Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD7637

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/182
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/182 12 december 2001

4240

Uitspraak in de zaak van:

A, h.o.d.n. Handelskwekerij A Bloemen, te B, appellant,

tegen

het Produktschap Tuinbouw, te Zoetermeer, verweerder,

gemachtigde: mr H.J.E. Wilms van Kersbergen, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 23 februari 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 3 februari 2000. Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar dat appellant heeft gemaakt tegen verweerders besluit van 16 december 1999, waarbij aan hem een heffing is opgelegd van fl. 1990,11.

Verweerder heeft op 17 april 2000 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 oktober 2001 alwaar partijen hun standpunt nader hebben toegelicht, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De op 9 december 1975 vastgestelde Verordening PVS Vakheffing Bloemkwekerij-produkten 1976 ( hierna: de Verordening Vakheffing), luidt, zoals nadien gewijzigd en voorzover hier van belang, als volgt:

" Artikel 2

1. Iedere kweker, onderscheidenlijk iedere importeur van bloemkwekerijprodukten en/of uitgangsmateriaal is verplicht over de door hem in enig kalenderjaar verhandelde - voorzover door hem gekweekte - onderscheidenlijk door hem in het desbetreffende kalenderjaar geïmporteerde bloemkwekerijprodukten en/of uitgangsmateriaal, aan het PVS een heffing te betalen ten bedrage van het hieronder genoemde heffingspercentage van het verkoopbedrag van de door hem in dat jaar verhandelde, onderscheidenlijk van de invoerwaarde van de door hem in dat jaar geïmporteerde bloemkwekerijprodukten en/of uitgangsmateriaal:

tot 1996 in 1996 in 1997 in 1998 en

volgende

jaren

bloemkwekerij- 0,8% 0,95% 1,05% 1,15%

produkten

uitgangsmateriaal 0,8% 0,675% 0,725% 0.775%

(…)

5. Een ieder die over door hem verhandelde bloemkwekerijprodukten de heffing terzake van de "Blumenwerbung" is verschuldigd ontvangt van het PVS een restitutie ter grootte van die heffing met een maximum van 0,1% van de waarde van vorenbedoelde bloemkwekerijprodukten, mits hij aan de hand van bewijsstukken aan en ten genoegen van het PVS aantoont:

a. dat hij die heffing heeft betaald;

b. dat hij over vorenbedoelde door hem verhandelde bloemkwekerijprodukten

de vakheffing was verschuldigd.

(…)

Artikel 6

Een kweker, onderscheidenlijk een importeur van bloemkwekerijprodukten wordt geacht, indien hij door hem gekweekte, onderscheidenlijk geïmporteerde bloemkwekerijprodukten door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde produkten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het PVS de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het PVS is ontvangen.

Artikel 7

1. Iedere verkoper van bloemkwekerijprodukten heeft het recht aan de afnemers van door hem gekweekte bloemkwekerijprodukten onderscheidenlijk van door hem rechtstreeks doorverhandelde bloemkwekerijprodukten, het hieronder genoemde heffingspercentage van het verkoopbedrag der door hem aan die afnemers verhandelde bloemkwekerijprodukten in rekening te brengen:

tot 1996 in 1996 in 1997 in 1998 en vol- gende jaren

bloemkwekerij- 0,35% 0,425% 0,475% 0,525%

produkten

2. Indien een verkoper van bloemkwekerijprodukten, van het hem in het vorige lid toegekende recht gebruik maakt, zijn de desbetreffende afnemers verplicht het aan hen krachtens het bepaalde in het vorige lid in rekening gebracht, aan die verkoper te voldoen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij nota van 16 december 1999 heeft verweerder appellant over het jaar 1998 op grond van de Verordening Vakheffing een heffing opgelegd van totaal fl. 1990,11. Dit bedrag is opgebouwd uit fl. 1310,53 voor verkopen via Duitse veilingen, fl. 16,21 voor verkopen aan particulieren en fl. 663, 37 als voorschot voor het jaar 1999.

- Bij brief van 3 januari 2000 heeft appellant bezwaar gemaakt tegen het gedeelte van de nota waarbij hem een heffing wordt opgelegd voor verkopen via Duitse veilingen. Bij brief van 24 januari 2000 heeft appellant kenbaar gemaakt een mondelinge behandeling van zijn bezwaren niet nodig te achten.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt voorzover van belang - samengevat - het volgende in.

Ingevolge de Verordening Vakheffing is de kweker een heffing verschuldigd over alle door hem in enig kalenderjaar gekweekt(e) en verhandeld(e) bloemkwekerijproducten en/of uitgangsmateriaal, ongeacht de bestemming hiervan. Van discriminatie naar land van bestemming is dan ook geen sprake.

Voor de verkopen via de Nederlandse veiling wordt de door de kweker verschuldigde heffing via de veiling ingehouden. Ook in Duitsland wordt via de veiling op de verkopen van bloemkwekerijproducten een heffing voor onder meer promotie-activiteiten ingehouden. Verweerder heeft een regeling getroffen voor de kwekers, die zowel in Nederland als in Duitsland een heffing verschuldigd zijn, in die zin dat de in Duitsland betaalde heffing (tot een maximum van 1%) kan worden verrekend. Hiermee wordt, aldus verweerder, voorkomen dat tweemaal voor de promotie in Duitsland zou moeten worden betaald.

Bovendien valt uit de nota op te maken dat de verkopen in Duitsland, waarnaar met het oog op de op te leggen heffing apart wordt geïnformeerd, voor minder dan de volle 100%, namelijk voor 90,82%, worden belast.

Het uitgangspunt van de Verordening Vakheffing is dat de heffing volledig wordt geïnd bij de verkopende kweker. De verordening biedt de kweker die zijn producten in Nederland verkoopt, evenwel de mogelijkheid om een deel van die heffing door te berekenen aan zijn afnemer. Dit gebeurt in de praktijk door de Nederlandse veiling, die ook het afnemersdeel inhoudt ten behoeve van verweerder. Met het kiezen voor een afzet in een ander land wordt door de kweker afgezien van deze doorberekeningsmogelijkheid, doch dit is een eigen keuze.

De stelling van appellant, dat hij hooguit het als kwekersdeel aangeduide gedeelte van de heffing verschuldigd zou zijn is in strijd met voormeld uitgangspunt en derhalve onjuist.

Het bezwaar is ongegrond.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het beroep beperkt zich uitdrukkelijk tot het feit dat verweerder appellant, die producent is, tevens het gedeelte van de heffing in rekening brengt, dat appellant in verband met zijn verkopen via de Duitse veiling niet kan doorberekenen aan de afnemer. Het kan niet zo zijn dat de Verordening vakheffing met betrekking tot het kopersgedeelte van de heffing zo vrijblijvend is als verweerder stelt. In dat geval zouden handelaren zich allang massaal aan hun bijdrageplicht hebben onttrokken.

5. De beoordeling van het geschil

Het College stelt vast dat de door verweerder aan appellant in rekening gebrachte heffing in overeenstemming is met de door appellant aan verweerder verschafte gegevens inzake zijn verkoop via de Duitse veiling en dat de heffing in overeenstemming met het bepaalde in artikel 2 van de Verordening Vakheffing is. Ingevolge dit artikel is immers de kweker de gehele heffing verschuldigd.

De omstandigheid dat het appellant, in verband met de verkoop van bloemkwekerijproducten via de Duitse veiling, anders dan bij verkoop via de Nederlandse veiling waarbij de veiling optreedt als instantie die ten behoeve van verweerder de heffing int, niet mogelijk is het zogenoemde afnemersdeel van de heffing door te berekenen doet, daargelaten de dubieuze juridische fundering van deze doorberekening, aan de rechtmatigheid van het opleggen van de gehele verschuldigde heffing aan appellant niet af.

Het beroep is derhalve ongegrond.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas