Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD6785

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
24-10-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
AWB 99/1046
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen 1 onder l, geldigheid: 2001-10-24
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 99/1046 24 oktober 2001

27000

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: ir A.J.L. de Breed, bedrijfsadviseur te Breda,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr I.A.M. van Nieuwkerk en mr R.E. Groenewold, beiden werkzaam bij verweerders agentschap Senter.

1. De procedure

Op 22 december 1999 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 december 1999.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen de weigering haar een S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen af te geven.

Op 19 april 2000 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Op 27 juni 2000 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 28 maart 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaats gevonden, waarbij partijen hun standpunten nader hebben toegelicht. Aan de zijde van appellante is tevens verschenen ing. F.L.J. Lipman, aan de zijde van verweerder G.M.L. van Stiphout.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Bij de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: de WVA) is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

l. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in Nederland verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op technisch-wetenschappelijk onderzoek of de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudings-plichtige onderscheidenlijk de S&O-belastingplichtige technisch nieuwe:

1°. fysieke producten;

2°. onderdelen van fysieke producten;

(…). "

3. Voor de toepassing van het eerste lid, onderdeel l, wordt niet tot

speur- en ontwikkelingswerk gerekend:

(…);

door onze Minister van Economische Zaken bij ministeriële regeling aangewezen andere werkzaamheden."

Op grond van laatstvermelde bepaling is de Afbakeningsregeling speur- en ontwikkelingswerk 1997 vastgesteld, waarbij onder meer het volgende is bepaald:

" Artikel 1

Tot speur- en ontwikkelingswerk worden niet gerekend:

a. (…);

p. werkzaamheden, door de S&O-inhoudingsplichtuige of S&O-belastingplichtige verricht ten behoeve van door een ander verricht speur- en ontwikkelingswerk, die op zich zelf niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft op 10 december 1998, aangevuld bij daartoe strekkend aanvraagformulier op 22 januari 1999, bij verweerder een aanvraag ingediend om een S&O-verklaring als bedoeld in artikel 24, van de WVA met betrekking tot drie projecten die zij onder meer als volgt heeft aangeduid:

" Projecttitel : Interferometer

(…)

Projectnummer : 423/10/01

(…)

Omschrijving :

Doel van het project is het ontwikkelen van een interferometer, die geschikt is voor het optimaal kunnen meten van de nauwkeurigheid van een spiegel, met extreem ultraviolet licht. Het apparaat bestaat uit een lichtbron, een raster en een spiegel. Het raster moet in horizontale richting fase-stappen, waartoe reeds een rastermanipulator is ontworpen. De spiegel staat op 350 mm. afstand en dient binnen 30 nm. in focus te blijven. De gehele opstelling moet gevrijwaard blijven van trillingen, temperatuurveranderingen en andere interferenties.

(…)

Projecttitel : Waferstepper

Projectnummer : 423/10/02

(…)

Omschrijving :

Doel van het project is het ontwikkelen van een technisch nieuwe waferstepper. Deze dient te voldoen aan drie voorwaarden:

1. Het verdubbelen (/vergroten) van de hoeveelheid schakelingen op chips.

2. Het verhogen van de produktiesnelheid van chips.

3. Het gebruik van grotere silicium plakken.

Toelichting: een wafer is een silicum plak, die zeer geschikt is als ondergrond voor micro-elektronica (soort printplaat).

(…)

Projecttitel : Automatische ontbening Drumsticks

(…)

Projectnummer : 423/10/03

(…)

Omschrijving :

De ontwikkeling van een proces om automatisch door een machine drumsticks te ontbenen, waarbij geen menselijke handeling meer nodig is. De invoer dient te bestaan uit aangevoerde drumstick: een kippepoot met vel na bewerking ontbeend vlees en beenderafval moet opleveren.

De marktbehoefte aan ontbeend vlees is groeiende in Europa. Dit heeft als gevolg dat prijzen stijgen, zodat het economisch zou lonen om te investeren in een dergelijk geautomatiseerd proces.

(…)"

- Bij brieven van 30 maart, 19 april en 23 april 1999 heeft verweerder appellante verzocht bepaalde ontbrekende gegevens over deze projecten te verstrekken.

- Per fax van 10 mei 1999 heeft appellante verweerder nadere stukken toegezonden over het project Automatische ontbening Drumsticks (hierna ook: project 03) en voorts onder meer het volgende medegedeeld:

" Zoals reeds eerder telefonisch aan u is medegedeeld willen wij nogmaals benadrukken dat zowel Spekan Engineering Venlo B.V. als Spekan Engineering Enschede B.V. invloed uitoefenen op de S&O-werkzaamheden binnen de voor S&O-vermindering in aanmerking komende projecten. Met klem ontkennen wij dat hier slechts sprake is van het beschikbaar stellen (uitlenen) van werknemers."

- Bij brief van 25 mei 1999 heeft verweerder appellante bericht dat hij de aangemelde werkzaamheden niet kwalificeert als speur- en ontwikkelingswerk om de volgende redenen.

Voor de projecten Interferometer en Waferstepper (hierna: project 01, onderscheidenlijk 02) wordt de aanvraag niet in behandeling genomen omdat informatie ontbreekt betreffende de detacheringsuren.

De werkzaamheden in het project Automatische Ontbening Drumsticks (project 03) worden verricht door personeel dat is gedetacheerd bij een derde, die deze werkzaamheden organiseert. Er is daarom geen sprake van door de aanvrager systematisch georganiseerde S&O-werkzaamheden (WVA artikel 1, eerste lid).

- Hiertegen heeft appellante bij brief van 6 juli 1999, aangevuld bij brief van 3 augustus 1999, bezwaar gemaakt.

- Op 7 september 1999 is ter zake van een vergelijkbaar bezwaar door verweerder gehoord C, bij die gelegenheid vertegenwoordigd door appellantes gemachtigde. Het verslag van deze hoorzitting vermeldt onder meer het volgende:

" Senter: Wij willen graag weten wie verantwoordelijk is voor de werkzaamheden en wie de werkzaamheden organiseert.

Appellant: Dat varieert per project. De ontwerpers zijn verantwoordelijk voor de technische constructie, het functioneren van hun ontwerp. Als het ontwerp niet voldoet moet de medewerker een nieuw, wel goed functionerend product ontwikkelen. De ontwerpen die zij maken leiden tot technisch nieuwe producten.

(…)

Appellant: Er is geen controlerende instantie. Wij worden geacht de kenners te zijn. Wij modelleren het product en vervolgens wordt van het product een matrijs gemaakt. Er wordt van A/C verwacht dat zij een product afleveren op de functionele specificaties van het-bedrijf dat de opdracht verstrekt. Wij maken de technische specificaties, wij zijn de specialisten die met de oplossingen komen. Onze mensen hebben gelijkwaardige functies met mensen van het bedrijf dat ons inhuurt. De aansturing vanuit het inlenende bedrijf gaat niet verder dan bijvoorbeeld de eis of stelling dit product moet in 2001 op de markt zijn. Het initiatief voor het ontwikkelen van een product ligt bij het bedrijf dat de opdracht verstrekt c.q. medewerkers van A/C inhuurt. A/C wordt ingeschakeld om te beoordelen of de ontwikkeling van zo'n product realiseerbaar is en voor de ontwikkeling ervan. A/C is verantwoordelijk voor de berekeningen, de analyses en het ontwerp van het product. Voor elke S&O aanvraag van A/C geldt dat er wel sprake is van een wisselwerking tussen opdrachtgever en opdrachtnemer maar de technische uitwerking van een probleem valt onder eigen (A/C) verantwoording.

(…)

Appellant: Als iemand van A/C een bepaald idee of probleem heeft kan hij ruggespraak houden met iemand uit het netwerk van de A/C medewerkers. In een database wordt bijgehouden welke projecten door A/C zijn en worden uitgevoerd en daarbij wordt vermeld welke medewerkers bij de diverse projecten zijn betrokken. Via e-mail, of telefonisch kan dan contact worden opgenomen met de betreffende personen.

Senter: In hoeverre wordt de kennis die bij de uitvoering van de verschillende projecten is verkregen, gedeeld met andere A/C medewerkers? Of blijft de kennis puur en alleen eigendom van de opdrachtgever?

Appellant: Het product is natuurlijk eigendom van de opdrachtgever maar de kennis zit natuurlijk in het hoofd van de A/C medewerker. Kennis kun je niemand afnemen. Wij hebben natuurlijk een geheimhoudingsplicht. Maar bij de volgende keer dat deze persoon wordt ingezet kan het voor hem makkelijker zijn de oplossingsrichting te vinden. Een collega van de betreffende persoon kan via de database nakijken wie ervaring heeft op een bepaald terrein en dan, zoals al eerder genoemd, contact met hem opnemen. Het A/C netwerk is de kennisdatabase voor de medewerkers. "

- Bij brief van 27 september 1999 heeft verweerder verzocht om de contracten van appellante met haar opdrachtgevers.

- Een notitie van een telefoongesprek dat appellantes gemachtigde op 28 september 1999 met verweerders agentschap Senter heeft gevoerd, vermeldt onder meer het volgende:

" De heer de Breed: De contracten die gebruikt worden voor C worden normaal gezien ook voor de medewerkers van A gebruikt. Dit zijn de standaard contracten van A/C.

Senter: Ik kan er dus vanuit gaan dat het werk van de medewerkers van de A vestiging op dezelfde manier is georganiseerd als voor de medewerkers van het C filiaal?

De heer Breed: Ja, dat klopt, in grote lijnen wel."

De tekst van de standaardovereenkomsten die C met zijn cliënten doorgaans in voorkomende gevallen afsluit, waren verweerder op 14 september 1999 toegezonden.

- Op 5 oktober 1999 heeft appellante verweerder het volgende bericht:

" Zoals u reeds telefonisch is gemeld met referte aan het vorige week dinsdag ontvangen verzoek aangaande contracten A met haar opdrachtgevers i.v.m. voor WBSO in aanmerking komende S&O-projecten is het zo dat hiervoor geen onderliggende contracten meer vervaardigd zijn.

In de gevallen waar de relatie pril is wordt sinds jaren gebruik gemaakt van de tekst van een basisovereenkomst eender aan welke u i.v.m. C heeft ontvangen, hoewel D als een der eerste grote klanten indertijd een eigen overeenkomst blijkt te hebben afgesloten met de oorspronkelijke E. Gelijk C is in een later stadium de reeds bestaande relatie tussen A en haar opdrachtgevers op vertrouwen gebaseerd zodat een specifieke overeenkomst niet meer 'im Frage' komt."

- Bij brief van 22 oktober 1999 heeft verweerder appellante onder meer het volgende bericht:

" Voor de beoordeling van uw aanvraag zijn de volgende gegevens van belang.

De beschrijving van de werkzaamheden van de A medewerkers (zoals u die gegeven hebt voor de C medewerkers)."

- Hierop heeft appellante verweerder op 16 november 1999 aanvullende informatie verstrekt, luidende voor project 01:

" De inhoud van het werk

Het grootste gedeelte van het werk betreft mechatronisch ontwerpwerk. Dit houdt in het opzetten van concepten, het maken van een ontwerp en het uitwerken hiervan. Mijn inbreng is het genereren van nieuwe ideeën. De aard van het werk vereist dat er veel met specialisten in teamverband wordt samengewerkt. De specialisten brengen hun kennis in, zodat ik dat kan verwerken in een ontwerp. Vaak komt het voor dat er op een bepaald gebied nog niet voldoende kennis is zodat er een proef moet worden opgezet om een nieuw concept te testen. Bijvoorbeeld op het gebied van vacuümtechnologie.

De inrichting van het werk

Het project is zo opgedeeld dat iedere ontwerper verantwoordelijk is voor zijn eigen onderdeel. Ik draag er persoonlijk zorg voor dat mijn ontwerp uiteindelijk werkt. Bij moeilijke onderwerpen leg ik mijn probleem voor in een ontwerpersvergadering.

De aansturing

Ik heb persoonlijk contact met de opdrachtgever en voer opdrachten zelfstandig uit. Mijn projectleider beheert de budgetten en planningen op een hoger niveau. Ik moet zelf mijn afspraken over de planning van het mechanisch ontwerp nakomen. Daarvoor is het noodzakelijk dat ik de juiste input krijg van de mensen die verantwoordelijk zijn voor het maken."

onderscheidenlijk voor project 03:

" De inhoud van het werk

In het projectteam zijn de vertegenwoordigers van het constructiebureau (CB), de projectleider en ik verantwoordelijk voor het technische ontwerp van de machine. Mijn inbreng is het bedenken van concepten, het maken van een ontwerp en het uitwerken hiervan tot productietekeningen. De aard van het werk vereist dat er veel met de medewerkers van R&D wordt samengewerkt. Zij zijn verantwoordelijk voor het technologische aspect. Aan de hand van de rendementen, behaald met het (pre)prototype en nulserie machines in "het veld", verzorgen zij de terugkoppeling aan het CB.

Verder ben ik verantwoordelijk voor het doorvoeren van constructieve wijzigingen en het "up tot date" maken en houden van het tekeningenpakket inclusief stuklijsten en montagetekeningen.

De aansturing

Het projectteam wordt aangestuurd door de opdrachtgever, het productmanagementteam (PMG). De projectleider beheert de budgetten en maakt de planningen voor het projectteam. Mijn opdrachten krijg ik van de projectleider en voer ik zelfstandig uit. Ik ben zelf verantwoordelijk voor het nakomen van de planning betreffende mijn werkzaamheden."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit is de aanvraag van appellante voor de projecten 01 en 02 alsnog in behandeling genomen en vervolgens afgewezen, en is de afwijzing van de aanvraag voor project 03 gehandhaafd, omdat volgens verweerder appellante niet aannemelijk heeft gemaakt de werkzaamheden zelf systematisch te organiseren.

Bij verweerschrift is onder meer het volgende aangevoerd:

" Uit de toelichting op de Wijziging blijkt wat onder "systematisch organiseren" als genoemd in artikel 1, lid 1 onder 1 van de Wet, moet worden verstaan.

"Dit blijkt onder andere uit het kunnen bepalen van de (technische) inhoud, de inrichting en de aansturing van de eigen werkzaamheden. Indien er sprake is van uitbesteed werk moet de uitvoerende partij kunnen aantonen dat hij die invloed heeft op de werkzaamheden die hij gaat verrichten. Indien hij dit niet kan aantonen, kunnen de werkzaamheden van de uitvoerder niet als speur- en ontwikkelingswerk worden aangemerkt."

Mede op grond van de informatie die appellante mij heeft gefaxt op 16 november 1999 ben ik tot de conclusie gekomen dat er bij appellante geen sprake is van het zelf organiseren van haar werkzaamheden. Deze informatie besloeg twee van de drie projecten. Voor het project "Waferstepper" heb ik geen informatie mogen ontvangen.

Uit de informatie met betrekking tot het project "Interferometer" is mij het volgende gebleken. De inbreng van de door de opdrachtgever ingehuurde medewerker van appellante bestaat uit het genereren van nieuwe ideëen, waarbij met specialisten van de opdrachtgever wordt samengewerkt. De medewerker van appellante verwerkt de kennis van de specialisten in een ontwerp. De medewerker is zelf verantwoordelijk voor de werking van het ontwerp. Moeilijke onderwerpen worden voorgelegd aan de specialisten van de opdrachtgever tijdens een ontwerpersvergadering.

De medewerker voert de opdrachten zelfstandig uit maar de projectleider is in dienst van de opdrachtgever, en beheert de budgetten en planningen.

Met betrekking tot het project "Automatische ontbening drumsticks" blijkt uit de informatie het volgende. De inbreng van de medewerker van appellante bestaat uit het bedenken van concepten, het maken van een ontwerp en het uitwerken hiervan tot productietekeningen. Er wordt veel met medewerkers van de opdrachtgever samengewerkt, deze zijn verantwoordelijk voor het technische aspect. De medewerker van appellante is verantwoordelijk voor het doorvoeren van constructieve wijzigingen en het "up to date" maken en houden van het tekeningenpakket.

De aansturing geschiedt door de opdrachtgever. De projectleider beheert de budgetten en maakt de planningen

Dat de medewerkers van appellante verantwoordelijk zijn voor de technische werking van het ontwerp, en zelfstandig de opdrachten uitvoeren, is geen indicatie voor het zelf organiseren van de werkzaamheden door appellante. Ik ben van mening dat er in ieder geval geen sprake is van inrichting en aansturing van de werkzaamheden door appellante. Wat betreft het bepalen van de technische inhoud kan worden gesteld dat dit hoogstens mede door appellante gebeurt. De invloed van appellante op de werkzaamheden is niet dermate dat dit is aan te merken als organiseren. De planning en de budgetten komen van de opdrachtgever. De inbreng van appellante blijft beperkt tot het inbrengen van haar technische kennis. Dit is naar mijn mening aan te merken als het enkel uitlenen van een medewerker bij een opdrachtgever, zonder dat er sprake is van het organiseren van de werkzaamheden door de uitlener.

Ook de argumentatie van appellante in haar bezwaarschrift dat er sprake is van het zelf organiseren van de werkzaamheden omdat het een duidelijk afgebakend kennisgebied betreft en de vereiste expertise niet bij de opdrachtgevers aanwezig is, kan mij niet overtuigen. Deze aspecten zijn juist kenmerkend voor het uitlenen van personeel maar zegt niets over het organiseren door de uitlener.

Daarnaast moet de inhoudingsplichtige de werkzaamheden organiseren. Dit staat niet gelijk aan het organiseren door een medewerker van de inhoudingsplichtige. De aansturing bijvoorbeeld dient dan te geschieden vanuit de inhoudingsplichtige. De inhoudingsplichtige moet een bepalende invloed op de werkzaamheden kunnen uitoefenen. Hierbij kan gedacht worden aan het (mede)beslissen of een project al dan niet wordt voortgezet.

In haar beroepschrift voert appellante aan dat haar zusterbedrijf C wel een S&O-verklaring heeft ontvangen terwijl beide bedrijven op eendere wijze werken. Zij doet hiermee een beroep op het gelijkheidsbeginsel.

Hiertegen wil ik inbrengen dat er naar mijn mening geen sprake is van een gelijke werkwijze van beide bedrijven. Ook van het zusterbedrijf van appellante heb ik informatie ontvangen met betrekking tot het organiseren van de werkzaamheden. Hieruit blijkt, in tegenstelling tot hetgeen blijkt uit de informatie van appellante, dat er wel sprake is van het zelf organiseren door C. Uit de faxen van deze aanvrager van 21 en 22 september 1999 blijkt nadrukkelijk dat zij, in het kader van de uitvoering van projecten bij een opdrachtgever, een grote invloed heeft op het inrichten en aansturen van de werkzaamheden. Ook is C verantwoordelijk voor de werking van de ontwikkelingen waarvoor zij is ingeschakeld. Tijdens de hoorzitting die is gehouden in het kader van de bezwaarprocedure van C, is ook naar voren gekomen dat er door de uitgeleende medewerkers wordt teruggekoppeld naar hun werkgever (zie bijlage 3l). Naar mijn mening is er dan ook geen sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel. "

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft bij haar beroepschrift de volgende gronden voorgedragen:

" - dat A, de S&O-inhoudingsplichtige in deze zaak, de door haar aangemelde S&O-activiteiten wel zelf systematisch organiseert, ook al worden deze in het kader van opdrachten t.b.v. derden uitgevoerd;

- dat door zowel A als door C in opdrachten t.b.v. derden op een eendere wijze wordt gewerkt (dit is o.a. ter hoorzitting betreffende C duidelijk aan de minister overgebracht);

- dat het bevreemding wekt wanneer dergelijke opdrachten uitgevoerd door het zusterbedrijf te Enschede wel een goedkeuring van de minister mogen ontvangen en die uitgevoerd door de inhoudingsplichtige te Venlo niet;

- dat het door de minister m.b.t. A genomen afwijzende besluit het beginsel van gelijkheid in behandeling aantast; "

Ter zitting heeft appellante met betrekking tot project 01 en project 03 als volgt gereageerd op de volgende vier, in het verweerschrift behandelde punten:

- " m.b.t. Automatische Ontbening van Drumsticks zou de opdrachtgever F verantwoordelijk zijn voor het technologische aspect

(dit is een omissie gebleken aan de kant van de technicus die hiermee bedoeld het procestechnologische aspect, namelijk hoe gaat een kippepoot door een machine heen, en niet het mechanische probleem betreffende het ontbenen zelf, wat A beheerst)

(…)

- de terugkoppeling naar A zelf

Deze vindt plaats door de uitvoerende technici bij te staan in het oplossen van specifieke van vooral mechanische ontwerpuitdagingen bij opdrachtgevers door naast direct contact (persoonlijk of telefonisch) met hun managers en andere, meer ervaren medewerkers tevens andere faciliteiten te bieden voor kennisoverdracht: Internet (zoals e-mail en website) aangevuld met formele bijeenkomsten en cursussen. Deze faciliteiten zijn zowel voor de werknemers uit Enschede als uit Venlo beschikbaar en worden gezien als een deel van hun werkpraktijk

- opdrachtgever beslist waar medewerkers aan (mee) werkt

De interpretatie van de gegeven beschrijvingen is daarbij in het geval van Venlo door de minister nogal nauw en niet overeenkomstig de realiteit. Voorbeeld hiervan m.b.t. Inferometer: niet juist is (uit verweerschrift:) ' maar de projectleider is in dienst van de opdrachtgever en beheert de budgetten en planningen: i.t..t. (uit verklaring werknemer:) 'Mijn projectleider beheert de budgetten en planningen op een hoger niveau. Ik moet zelf mijn afspraken over de planning van het mechanisch ontwerp nakomen.'

M.b.t. Automatische Ontbening Drumsticks en een te enge interpretatie van aansturing door projectleider (uit 'verweerschrift:) 'de projectleider beheert de budgetten en maakt de planningen' terwijl er staat (uit verklaring werknemer.) 'Het projectteam (waarin verschillende technologische disciplines worden verenigd,) wordt aangestuurd door de opdrachtgever, het product management team. De projectleider beheert de budgetten en maakt de planningen voor het projectteam (dus op een hoger niveau dan voor de Spekan werknemer)'

- medewerker verwerkt ideeën van zijde van opdrachtgever, maar die van de zijde van A ontbreken

Het is juist de expertise en het probleemoplossend vermogen van de medewerkers van A met een gedegen ontwerpersopleiding en ervaring op mechnisch gebied waarom de opdrachtgever bij A terecht komt. Dit blijkt destemeer daar in beide projecten er sprake is van een als uitvinding te beschouwen ontwerpoplossing waarop octrooi is aangevraagd door de opdrachtgever (G, resp F) en waarop de namen van de betrokken A medewerkers (de heren H, resp I) vermeld staan. De details van de overwonnen technische problematiek kan door de vertegenwoordiger van A beter worden belicht, maar het betreft een ontwerp voor een vacuumketel geïsoleerd van trillingen zodat spiegel en raster stil ten opzichte van elkaar blijven, resp. het ontbenen m.b.v. messen die het vlees van het bot afschrapen; beiden exact passend in de projectbeschrijvingen."

Voorts heeft appellante ter zitting een tekstvergelijking gemaakt tussen de omschrijving die haar medewerker heeft gegeven van zijn werkzaamheden in project 01, en de overeenkomstige omschrijving van de werkzaamheden waarvoor aan C een S&O-verklaring door verweerder is afgegeven.

5. De beoordeling

Tussen partijen is in geschil of verweerder de aanvraag van appellante ten onrechte heeft afgewezen op de grond dat de aangemelde werkzaamheden, verricht ten behoeve van derden, niet door appellante zelf systematisch zijn georganiseerd in de zin van artikel 1, eerste lid, onder l, van de WVA.

Aangaande deze vraag stelt het College in het licht van de wetsgeschiedenis voorop dat het voor het verlenen van een S&O-verklaring op zichzelf niet uitmaakt of het werk in opdracht van een derde gebeurt en dat is beoogd dat ook toeleveranciers die samen met een opdrachtgever ontwikkelingswerk doen, in aanmerking komen voor de regeling, gelijk het College eerder heeft overwogen bij zijn uitspraak van 20 mei 1997 in zaak no. 96/0107/062/231, "Hercules".

Dit doet niets af aan de evenvermelde bepaling dat speur- en ontwikkelingswerk door de S&O-inhoudingsplichtige systematisch wordt georganiseerd. Dat, naar verweerder mede aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, zodanige systematische organisatie door de inhoudingsplichtige niet gelijk kan worden gesteld met organisatie door de betrokken medewerkers van de inhoudingsplichtige, vindt echter geen steun in deze bepaling.

Immers, volgens de tekst van dezelfde bepaling wordt het speur-en ontwikkelingswerk ook verricht door de S&O-inhoudingsplichtige, terwijl aan deze bepaling is voldaan met het verrichten van het speur- en ontwikkelingswerk door een werknemer van de inhoudingsplichtige.

Bovendien vereist speur- en ontwikkelingswerk naar zijn aard een mate van oorspronkelijkheid en zelfstandigheid van de medewerker die het onderzoek of de ontwikkeling verricht, en aldus ook een eigen systematische organisatie van zijn werkzaamheden.

Uit de nadere gegevens die appellante over het project 01 en het project 03 tenslotte op 16 november 1999 heeft verstrekt, valt niet af te leiden dat de betrokken medewerkers van appellante hun werkzaamheden niet zelf systematisch organiseren.

Hierbij neemt het College in aanmerking dat uit deze gegevens valt af te leiden dat appellantes medewerker in project 01 verantwoordelijk is voor de inrichting van zijn eigen onderdeel in het samenwerkingsverband met de opdrachtgever en dat de medewerker in project 03 medeverantwoordelijk is voor het technisch ontwerp, verantwoordelijk voor zijn onderdeel en verantwoordelijk voor de planning van zijn werkzaamheden.

Uit de vermelding dat (de projectleider van) de opdrachtgever de budgetten beheert en de planning maakt op een hoger niveau, onderscheidenlijk voor het projectteam, kan op zich zelf evenmin de conclusie worden getrokken dat appellantes betrokken medewerker niet verantwoordelijk is voor de organisatie van zijn eigen werkzaamheden. Dit geldt te meer nu het op de weg van appellante lag om het verband aan te geven tussen de organisatie van haar eigen werkzaamheden en de organisatie op het niveau van het integrale project. Immers, uit de organisatie van appellantes werkzaamheden moet zijn af te leiden dat deze direct en uitsluitend strekken tot een technisch nieuw (onderdeel van het) fysieke product dat de opdrachtgever beoogt, en derhalve dat deze werkzaamheden in een systematisch verband staan met de ontwikkelingswerkzaamheden van de opdrachtgever zelf, gelijk het College eerder heeft overwogen in § 5.2 van zijn uitspraak van 18 november 1997 in de zaak no. 96/0107/062/231, "R&H Systems".

Voorts overweegt het College als volgt aangaande appellantes grief dat voor gelijksoortige werkzaamheden van C wel S&O-verklaringen zijn afgegeven.

Appellante heeft bij herhaling, zowel in aanvulling op haar aanvraag als in bezwaar, toegelicht dat zij op vergelijkbare basis en wijze werkzaamheden voor derden verricht als haar zusteronderneming van C.

Verweerders agentschap Senter heeft er blijkens zijn eigen telefoonnotitie van 28 september 1999 ook vanuit willen gaan dat de werkzaamheden van appellantes medewerkers op dezelfde manier zijn georganiseerd als die van genoemde zusteronderneming.

In dit licht heeft verweerder zijn mening dat de werkwijzen van beide zusterondernemingen niet gelijk zijn, onvoldoende onderbouwd. In het verweerschrift is aangevoerd dat een tegenstelling bestaat tussen de informatie die beide zusterondernemingen hebben verstrekt, maar uit de informatie van appellante blijkt niet dat er geen sprake is van het zelf organiseren, en het verantwoordelijk zijn voor de resultaten, van haar werkzaamheden. Evenmin heeft het College enig aanknopingspunt gevonden voor verweerders conclusie dat de betrokken medewerkers van appellante, in tegenstelling tot die van genoemde zusteronderneming, niet zouden terugkoppelen naar hun werkgever. Hetgeen ter hoorzitting van 7 september 1999 door C over haar werkwijze ten algemene naar voren is gebracht, heeft verweerder niet zonder meer buiten beschouwing kunnen laten bij zijn beoordeling van de werkzaamheden van appellante.

De conclusie van voorgaande overwegingen is dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij de aangemelde werkzaamheden die appellante verricht binnen project 01 en project 03, anders dan de werkzaamheden van haar zusteronderneming, niet heeft aangemerkt als zelf systematisch georganiseerd in de zin van artikel 1, eerste lid, onder l, van de WVA.

Voor zodanige conclusie met betrekking tot project 02 ziet het College echter geen grond, nu appellante heeft nagelaten nadere informatie over dit project te verschaffen, waar verweerder zowel bij de beoordeling van haar aanvraag, als tijdens de bezwaarprocedure om heeft gevraagd. Bovendien heeft appellante de reactie die zij ter zitting van het College heeft gegeven op het verweerschrift, uitdrukkelijk beperkt tot de projecten 01 en 03.

De slotsom is dat het bestreden besluit is genomen in strijd met artikel 7:12 van de Algemene wet bestuursrecht, dat het beroep gegrond dient te worden verklaard en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd.

Het College acht termen aanwezig voor de volgende, in het dictum vermelde, nadere beslissingen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit van 13 december 1999 voor zover hierbij afwijzend is beslist op de aanvraag voor het project

Interferometer (423/10/01) en het project Automatische ontbening Drumsticks (423/10/03);

- bepaalt dat verweerder opnieuw beslist op het bezwaar dat appellante heeft gemaakt tegen de weigering aan haar een

S&O-verklaring voor genoemde twee projecten af te geven;

- veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure aan de zijde van appellante, vastgesteld op ƒ 1.420,00 (zegge:

veertienhonderd-en-twintig gulden) en te vergoeden aan appellante door de Staat der Nederlanden;

- bepaalt dat het door appellante betaalde griffiegeld ten bedrage van ƒ 450,00 (zegge: vierhonderd-en-vijftig gulden) wordt

vergoed door de Staat der Nederlanden;

- wijst af het meer en anders gevorderde.

Aldus gewezen door mr M.J. Kuiper, mr C.J. Borman en mr F.W. du Marchie Sarvaas, in tegenwoordigheid van

mr R.P.H. Rozenbrand, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2001.

w.g. M.J. Kuiper w.g. R.P.H. Rozenbrand