Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD7636

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-12-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/699
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 00/699 12 december 2001

14805

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Verkeer en Waterstaat, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr H.J. 't Hart en mr W.E. van Haveren, beiden werkzaam bij verweerders Ministerie.

1. De procedure

Op 17 augustus 2000 heeft het College van appellant een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 juli 2000.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen een besluit van verweerder van 24 januari 2000, waarbij aan C te D een verklaring als bedoeld in artikel 28 van het- destijds geldende- Besluit Personenvervoer is verleend, niet-ontvankelijk verklaard.

Verweerder heeft op 4 december 2000 een verweerschrift ingediend.

Op 31 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden alwaar partijen, appellant in persoon en verweerder bij monde van zijn gemachtigden, hun standpunt nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 65 van de Wet personenvervoer luidde ten tijde van belang:

" Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

Artikel 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voor zover hier van belang:

" 1. Degene aan wie het recht is toegekend tegen een besluit beroep op een administratieve rechter in te stellen, dient alvorens beroep in te stellen tegen dat besluit bezwaar te maken, tenzij (….)"

Artikel 1:2 van de Awb luidt, voor zover hier van belang:

" 1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij besluit van 24 januari 2000 is aan C een verklaring afgegeven dat hij ten genoegen van verweerder heeft aangetoond dat hij gedurende de laatste zes jaren belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming met als hoofdactiviteit besloten busvervoer, als bedoeld in artikel 1 van de - ten tijde van belang geldende - Wet personenvervoer.

- Op 25 februari 2000 heeft appellant tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend met onder meer de volgende inhoud:

" Met dit schrijven wil ik bezwaar maken tegen de beslissing tot verlening van een 6-jaren verklaring toegekend aan C h.o.d.n. F reizen cq H, activiteiten uitvoerende aan de G-weg te B.

De grond van het bezwaar is dat er mijnerzijds een zeer groot vermoeden bestaat dat er stukken zijn ingebracht die betrekking hebben op de oude situatie waardoor er zaken oneigenlijk zijn gebruikt.

Ik wil u dan ook verzoeken, indien mogelijk, om inzage in de stukken.

Als dit niet mogelijk is hoor ik graag van u wat mijn mogelijkheden zijn om deze zaak verder te onderzoeken."

- Bij brief van 14 maart 2000 heeft de hoorcommissie Bezwaarschriften Rijksverkeersinspectie appellant verzocht aan te geven welke belangen van hem rechtstreeks betrokken zijn bij het besluit ten aanzien van C.

- Bij brief van 21 maart 2000 heeft appellant in reactie hierop, onder meer het volgende meegedeeld:

" Allereerst was ik destijds mede-eigenaar van het bedrijf dat door C is overgenomen en was C bij dat bedrijf aangesteld als boekhouder.

Hieruit voortvloeiende bestaat bij mij het vermoeden dat C, die zijn zaken heeft ondergebracht bij dezelfde accountant als ik, zaken oneigenlijk heeft gebruikt en zodoende onterecht een 6-jaren verklaring heeft verkregen.

In deze context wil ik u er verder op wijzen dat het mij bevreemdt waarom u niet met mij in contact bent getreden omtrent de beslissing tot het verlenen van een 6-jaren verklaring, omdat ik op de hoogte ben van zaken die de heer Slits al dan niet uitgevoerd zou hebben."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" De bezwaren van A berusten, zoals hij zelf zegt, op het vermoeden dat J (bedoeld is: C) zaken oneigenlijk heeft gebruikt, waardoor hij ten onrechte de 6-jaar verklaring zou hebben verkregen. Dit vermoeden wordt op geen enkele wijze gestaafd met feiten.

In het bestreden besluit wordt daarentegen overwogen dat door de Minister is vastgesteld en dus door C is aangetoond, dat hij gedurende zes jaar belast is geweest met het dagelijks beheer van een onderneming, dienst of bedrijf als bedoeld in artikel 28 van het Besluit personenvervoer.

Gezien het vorenstaande kan worden gekonkludeerd dat A niet heeft aangetoond dat hij een rechtstreeks, dat wil zeggen een hem min of meer persoonlijk aangaand belang bij het bestreden besluit heeft en dat hij ter zake van dat besluit dus niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt.

Nu A ter zake van het door hem bestreden besluit niet als belanghebbende, als bedoeld in artikel 1:2, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht kan worden aangemerkt, verklaar ik onderhavige bezwaar niet-ontvankelijk."

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd:

" Allereerst wil ik u er op wijzen dat ik niet in de gelegenheid ben gesteld om mijn vermoedens te staven aan de feiten omdat mij geen, ondanks mijn verzoek daartoe, inzage in de stukken is verleend.

Verder wil ik u vragen hoe het mogelijk is dat de RVI voorbij gaat aan het feit dat men in een bepaalde periode voor een en hetzelfde bedrijf 2 keer een 6-jaren verklaring kan afgeven. Hiermede bedoel ik te zeggen dat in een bepaalde periode van deze 6-jaren zowel aan ondergetekende als aan C een 6-jaren verklaring is afgegeven!!! Insinueert de RVI hiermede dat in die periode C de dagelijkse leiding gehad zou hebben terwijl ondergetekende directeur was van bedoelde onderneming?"

5. De beoordeling van het geschil

Aan de orde is de vraag of verweerder in het bestreden besluit op goede gronden tot de slotsom is gekomen, dat appellant geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2 Awb.

Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt hiertoe als volgt.

Blijkens de wetsgeschiedenis bij artikel 1:2 Awb wordt met de woorden "wiens belang rechtstreeks betrokken is" een zekere begrenzing beoogd. Een louter subjectief gevoel van sterke betrokkenheid bij een bestuursbesluit dat bij appellant klaarblijkelijk aanwezig is - hij is van mening dat de afgifte van de verklaring volstrekt ten onrechte heeft plaatsgevonden - is niet voldoende om te spreken van een rechtstreeks betrokken belang.

Overigens is het College van enig ander belang, dat appellant wel als belanghebbende zou kwalificeren, zoals schade ten gevolge van de afgifte van de verklaring, niet gebleken.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr M.A. van der Ham en mr H.G. Lubberdink, in tegenwoordigheid van mr F.W. du Marchie Sarvaas, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 december 2001.

w.g. D. Roemers w.g. F.W. du Marchie Sarvaas