemachtigden hun standpunten nader hebben toegelicht. De gemachtigde van appellante werd vergezeld door C, werkzaam bij appellante, en de gemachtigde van verweerder werd vergezeld door E.O. Boer, werkzaam bij de AID.

Vervolgens is het onderzoek in de zaak gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 114, eerste lid, aanhef en onder a, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad, tot vaststelling van het communautair douanewetboek, (hierna: CDW) kunnen niet-communautaire goederen, die bestemd zijn om in de vorm van veredelingsproducten uit het douanegebied van de Gemeenschap te worden wederuitgevoerd, in het douanegebied van de Gemeenschap onder de regeling actieve veredeling een of meer veredelingshandelingen ondergaan, zonder dat deze goederen aan rechten bij invoer of aan handelspolitieke maatregelen zijn onderworpen. Dit stelsel wordt blijkens het tweede lid, aanhef en onder a, van artikel 114 CDW "systeem inzake schorsing" genoemd.

Op grond van artikel 117, aanhef en onder b, van het CDW wordt voorzover hier van belang een vergunning voor actieve veredeling slechts verleend wanneer - onder meer - de invoergoederen in de veredelingsproducten kunnen worden geïdentificeerd.

In artikel 551, vierde lid, van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie, houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van het CDW, is bepaald dat de douaneautoriteiten voor de toepassing van artikel 117, onder b, CDW, de methoden van de identificatie vaststellen en daarbij - onder meer - monsters kunnen nemen en analyses kunnen maken.

Artikel 204, eerste lid, van het CDW luidt als volgt:

" Een douaneschuld bij invoer ontstaat:

a) indien niet wordt voldaan aan een van de verplichtingen welke ten aanzien van aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeien uit de tijdelijke opslag van deze goederen of uit het gebruik van de douaneregeling waaronder zij zijn geplaatst, of

b) indien een van de voorwaarden die zijn gesteld voor de plaatsing van de goederen onder deze regeling of voor de toekenning van een verlaagd recht bij invoer of van een nulrecht uit hoofde van het gebruik van de goederen voor bijzondere doeleinden, niet in acht is genomen,

in andere gevallen dan die bedoeld in artikel 203, tenzij vaststaat dat dit verzuim zonder werkelijke gevolgen is gebleven voor de juiste werking van de tijdelijke opslag of de betrokken douaneregeling."

Ingevolge het bepaalde in artikel 3 van de Beschikking actieve veredeling landbouw-goederen (hierna: Beschikking AV), zoals deze gold tot 17 januari 2000, onderscheidenlijk artikel 56, eerste lid, Douaneregeling (Stcrt. 1996, nr. 94, zoals nadien gewijzigd) is verweerder het met de afgifte van een vergunning actieve veredeling bevoegde productschap.

Ingevolge artikel 6, eerste lid, aanhef en onder e, van de Beschikking AV, voorzover hier van belang, verleent het productschap de vergunning slechts aan personen, die tegenover het productschap schriftelijk hebben verklaard toe te laten dat door - onder meer - de AID wordt overgegaan tot controle van hetgeen bij of krachtens deze beschikking is bepaald en daartoe onder andere de goederen in ongewijzigde staat te zullen tonen en te zullen toelaten dat daarvan monsters worden genomen.

Ingevolge het tweede lid van voormeld artikel 6 kan het productschap voorschriften aan de vergunning verbinden en de vergunning onder beperkingen verlenen.

In artikel 9, eerste lid, van de Beschikking AV is bepaald dat de invoer van een goed in het kader van het actief veredelingsverkeer dient te blijken door middel van een door een ambtenaar der douane en accijnzen afgetekend formulier L, als bedoeld in de ten tijde van belang geldende In- en uitvoerbeschikking landbouwgoederen 1986 (thans: de Regeling In- en uitvoer landbouwgoederen 1986).

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 7 juni 1996 heeft verweerder aan appellante overeenkomstig haar aanvraag een vergunning actief veredelingsverkeer, nr PZ (AV) 96/67, verleend om met toepassing van het bepaalde bij of krachtens Verordening (EEG) nr. 2913/92 uit derde landen 112.500 kg mager melkpoeder en 37.500 kg lactose in te voeren ter bewerking/verwerking daarvan tot mager melkpoeder met 25 % toegevoegde lactose.

- In de vergunning is bepaald dat de in te voeren magere melkpoeder, voorzover hier van belang, ingedeeld moet zijn in GN-code 04021019 en uit maximaal 1,5 % vet en 34-36 % eiwit moet bestaan en met de eveneens in te voeren lactose moet worden bewerkt/verwerkt tot mager melkpoeder met 25 % toegevoegde lactose, GN-code 04049021.

In de vergunning is voorts vermeld dat op grond daarvan aan appellante vrijstelling van betaling van landbouwheffingen wordt verleend, indien en voorzover de onder de vergunning ingevoerde hoeveelheid melkpoeder en lactose is verwerkt tot het bedoelde eindproduct en blijkens de daarvoor voorgeschreven en gewaarmerkte documenten (zonder restitutie) zijn bestemming heeft bereikt. Op grond van de vergunning dient appellante tenminste drie werkdagen voordat met de verwerking van de geïmporteerde magere melkpoeder en lactose wordt aangevangen het regionale inspectiekantoor van de AID hiervan schriftelijk in kennis te stellen.

- Appellante heeft van de invoer van de melkpoeder in het kader van de vergunning aangifte gedaan bij landbouwformulier ZX 76333 (betrekking hebbend op LI 55 en LI 56 met een totaalgewicht van 50.000 kg) en landbouwformulier ZX 76334 (LI 57, 58 en 61 met een totaalgewicht van 62.500 kg).

- De AID heeft over de periode van 1 juni tot en met 30 juni 1996 een controle verricht bij appellante, waarvan op 24 oktober 1996 een rapport, nr 1510/96/0074, is opgemaakt. Blijkens het rapport heeft appellante op 17 juni 1996 melding gedaan van be-/verwerkingen op 21 en 24 juni 1996 en zijn op laatstgenoemde datum door de AID monsters genomen van de nog te verwerken partijen magere melkpoeder. Het gewicht van deze partijen bedroeg op dat moment 25.200 kg (LI 55 en 56) en 30.720 kg (LI 57, 58 en 61). Voorts is op 24 juni 1996 een monster genomen van het verkregen eindprodukt.

De bemonsterde hoeveelheid bedroeg blijkens de van de monsterneming door de AID opgemaakte ambtsedige relazen steeds ruim 500 gram. Van de monsters zijn door het Rijks-Kwaliteitsinstituut voor land- en tuinbouwprodukten van de Dienst Landbouwkundig Onderzoek (hierna te noemen: RIKILT) analyseverslagen opgemaakt, waarvan de twee met betrekking tot de partijen te verwerken magere melkpoeder LI 55 en 56, onderscheidenlijk LI 57, 58 en 61 bij het AID-rapport zijn gevoegd. Blijkens deze analyseverslagen bevatte het monster van de partij, bestaande uit LI 55 en 56, 1,7 % vet en 32,9 % eiwit en dat van de partij, bestaande uit LI 57, 58 en 61, 1,2 % vet en 32,1 % eiwit. Op grond hiervan concludeert de AID dat de ten tijde van de fysieke controle verwerkte magere melkpoeder niet heeft voldaan aan de vergunningvoorwaarden.

- Bij brief van 18 september 1996 heeft verweerder aan appellante meegedeeld dat, nu appellantante de ingevoerde producten heeft verwerkt en blijkens L-formulieren bij uitvoer heeft geëxporteerd uit het douanegebied van de Gemeenschap, de door haar ingevolge de vergunning gestelde zekerheid ad fl. 362.351,25 onder voorbehoud van de resultaten van een door de AID in te stellen onderzoek wederom tot haar beschikking komt.

- Naar aanleiding van het AID-rapport heeft verweerder bij besluit van 11 september 1998 aan appellante meegedeeld dat de verwerkte magere melkpoeder niet heeft voldaan aan de in de vergunning vermelde samenstellingseisen, zodat over de ingevoerde 112.500 kg melkpoeder alsnog invoerheffing wordt opgelegd ter hoogte van fl. 348.468,79, inclusief rente.

- Appellante heeft tegen voormeld besluit tijdig bezwaar gemaakt. Hierbij heeft zij gesteld dat dit besluit onredelijk laat is, dat het onjuist is de monsteruitslagen toe te rekenen aan de volledige partijen ingevoerde melkpoeder en dat in de door appellante zelf getrokken doorsneemonsters een vetgehalte is vastgesteld van 1,2 en 1,3 %.

Bij het bezwaarschrift heeft appellante een copie van het RIKILT-analyseverslag met betrekking tot het eindproduct gevoegd, waaruit blijkt dat dit 1 % vet en 25,3 % eiwit bevatte. Naar de mening van appellante brengt dit mee dat het vetgehalte van de te verwerken melkpoeder niet hoger kan zijn geweest dan 1,33 %, hetgeen overeenkomt met haar eigen laboratoriumuitslagen. Met betrekking tot het eiwitgehalte stelt appellante dat dit niet van belang is voor de indeling in de GN-code, terwijl algemeen bekend is dat dit varieert.

- Bij besluit van 8 maart 1999 heeft verweerder appellante meegedeeld dat uit interne controle is gebleken dat over 50.000 kg melkpoeder het verkeerde tarief is gehanteerd. Naar aanleiding van de genomen monsters is immers vastgesteld dat de partij LI 55 en 56 1,7 % vet bevatte, zodat deze moet worden ingedeeld in (GN-)tariefgroep 04022117. Op grond hiervan dient appellante overeenkomstig het voor deze tariefgroep in juni 1996 geldende tarief in aanvulling op het besluit van

11 september 1998 nog een invoerheffing van fl. 51.772,76 te voldoen.

- Ook tegen het besluit van 8 maart 1999 heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

- Op 10 november 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ten overstaan van verweerders hoorcommissie. Blijkens het hiervan opgemaakte verslag is van de zijde van de AID aan de hoorcommissie meegedeeld dat zowel appellante als de AID beschikken over duplicaten van de aan het RIKILT toegezonden monsters alsmede dat de uitslagen van het RIKILT in september of oktober 1996 aan appellante zijn meegedeeld. Deze informatie is door appellante op de hoorzitting niet weersproken. Voorts kon appellante geen antwoord geven op de vraag waarom zij haar duplicaat-monster(s) niet voor heronderzoek heeft opgestuurd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Dit besluit houdt onder meer het volgende in.

" Het tijdsverloop tussen ontvangst van het rapport door het productschap en de afwikkeling van het rapport door middel van het bestreden besluit leidt niet tot het oordeel dat niet tot navordering kan worden overgegaan. In het onderhavige geval is geen wettelijke verjaringstermijn overschreden.

De door A zelf getrokken monsters kunnen de bevindingen van het RIKILT niet weerleggen. Het betreft immers geen door een onafhankelijke instelling genomen en onderzochte monsters.

Het eiwitgehalte is in de vergunning opgenomen, daar deze in de aanvraag van Vreugdenhil zelf voorkwam. Het eiwitgehalte vormt mede een element voor de identificatie van de te verwerken grondstof.

De analyse van het eindproduct door het RIKILT vormt geen argument voor de stelling dat het vetpercentage van de gebruikte melkpoeder op 1,33 % lag. Het in het eindproduct bevonden vetpercentage kan immers ook worden bereikt door gebruik van melkpoeder met verschillende vetgehaltes zoals door de AID geconstateerd (1,2 % en 1,7 %).

De stelling dat oplegging van de heffing onredelijk is, omdat alle uitgevoerde goederen conform de vergunning zijn verwerkt en uitgevoerd, is onjuist daar dit slechts een van de verplichtingen betreft voorvloeiende uit de regeling actieve veredeling."

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

4.1 Het bestreden besluit berust op een onjuiste feitelijke grondslag, nu verweerder ten onrechte aan de hand van het AID-rapport en de daarin opgenomen RIKILT-analyseresultaten heeft geconcludeerd dat de vet- en eiwitpercentages van het te verwerken product afweken van de omschrijving hiervan in de aan appellante verleende vergunning.

Ter zitting van 7 november 2001 heeft appellante in dit verband - kennelijk primair - gesteld dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van twee partijen melkpoeder, die elk met een afzonderlijk landbouwinvoerformulier (hierna: L-formulier) zijn ingevoerd. De twee L-formulieren hebben echter betrekking op onderscheidenlijk twee en drie partijen, welke 5 partijen afzonderlijk hadden moeten worden bemonsterd.

Subsidiair acht appellante de monsters van de te verwerken melkpoeder niet representatief voor de ingevoerde (verzamel)partijen, nu van de partij van totaal 62.500 kg nog 30.720 kg over was en van de partij van 50.000 kg nog 25.200 kg.

Hierbij komt dat de wijze van monsterneming niet in overeenstemming is met het Voorschrift monsterneming en monsteronderzoek. Ingevolge dit voorschrift dient het minimumgewicht van een eindmonster van droge stoffen vallend onder GN-code 04.02 500 gram te zijn, terwijl bij monsterneming een zodanig hoeveelheid uit de te bemonsteren goederen dient te worden genomen dat daaruit tenminste drie eindmonsters kunnen worden samengesteld. Dit betekent dat het monster tenminste 1.500 gram zou hebben moeten bedragen. Nu de monsters van de te verwerken partijen melkpoeder elk ruim 500 gram bedroegen is hieraan niet voldaan.

Bovendien zijn de analyseresultaten van de te verwerken melkpoeder strijdig met het analyseresultaat van het eindproduct. Bij toevoeging van 25 % lactose met 0 % vet aan 75 % mager melkpoeder betekent het geanalyseerde vetgehalte van het eindproduct (1 %) dat het vetgehalte van de verwerkte magere melkpoeder niet hoger kan zijn geweest dan

1 % x 100/75 = 1,33 %. Anders dan verweerder stelt brengt het vetpercentage van het eindprodukt met zich mee dat het analyseresultaat betreffende de partijen LI 55 en 56 van 1,7 % vet niet juist kan zijn, nu immers acht moet worden geslagen op het totale gewicht van de verwerkte partijen en het totale gewicht van het eindprodukt in relatie tot de bevonden percentages. Hier komt bij dat het vetpercentage in het eindproduct, anders dan dat van het te verwerken product, betrouwbaar is, omdat het gemengde product homogeen is en een daaruit genomen monster dus altijd representatief.

Voorts blijkt uit de RIKILT-analyse van het eindproduct de aanwezigheid van 25,3 % eiwit. Op grond van de zelfde berekeningsmethode betekent dit dat de te verwerken melkpoeder een eiwitgehalte had van 25,3 % x 100/75 = 33,7 %. Appellante merkt in dit verband overigens op dat het eiwitgehalte niet van invloed is op de tariefpostindeling van melkpoeder. Reeds om die reden vermag zij niet in te zien waarom een eventueel ten opzichte van de vergunning afwijkend eiwitgehalte aanleiding kan geven tot het alsnog opleggen van heffing. Bovendien varieert het eiwitgehalte van melk sterk per seizoen; reden waarom verweerder sinds 1997 in vergunningen actief veredelingsverkeer een indicatief eiwitgehalte opneemt en van een enigzins afwijkend eiwitgehalte in ingevoerde partijen geen probleem maakt. Voorts vermag appellante niet in te zien dat het eiwitgehalte van belang is voor de identificatie van de te verwerken grondstof. De AID heeft, zoals ook ter zitting van het College is gebleken, ten tijde van de controle geen enkele moeite gehad de door appellante onder vigeur van de vergunning ingevoerde en nog aanwezige melkpoeder, die in de oorspronkelijke verpakking zat, te identificeren.

De twee door het RIKILT opgestelde analyses van de te verwerken magere melkpoeder zijn strijdig met door appellante in haar eigen laboratorium door een beëdigd chemicus uitgevoerde analyses. Verweerder kan niet zonder meer aan laatstgenoemde analyses voorbij gaan. In dit verband mag naar de mening van appellante niet onvermeld blijven dat verweerder aanvankelijk wel het AID-rapport aan appellante ter hand heeft gesteld, maar daarbij niet het voor appellante gunstige RIKILT-analyserapport van het eindproduct heeft gevoegd. Hierbij komt nog dat de som van de percentages van de in de melkpoeder aangetroffen bestanddelen, zoals deze zijn vermeld in de daarop betrekking hebbende RIKILT-analyses, niet leidt tot 100 %, maar tot ruim 95 onderscheidenlijk 96 %, terwijl er, voorzover aan appellante bekend, geen andere bestanddelen dan die genoemd in deze rapporten in melkpoeder aanwezig zijn.

Voorts heeft appellante opgemerkt dat, nu de te verwerken melkpoeder geen homogeen product is, de genomen monsters uit het nog te verwerken deel van de partijen ook om deze reden niet representatief kunnen worden geacht voor voor het reeds verwerkte deel van die partijen.

4.2 Zelfs indien zou moeten worden aangenomen dat de vet- en eiwitgehalten van de verwerkte melkpoeder afweken van de omschrijving in de vergunning, is de (verhoogde) heffing ten onrechte opgelegd, nu in het onderhavige geval geen douaneschuld is ontstaan.

Van onttrekking aan het douanetoezicht als voorzien in artikel 203 van het CDW is in ieder geval geen sprake, terwijl voorts niet wordt voldaan aan de voorwaarden als bedoeld in artikel 204, eerste lid onder a) en b). Appellante is noch in de situatie dat zij een verplichting heeft geschonden ten aanzien van de aan rechten bij invoer onderworpen goederen voortvloeiende uit de tijdelijke opslag noch heeft zij bij het gebruik van deze goederen enige verplichting uit het CDW of enige andere wettelijke regeling geschonden.

Indien artikel 204, eerste lid, van het CDW niettemin van toepassing zou moeten worden geacht, is een eventueel verzuim zonder werkelijke gevolgen gebleven voor de juiste werking van de douaneregeling. In dit verband moet worden bedacht dat een geringe afwijking van het in de aanvraag opgegeven percentage vet en eiwit van de grondstoffen in feite niet van belang is. Het ging om het mengen van magere melkpoeder en lactose, die zijn ingevoerd en binnen de daarvoor gestelde termijn zijn verwerkt tot het eindproduct, zoals aangegeven in de vergunning. Gelet op het vorenstaande is het opleggen van landbouwheffing over alle door appellante in het kader van de vergunning ingevoerde melkpoeder in ieder geval strijd met het evenredigheidsbeginsel.

Appellante wijst er tenslotte op dat in twee vergelijkbare gevallen door de belasting-dienst/douane is afgezien van het opleggen van landbouwheffing, ter staving waarvan zij een aantal producties in het geding heeft gebracht. Naar de opvatting van appellante is het een vreemde zaak als verschillende instanties over vrijwel identieke zaken andersluidende beslissingen nemen.

5. Het nadere standpunt van verweerder

Naar aanleiding van de door het College bij de beschikking van 28 februari 2001 gestelde vragen en ter gelegenheid van de zitting van 7 november 2001 heeft verweerder er op gewezen dat voor AID-controle op de naleving van vergunningvoorschriften bij actieve veredeling geen specifieke voorschriften bestaan. Om die reden heeft de AID de controle in het bedrijf van appellante verricht op basis van de, door haar veelvuldig voor melkpoeder in het kader van andere regelgeving gebruikte, methode als vervat in onderdeel 5A van Richtlijn 76/371/EEG d.d. 1 maart 1976 van de Commissie, houdende vaststelling van gemeenschappelijke bemonsteringsmethoden voor de officiële controle van diervoeders (hierna: de Richtlijn).

Voor de onderhavige partijen LI 55 en 56 enerzijds en LI 57, 59 en 61 anderzijds zijn twee invoeraangiften gedaan; de monsters hebben betrekking op de twee aldus te onderscheiden partijen. Aan de hand van de bij de Richtlijn voorgeschreven methode heeft de AID van beide partijen melkpoeder uit 23 à 24 zakken ondermonsters genomen, die vervolgens zijn samengevoegd tot verzamelmonsters. Uiteindelijk zijn van beide partijen 3 eindmonsters gemaakt van elk 500 gram; één daarvan was bestemd voor het RIKILT en de twee duplicaat-monsters per partij waren bestemd voor de AID en appellante en zijn op het bedrijf van appellante achtergelaten. Uit het vorenstaande volgt dat in de ambtsedige relazen ten onrechte is vermeld dat de bemonsterde hoeveelheid ruim 500 gram bedraagt; dit ziet slechts op het voor het RIKILT bestemde eindmonster.

De AID controleert steekproefsgewijs. Nu op het moment van monsterneming (24 juni 1996) nog van alle vijf deelpartijen hoeveelheden over waren, valt - mede gelet op het grote aantal bemonsterde verpakkingen - niet in te zien waarom de monsters niet representatief zouden zijn voor de twee partijen. Het eventueel niet volledig homogeen zijn van melkpoeder wordt ondervangen door de wijze van bemonstering.

Namens verweerder is voorts opgemerkt dat het constateren van een hoger vetgehalte van de melkpoeder betekent dat een ander product is ingevoerd dan waarvoor vergunning is verleend. Voor dit andere product geldt een hogere invoerheffing dan voor de melkpoeder waarop de vergunning betrekking heeft.

Het eiwitgehalte is naar de opvatting van verweerder van belang voor de identificatie van het te veredelen product bij de controle op de naleving van de vergunningvoorwaarden. Bovendien is juist bij landbouwproducten van belang dat exact komt vast te staan welk product is gemaakt.

Tenslotte heeft verweerder opgemerkt dat de belastingdienst/douane in de gevallen waar appellante naar verwijst, zijns inziens ten onrechte van invoerheffing heeft afgezien.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het College stelt voorop dat in de regelgeving met betrekking tot actieve veredeling geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot in het kader van controle te verrichten monsterneming.

Het (Douane-)Voorschrift, waar appellante zich op beroept, is vervangen door een Besluit monsterneming en -onderzoek van 4 oktober 1994, DGM 94/2381 (opgenomen in het Handboek In- en uitvoer, deel C, Algemene Douane- en aanverwante wetgeving ***, onder 1.85.G.2). In dit Besluit, dat voor bemonstering van melkpoeder geen specifieke methode voorschrijft, wordt voor monsterneming in het algemeen onder meer verwezen naar Richtlijn 76/371.

Na de beschikking heropening is voor het College genoegzaam komen vast te staan dat de ambtsedige relazen van de AID geen juiste informatie bevatten met betrekking tot de door haar bemonsterde hoeveelheden en dat de AID de monsterneming, anders dan uit de rapportage naar voren lijkt te komen, wel degelijk heeft verricht op een manier, die voldoet aan de met het oog op de vereiste representativiteit te stellen eisen.

Al hetgeen appellante hiertegen heeft aangevoerd heeft het College niet kunnen overtuigen. Met name kunnen de door appellante zelf gemaakte analyses niet als overtuigend tegenbewijs worden aangemerkt. Appellante heeft voorts nagelaten de door de AID op haar bedrijf achtergelaten duplicaat-monsters, waarvan moet worden aangenomen dat deze nog in haar bezit waren toen zij - blijkens hetgeen hiervoor in rubriek 2.2. is weergegeven - van de analyseresultaten op de hoogte kwam, voor contra-onderzoek in aanmerking te brengen. Indien en voorzover appellante beoogt te stellen dat zij in bewijsproblemen verkeert, heeft zij dit aan zichzelf te wijten.

6.2. Partijen zijn verdeeld over het antwoord op de vraag wat onder een - te bemonsteren - "partij" moet worden verstaan.

Vast staat dat appellante de totale hoeveelheid melkpoeder van 112.500 kg, waarop de vergunning van 7 juni 1996 betrekking heeft, in twee deelhoeveelheden van onderscheiden-lijk 62.500 en 50.000 kg heeft ingevoerd en dat terzake van deze invoer twee landbouw-formulieren zijn afgetekend als bedoeld in artikel 9 van de Beschikking AV.

Ten tijde van belang was terzake van invoer van melkpoeder uit derde landen normaliter een per invoeraangifte te berekenen heffing verschuldigd, welke heffing echter gelet op het in het kader van actieve veredeling geldende "systeem inzake schorsing" (aanvankelijk) niet aan appellante in rekening werd gebracht.

Nu appellante de totale hoeveelheid melkpoeder, als vermeld in de vergunning actieve veredeling, bij twee afzonderlijke L-formulieren heeft ingevoerd, heeft verweerder zich, gezien het vorenstaande en mede gelet op artikel 9, eerste lid van de Beschikking AV, naar het oordeel van het College op goede gronden op het standpunt gesteld dat in het onderhavige geval sprake was van twee partijen melkpoeder.

6.3. Met verweerder komt het College tot de slotsom dat uit het RIKILT-analyseverslag met betrekking tot de partij, bestaande uit LI 55 en 56, is gebleken dat een ander product is ingevoerd, dan het product waarop de vergunning betrekking had. In de vergunning is immers tevens de GN-code (04021019) van de te verwerken melkpoeder vermeld.

De GN-code is een essentieel kenmerk van het in te voeren product, aangezien op basis daarvan de normaal verschuldigde invoerrechten - waaronder de onderhavige heffing - worden berekend en deze code derhalve eveneens van belang is voor de hoogte van het geschorste invoerrecht onder de regeling actieve veredeling. Nu vaststaat dat de onderhavige partij een vetpercentage had van 1,7 en daarmee viel onder de GN-code 04022117, heeft verweerder gelet op artikel 204, eerste lid, aanhef en onder b, CDW terecht geconstateerd dat appellante over deze partij alsnog de voor deze GN-code geldende heffing moest betalen. Aangezien appellante met betrekking tot de onderhavige partij niet heeft voldaan aan een als hoofdverplichting aan te merken vergunning-voorwaarde, faalt haar beroep op het evenredigheidsbeginsel. Voorzover zij met haar verwijzing naar in haar visie vergelijkbare gevallen tevens een beroep heeft willen doen op het gelijkheidsbeginsel, kan dit haar evenmin baten. Vast staat immers dat in die gevallen door een andere instantie dan verweerder is beslist.

6.4. Zoals ook door appellante is betoogd, is het eiwitgehalte echter niet van belang voor de indeling van de magere melkpoeder in een bepaalde GN-code en daarmee evenmin voor de hoogte van de - als gevolg van de vergunning geschorste - heffing.

Blijkens het bestreden besluit heeft verweerder het eiwitgehalte in de vergunning opgenomen omdat dit in de aanvraag van appellante zelf voorkwam. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder opgemerkt niet uit te (kunnen) sluiten dat, indien appellante in de aanvraag een lager eiwitgehalte zou hebben vermeld, dit lagere percentage ook in de vergunning zou zijn opgenomen.

Voorts acht het College de ter zitting door verweerder gemaakte opmerkingen, inhoudend dat vanaf 1997 in vergunningen actieve veredeling een "circa-aanduiding" van het eiwitgehalte wordt opgenomen, niet zonder betekenis. Verweerder kon in dit verband geen antwoord geven op de vraag welke afwijkingen bij voormelde "circa-aanduiding" door hem (nog) acceptabel geacht worden, noch op welke grond dit geschiedt.

Het in het bestreden besluit genoemde argument dat het eiwitgehalte mede een element vormt voor de identificatie van de grondstof, vindt in het onderhavige geval geen steun in hetgeen is op de zitting van 7 november 2001 door de vertegenwoordiger van de AID naar voren is gebracht. Immers, uitdrukkelijk is meegedeeld dat de AID de op 24 juni 1996 bemonsterde partijen tezamen met de (originele) verpakking heeft aangetroffen en dat de AID het eiwitgehalte slechts van belang achtte in verband met hetgeen hieromtrent in de vergunning was bepaald.

Nu bovendien het verwerkte product blijkens de hierop betrekking hebbende RIKILT-analyse voldeed aan hetgeen dienaangaande in de vergunning is bepaald, valt ook niet zonder meer in te zien dat de omstandigheid dat - in de bewoordingen van verweerder - "juist bij landbouwproducten van belang is dat exact komt vast te staan welk product is gemaakt", maakt dat een van de vergunning afwijkend eiwitpercentage in de te verwerken melkpoeder tot het alsnog verschuldigd zijn van heffing zou moeten leiden.

Op grond van het vorenstaande voldoet het bestreden besluit, voorzover hierbij de bezwaren met betrekking tot de partij, bestaande uit LI 57, 58 en 61, ongegrond zijn verklaard, niet aan het ingevolge artikel 7:12 van de Awb geldende vereiste van een deugdelijke motivering en komt het op grond hiervan voor vernietiging in aanmerking.

6.5. Het beroep is derhalve gegrond. Verweerder moet opnieuw beslissen op de bezwaren van appellante met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

Het College ziet voorts aanleiding voor nevenbeslissingen als hierna in het dictum van deze uitspraak vermeld.

7. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op de bezwaren van appellante, met inachtneming van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de door appellante in verband met het beroep gemaakte proceskosten, welke worden bepaald op

fl. 2.130,--;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad fl. 450,- vergoedt.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr C.J. Borman, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 19 december 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel