Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD6764

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-11-2001
Datum publicatie
07-12-2001
Zaaknummer
AWB 01/19
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/19 27 november 2001

20311

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een op 15 december 2000, onder nummer TPPE 61/2000 tegen hem gewezen tuchtbeschikking van het Tuchtgerecht Productschap voor Pluimvee en Eieren (hierna: het Tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij beroepschrift, ingekomen ter griffie op 29 december 2000, heeft appellant beroep ingesteld tegen voormelde tuchtbeschikking, die appellant ter kennis is gebracht bij aangetekende brief van 15 december 2000.

Bij brief van 15 januari 2001 heeft appellant het beroepschrift nader gemotiveerd.

Bij brieven van 26 januari 2001, 6 en 19 maart 2001 heeft de secretaris van het Tuchtgerecht het College de op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 16 oktober 2001.

Op 16 oktober 2001 heeft appellant de griffie van het College telefonisch meegedeeld niet ter zitting aanwezig te zijn. Appellant heeft zich niet ter zitting ter zitting doen vertegenwoordigen.

Ter zitting zijn inlichtingen verstrekt door R. Boomstra, inspecteur-coördinator bij de Stichting Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiprodukten.

2. De bestreden tuchtbeslissing

Bij de bestreden tuchtbeschikking heeft het Tuchtgerecht appellant een geldboete opgelegd van fl. 8.000,--.

Deze tuchtbeschikking berust op een berechtingsrapport, dat door de Stichting Controlebureau Pluimvee, Eieren en Eiprodukten is opgesteld.

Ter zake van de gronden waarop de bestreden tuchtbeschikking berust, wordt kortheidshalve verwezen naar de inhoud van die beschikking, welke in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. Het standpunt van appellant

Appellant heeft in zijn beroepschrift het volgende naar voren gebracht.

In verband met de aanleg van de snelweg A-50 zijn begin januari 1999 onderhandelingen begonnen met Rijkswaterstaat voor de verkoop van de boerderij van appellant. De uiterste datum van vertrek van het bedrijf van appellant zou 1 november 2000 zijn. Als gevolg van de tijdsdruk en de onzekerheid over het voortzetten van het bedrijf elders is appellant vergeten de benodigde stalaanpassingen uit te voeren.

Op dat moment was onzeker of Rijkswaterstaat deze aanpassingen zou vergoeden.

Ter zitting van het tuchtgerecht is door appellant niet gezegd dat hij willens en wetens de geldende voorschriften blijft overtreden. Appellant is bereid de nodige stalaanpassingen aan te brengen. Wel is gezegd dat hij tot 1 augustus 2001 kippen zou houden. Nieuwe kippen zijn niet opgezet.

Onlangs heeft appellant van het laatst geruimde koppel een bloedonderzoek laten doen. Daarbij is geen besmetting geconstateerd.

Voorts acht appellant de boete te hoog. Dit gezien de geringe omvang van zijn bedrijf en het feit dat hij nooit eerder formele waarschuwingen heeft gehad voor genoemde feiten. Appellant verwijst tot slot naar gelijksoortige overtredingen door andere pluimveehouders, die een veel lagere boete opgelegd kregen, al dan niet deels voorwaardelijk.

4. De beoordeling

Het College stelt voorop dat hetgeen door appellant is aangevoerd, geen betwisting inhoudt van hetgeen door het Tuchtgerecht bewezen is verklaard, namelijk overtreding van een negental bepalingen uit de Verordeningen hygiënevoorschriften pluimveehouderij 1997 en 1999, juncto het Hygiënebesluit leghennenbedrijven 1997.

De stelling van appellant dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden, waaronder de geringe omvang van het bedrijf, vat het College op als te zijn gericht tegen de zwaarte van de opgelegde maatregel.

Het Tuchtgerecht heeft overwogen dat, gezien de opstelling van betrokkene, sprake is van zeer ernstige overtredingen, daarbij in aanmerking nemend dat het belang van de volksgezondheid in het geding is. Ter zitting is daar door R. Boomstra aan toegevoegd dat met name het niet uitvoeren van een salmonella-onderzoek door het Tuchtgerecht als een zeer ernstige overtreding wordt aangemerkt.

Gezien het geheel van de ter zake dienende feiten en omstandigheden acht het College de opgelegde boete niet zodanig dat geoordeeld moet worden dat het Tuchtgerecht niet in redelijkheid tot de opgelegde maatregel heeft kunnen komen. In het bijzonder overweegt het College nog dat appellant zich niet met vrucht op de omstandigheid kan beroepen dat hij zijn bedrijf mogelijk op korte termijn beëindigt. Tot op het moment dat de bedrijfsvoering daadwerkelijk wordt gestaakt is een betrokkene immers verplicht de geldende voorschriften volledig na te komen.

De stelling van appellant dat hij ter zitting van het Tuchtgerecht niet gezegd zou hebben de regelgeving willens en wetens te zullen overtreden kan, wat van deze stelling ook zij, niet aan dit oordeel afdoen, aangezien nergens uit blijkt dat appellant wel genegen was de regelgeving na te leven.

Tot slot heeft appellant de in zijn beroepschrift geponeerde stelling dat in een aantal soortgelijke zaken door het Tuchtgerecht minder hoge boetes zijn opgelegd, niet zodanig onderbouwd dat het College daaraan gevolgen verbindt.

Het beroep dient dan ook te worden verworpen.

Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtbeschikking, alsmede op titel IV van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie.

5. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr A.J. Medze, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. A.J. Medze