Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD7633

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-11-2001
Datum publicatie
27-12-2001
Zaaknummer
AWB 99/1028
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit biotechnologie bij dieren 1
Besluit biotechnologie bij dieren 6
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 66
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 69
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 109
Gezondheids- en welzijnswet voor dieren 113
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/1028 22 november 2001

11245

Uitspraak in de zaak van:

Vereniging AVS Proefdiervrij, statutair gevestigd te Den Haag, appellante, handelend in haar hoedanigheid van rechtsopvolgster van de op 1 januari 2000 gefuseerde rechtspersonen Anti-Vivisectie-Stichting en Vereniging Proefdiervrij, ten tijde hier van belang beide statutair gevestigd te Den Haag,

gemachtigden: mr V.R. Wösten, juridisch adviseur te Amsterdam, en drs F.P. Wassenberg, werkzaam bij appellante,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuurbeheer en Visserij, te Den Haag, verweerder,

gemachtigden: mr drs P.J. Kooiman en drs J.L. Thio, beiden werkzaam op verweerders ministerie,

aan welk geding voorts als partij deelnemen:

1. Universiteit Leiden, te Leiden,

gemachtigde: dr J.S. Verbeek, werkzaam bij de Universiteit Leiden, en

2. TNO-Preventie en Gezondheid, te Leiden.

1. De procedure

Bij beroepschrift van 13 december 1999, op 15 december 1999 afgegeven en voor ontvangst gestempeld op het bezoekadres van het College en op 16 december 1999 geregistreerd ter griffie van het College, hebben de rechtsvoorgangsters van appellante beroep ingesteld tegen een besluit van 3 november 1999 van verweerder.

Bij dit besluit van 3 november 1999 met kenmerk VVM/BD 99.18(C001a) heeft verweerder de Rijksuniversiteit Leiden, thans Universiteit Leiden (hierna: UL), en TNO-Preventie en Gezondheid te Leiden (hierna: TNO) een vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd), verleend voor het verrichten van biotechnologische handelingen.

Op 25 mei 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 maart 2001 heeft het College de UL in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Het College heeft het beroep behandeld ter zitting van 11 oktober 2001, alwaar partijen hun standpunt bij monde van hun gemachtigden nader hebben toegelicht. Van de zijde van de UL was ter zitting aanwezig dr J.S. Verbeek. De werkwijze van de Commissie biotechnologie bij dieren (hierna: de Commissie) en het door haar in deze zaak uitgebrachte advies zijn toegelicht door mr drs H. Lommers, secretaris van de Commissie.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwd wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 66

Het is zonder vergunning verboden:

a. het genetisch materiaal van dieren te wijzigen op een wijze die voorbij gaat aan de natuurlijke barrières van geslachtelijke voortplanting en van recombinatie;

b. biotechnologische technieken bij een dier of een embryo toe te passen;

(…)

2. Op een aanvraag voor een vergunning als bedoeld in het eerste lid beslist Onze Minister, gehoord de Commissie biotechnologie bij dieren, bedoeld in artikel 69.

3. Een vergunning als bedoeld in het eerste lid wordt slechts verleend indien naar het oordeel van Onze Minister:

a. de handelingen geen onaanvaardbare gevolgen hebben voor de gezondheid of het welzijn van dieren en

b. tegen de handelingen geen ethische bezwaren bestaan.

4. In de vergunning wordt bepaald voor welke handelingen zij is bedoeld.

5. Aan een vergunning kunnen voorschriften worden verbonden. Een vergunning kan onder beperkingen worden verleend.

Artikel 69

1. Er is een Commissie biotechnologie bij dieren die is belast met de advisering van Onze Minister over de verlening van vergunning als bedoeld in artikel 66 en de intrekking daarvan.

(…)

Artikel 109

Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Artkel 113

Deze wet treedt niet in hetgeen bij of krachtens de Wet op de dierproeven (Stb. 1977, 67) is geregeld, met dien verstande dat onverminderd van kracht blijft hetgeen is of wordt bepaald bij of krachtens de artikelen 35, 38, 42, 45 tot en met 54, 55, 66 en 76."

In het Besluit Biotechnologie bij dieren (Stb 1997, 5; hierna: het Besluit) wordt onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. wet: Gezondheids- en welzijnswet voor dieren;

b. commissie: Commissie biotechnologie bij dieren als bedoeld in artikel 69 van de wet.

Artikel 6

1. De commissie brengt binnen een door Onze Minister te bepalen termijn advies uit omtrent een aanvraag om een vergunning als bedoeld in artikel 66 van de wet en de eventuele aan de vergunning te verbinden voorschriften en beperkingen, dan wel omtrent een voornemen tot wijziging of intrekking van een zodanige vergunning, met het oog op de opstelling van een ontwerp van een besluit als bedoeld in artikel 3:19 onderscheidenlijk 3:30 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede met het oog op het nemen van een besluit als bedoeld in artikel 3:28 van die wet.

(…)."

Op verzoek van de Commissie heeft een viertal externe deskundigen op het gebied van de ethiek rapport uitgebracht over de inhoud en het doel van de op grond van artikel 66, derde lid, aanhef en onder b, Gwd te verrichten ethische toets. Dit rapport, dat in september 1996 is uitgebracht onder de titel "Het toetsen van biotechnologische handelingen bij dieren", bevat onder meer een beoordelingskader in vijf stappen voor de toetsing van biotechnologische handelingen bij dieren. Het betreft de volgende stappen:

" (…)

(1) Is er sprake van een vitaal of fundamenteel belang voor mensen?

(1.1.) Zo ja, hoe vitaal of fundamenteel is dit belang?

(…)

(2) Is er sprake van onaanvaardbare schade aan gezondheid en welzijn van dieren?

(2.1.) Zo nee, wat is dan de (vermoedelijke) schade voor de dieren? Is die zeer ernstig, ernstig, serieus of gering?

(…)

(3) Is er sprake van een onaanvaardbare mate van aantasting van de integriteit van het dier?

(3.1) Zo nee, wat is dan de (vermoedelijke) mate van aantasting van de integriteit: fundamenteel, serieus, gering?

(…)

(4) Zijn er reële alternatieven voor het onderzoeksproject?

(4.1.) Hoe ziet het relevante onderzoeks- of toepassingsgebied er uit?

(4.2.) Hoeveel moeite mag - gezien de antwoorden op eerdere vragen - het vermijden van de biotechnologische handelingen bij dieren kosten?

(…)

(5) Wegen de voordelen en belangen van het onderzoek op tegen de schade en aantasting die er voor dieren mee gemoeid zijn?

(…)."

Ter zitting van het College heeft de secretaris van de Commissie verklaard dat de Commissie het in het rapport voorgestelde beoordelingskader niet ongewijzigd heeft overgenomen. Na stap 1 wordt eerst stap 4 genomen (de vraag naar alternatieven), omdat bij het bestaan van reële alternatieven de overige stappen niet meer genomen behoeven te worden. Indien naar haar oordeel sprake is van reële alternatieven, adviseert de Commissie geen vergunning te verlenen. Indien naar het oordeel van de Commissie geen sprake is van reële alternatieven, neemt zij vervolgens de stappen 2 en 3 van het beoordelingskader, waarna de finale afweging wordt gemaakt (stap 5 van het beoordelingskader). Indien de Commissie verweerder adviseert vergunning te verlenen, adviseert zij in de vergunning te bepalen dat de aspirant-vergunninghouder een dierenwelzijnsdagboek dient bij te houden en dat hij dieren in geval van ernstig lijden moet doden.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten komen vast te staan.

- Bij brief van 27 januari 1999 met als bijlage een aanvraagformulier heeft de UL mede namens TNO een aanvraag ingediend om een vergunning voor het verrichten van biotechnologische handelingen, gericht op het genereren van genetisch gemodificeerde muizen. Het aanvraagformulier vermeldt onder meer:

" (…) In aanvulling op genetisch en epidemiologisch onderzoek bij de mens zal de functie van elk kandidaat gen voor hart- en vaatziekten aan een functioneel onderzoek worden onderworpen. Behalve via biochemische in vitro methodes kan, door gebruik te maken van transgenese, ook in vivo inzicht in de rol van het kandidaat gen worden verkregen. (...) Omdat via transgenese bepaalde stadia van de ziekte zeer nauwkeurig kunnen worden gereproduceerd, zijn de diermodellen essentieel voor het ontwikkelen van nieuwe therapeutische benaderingen."

- Bij brief van 2 maart 1999 heeft de Commissie verzocht om nadere informatie met betrekking tot deze aanvraag. Bij brief van 2 juni 1999 heeft de UL hierop gereageerd en een herziene aanvraag ingediend.

- Bij brief van 2 juli 1999 heeft de Commissie verweerder van advies gediend. De meerderheid van de Commissie heeft geadviseerd de gevraagde vergunning te verlenen onder nader genoemde voorschriften en beperkingen.

- Op 11 augustus 1999 heeft verweerder een ontwerpbesluit als bedoeld in artikel 3:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter inzage gelegd, strekkende tot verlening van de aangevraagde vergunning.

- Op 1 september 1999 heeft een gedachtenwisseling als bedoeld in artikel 3:25 Awb plaatsgevonden. Tegen het ontwerpbesluit zijn bedenkingen ingebracht, onder meer door de rechtsvoorgangsters van appellante (die in het navolgende mede onder de benaming "appellante" zullen worden begrepen).

- Bij brief van 11 oktober 1999 heeft de Commissie een reactie gegeven op de ingebrachte bedenkingen. Tevens heeft zij op deze datum een herzien advies uitgebracht.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit wordt onder meer het volgende overwogen:

" 1. Een vergunning als bedoeld in artikel 66, eerste lid, onderdelen a en b, van

de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren wordt verleend aan de Rijksuniversiteit Leiden en TNO-Preventie en Gezondheid te Leiden.

2. De vergunning wordt verleend voor de werkzaamheden omschreven in

beperking 2 en zoals beschreven in de aanvraag van 2 juni 1999 met inachtneming van de in deze vergunning opgenomen voorschriften en beperkingen.

3. Geen vergunning wordt verleend voor het verrichten van de biotechnische handelingen als omschreven in beperking 2, vijf jaar na dagtekening van dit besluit.

(…)

Beperking 2

1. De onderhavige vergunning heeft uitsluitend betrekking op het navolgende,

zoals beschreven in de aanvraag van 2 juni 1999:

a. het vervaardigen van genetisch gemodificeerde muizen door middel van het injecteren van DNA-constructen in bevruchte muizen-eicellen;

b. het vervaardigen van genetisch gemodificeerde muizen, door middel van het inbrengen van genetisch gemodificeerde embryonale stamcellen, in muizenblastocysten;

c. het vervaardigen van genetisch gemodificeerde muizen, door middel van het inbrengen van genetisch gemodificeerde embryonale stamcellen waarin YAC's (Yeast Artificial Chromosomes) zijn ingebracht, in muizenblastocysten;

d. waarbij gebruik wordt gemaakt van genconstructen, gebaseerd op genen die betrokken zijn bij de normale en/of abnormale ontwikkeling van het hart en vaatstelsel (…);

e. waarbij de YAC's uitsluitend gebruikt mogen worden om een genconstruct te laten integreren in een chromosoom van het ontvangende dier. De YAC's mogen niet gebruikt worden om een chromosoom te maken dat zich als onafhankelijk chromosoom in de kern zal gedragen;

f. waarbij in het kader van deze vergunning bij de biotechnologische handelingen in totaal maximaal 15.000 muizen gebruikt mogen worden."

4. Het standpunt van appellante

In het beroepschrift, zoals aangevuld bij brief van 1 februari 2000, is, zakelijk weergegeven en voor zover ter zitting van het College gehandhaafd, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante onderschrijft het standpunt van de minderheid van de Commissie, inhoudende dat de aantasting van de integriteit en de ernst van de gezondheidseffecten die bij de dieren zullen optreden, dusdanig ernstig zijn dat geen aanleiding bestaat het verbod op het verrichten van biotechnologische handelingen bij dieren op te heffen. Het verkrijgen van kennis alleen kan niet worden aangemerkt als een substantieel doel dat opheffing van het verbod rechtvaardigt. Een minderheid van de leden van de Commissie, de 20.000 leden van appellante en, naar uit onderzoek is gebleken, een meerderheid van de Nederlandse bevolking delen het standpunt van appellante. Dat de (meerderheid van) de Commissie dit standpunt niet kan volgen, bevreemdt appellante.

De ingebrachte bedenkingen worden gehandhaafd, onder verwijzing naar de considerans van Richtlijn 86/609/EEG en de memorie van toelichting bij zowel de Gwd als het Besluit.

Ter zitting van het College is namens appellante nog het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Uit het bestreden besluit blijkt niet op grond van welke criteria de aanvraag is beoordeeld. Met name is onduidelijk of eerdergenoemd deskundigenrapport "Het toetsen van biotechnologische handelingen bij dieren" als leidraad is gehanteerd. Het valt op dat de Commissie ongemotiveerd afwijkt van het in genoemd rapport voorgestelde toetsingskader. Afgezien hiervan moet worden opgemerkt dat het rapport niet openbaar is gemaakt. Gelet hierop is de motivering van het bestreden besluit kenbaar noch draagkrachtig en is dit besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid tot stand gekomen.

Voorts wordt in het bestreden besluit onvoldoende specifiek ingegaan op de aard en de ernst van het dierenleed dat met de dierproeven gepaard gaat. Verweerder hanteert uitsluitend zeer algemene termen. Derhalve kleeft aan het bestreden besluit een motiveringsgebrek en is dit besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen.

5. Het standpunt van verweerder

Verweerder is van oordeel dat de vergunning op goede gronden is verleend en dat het tegen het besluit tot vergunningverlening ingestelde beroep dient te worden verworpen.

De Commissie is, aldus verweerder, zorgvuldig te werk gegaan en heeft alle relevante aspecten in haar beoordeling van de aanvraag betrokken, ook het dierenleed waarmee het onderzoek gepaard zal gaan. Het (meerderheids)advies van de Commissie is voldoende draagkrachtig gemotiveerd. Doorslaggevende argumenten om dit advies niet te volgen, heeft verweerder niet en zijn ook door appellante niet aangevoerd.

Het eerst ter zitting aanvoeren van nieuwe argumenten acht verweerder in strijd met de beginselen van een goede procesorde.

6. De beoordeling van het beroep

6.1 Het College overweegt allereerst dat de handelwijze aan de zijde van appellante, bestaande uit het herhalen van in een eerder stadium van de procedure ingebrachte argumenten, gevolgd door de constatering dat deze argumenten niet het beoogde effect hebben gesorteerd, niet kan worden aangemerkt als een steekhoudend argument tegen het bestreden besluit, waarbij overeenkomstig het advies van de meerderheid van de Commissie uitvoering op evenbedoelde argumenten is ingegaan. In het beroepschrift had appellante concreet dienen aan te geven en te onderbouwen waarom zij zich niet kon verenigen met de bij het bestreden besluit gegeven reactie op de ingebrachte bedenkingen. Het College ziet geen grond om hetgeen verweerder bij het bestreden besluit aangaande evenbedoelde bezwaren heeft overwogen en beslist onjuist te achten. Derhalve kan het beroep, in zoverre het de desbetreffende onderdelen van het bestreden besluit betreft, niet slagen.

6.2 Aangaande de stelling van appellante dat verweerder zich onvoldoende heeft verdiept in de aard en ernst van het dierenleed waarmee de vergunde dierproeven gepaard zullen gaan, overweegt het College dat de Commissie en vervolgens ook verweerder zich blijkens het bestreden besluit en de daaraan voorafgaande stukken van de gevolgen van het onderzoek voor de dieren rekenschap hebben gegeven en gemotiveerd hebben overwogen waarom deze argumenten niet tot weigering van de aangevraagde vergunning hebben geleid. Naar het oordeel van het College kan niet worden staande gehouden dat de totstandkoming of de inrichting van het bestreden besluit in dit opzicht gebreken vertoont. Evenmin kan worden staande gehouden dat verweerder, zich baserend op het advies van de Commissie en de daaraan ten grondslag liggende beweegredenen, niet in redelijkheid aan het belang dat het onderhavige onderzoek heeft voor de geneeskunde een overwegende betekenis heeft kunnen toekennen ten opzichte van de bezwaren van ethische aard, die het onderzoek heeft voor de betrokken proefdieren. Zoals het College eerder heeft beslist (zie de uitspraak van 16 januari 2001, AWB 99/553, te raadplegen op http://www.rechtspraak.nl onder LJN-nummer AA9525) is niet ieder bezwaar van ethische aard prohibitief voor het verlenen van een vergunning, doch moet er sprake zijn van doorslaggevende ethische bezwaren wil een vergunning kunnen worden geweigerd op grond van artikel 66, derde lid, Gwd. In verband met het voorgaande moet worden geoordeeld dat het beroep van appellante op het minderheidsstandpunt van de Commissie, de opvatting van haar leden en de door haar genoemde opinieonderzoeken, waaruit zou blijken dat een meerderheid van de Nederlandse bevolking biotechnologie bij dieren afwijst, geen doel treft.

6.3 Naar het oordeel van het College falen ook de eerst ter zitting van het College voorgedragen grieven, inhoudende dat onvoldoende inzichtelijk is op welke wijze de aanvraag is getoetst, dat de status van het rapport van september 1996 onvoldoende duidelijk is, dat de Commissie ongemotiveerd van dit rapport is afgeweken en dat dit rapport onvoldoende is bekendgemaakt. In de eerste plaats omdat, zoals verweerder terecht heeft gesteld, het eerst ter zitting aanvoeren van nieuwe argumenten in strijd is met de beginselen van een goede procesorde. Ook afgezien daarvan treffen deze grieven geen doel. Uit de bijlage bij het bestreden besluit blijkt naar het oordeel van het College voldoende duidelijk hoe verweerder tot dit besluit is gekomen en welke criteria hij hierbij, in navolging van de Commissie, heeft gehanteerd. Naar het oordeel van het College zijn de Commissie en verweerder niet verplicht expliciet aan te geven welke rol het rapport van september 1996 in hun oordeelsvorming heeft gespeeld. Met betrekking tot eerdergenoemde grieven moet voorts in aanmerking worden genomen dat de secretaris van de Commissie ter zitting van het College onweersproken heeft verklaard dat tijdens eerdere hoorzittingen van de Commissie naar aanleiding van ontwerpbesluiten, waar ook appellante was vertegenwoordigd, het rapport is genoemd en dat de inhoud van dit rapport bij andere betrokkenen bekend bleek te zijn. Voorts is ter zitting van de zijde van appellante verklaard dat appellante op de hoogte was van de inhoud van het rapport, wat ook voor de hand ligt, omdat zij anders geen beroep had kunnen doen op de inhoud van het rapport.

6.4 Al het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.W.M. Tijnagel, in tegenwoordigheid van mr drs B. van Velzen, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. B. van Velzen