Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD6726

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-11-2001
Datum publicatie
05-12-2001
Zaaknummer
AWB 00/46 en 00/47
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

Nrs. AWB 00/46 en 00/47 23 november 2001

27605

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten,

gemachtigde: J.A.M. van Sleuwen, verbonden aan Verhofstad belastingadviseurs, te Gemert,

tegen

de Minister van Economische Zaken, te 's-Gravenhage, verweerder,

gemachtigden: mr C.N. Gajadhar en mr R.E. Groenewold, werkzaam bij Senter.

1. De procedure

Op 20 januari 2000 heeft het College van appellanten twee beroepschriften ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 10 december 1999.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op de bezwaren van appellanten tegen de afwijzingen van hun verzoeken om verklaringen als bedoeld in artikel 11, aanhef en eerste lid, onderdeel b, van de Wet op de Inkomstenbelasting 1964 (hierna: Wet IB).

Op 12 april 2000 heeft het College terzake van deze beroepen twee verweerschriften ontvangen.

Op 8 november 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunten nader hebben uiteengezet.

2. De grondslag van de geschillen

2.1 In de Wet IB is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 11

1. In geval in een kalenderjaar:

a. (…);

b. in een onderneming die de belastingplichtige voor eigen rekening feitelijk drijft voor een bedrag van meer dan f 3700 wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de belastingplichtige gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van investeringen die door Onze Minister van Financiën in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen), wordt - onverminderd de toepassing van onderdeel a - op verzoek bij de aangifte van de belastingplichtige een in het tweede lid, onderdeel b, aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

(…)

11. Het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, is slechts van toepassing indien de energie-investering is aangemeld bij Onze Minister binnen een door hem te stellen termijn.

12. Bij ministeriële regeling kunnen:

a. in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken - zo nodig afwijkende - regels worden gesteld met betrekking de in het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, bedoelde verklaring;"

Op grond van deze bepaling is vastgesteld de Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek (hierna: de Uitvoeringsregeling) (Stcrt. 1996, nr. 248), waarbij onder meer is bepaald:

" Artikel 2

Als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie (energie-investeringen) als bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfs-middelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen.

Artikel 3

1. De termijn bedoeld in artikel 11, elfde lid, van de wet waarbinnen de aangegane verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 moeten zijn aangemeld, wordt gesteld op drie maanden. Deze termijn vangt aan:

a. met betrekking tot verplichtingen: bij het aangaan van de verplichtingen;

b. met betrekking tot voortbrengingskosten: bij de aanvang van het kalenderkwartaal volgend op dat waarin de kosten zijn gemaakt dan wel, ingeval het bedrijfsmiddel of het onderdeel ter zake waarvan de kosten zijn gemaakt in het kalenderkwartaal in gebruik is genomen, bij de ingebruikneming van het bedrijfsmiddel respectievelijk het onderdeel.

(…)

Artikel 5

1. De verklaring van de Minister van Economische Zaken bedoeld in artikel 11, eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van de wet vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake.

2. (…)

3. Het verzoek om een verklaring als bedoeld in het eerste lid wordt gedaan bij de aanmelding bedoeld in artikel 3 en 4."

In de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling is onder meer het volgende bepaald:

" Artikel 5 en 6 hebben betrekking op de verklaring van de Minister van Economische Zaken.

(…)

Artikel 5, derde lid, ziet op het verzoek om de verklaring. Gelet op artikel 5, tweede lid, is dit van toepassing voor alle overige investeringen; dit zijn de investeringen waarvan de code op de lijst met '2' of '3' aanvangt. Voor deze investeringen geldt de aanmelding tevens als het verzoek om de verklaring van de Minister van Economische Zaken.

(…)

Tegen de inhoud van een verklaring afgegeven door Senter kan bezwaar worden gemaakt bij Senter. Tegen de uitspraak op het bezwaar is beroep mogelijk bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

In de in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling bedoelde bijlage (hierna: de Energielijst 1998) (Stcrt. 1997, nr. 250), is onder meer het volgende bepaald:

" (210403)

Isolatie

Bestemd voor: het isoleren van vloeren, daken en wanden van verwarmde ruimten van bedrijfsgebouwen, die grenzen aan de buitenlucht of onverwarmde ruimten, en bestaande uit: isolatiemateriaal met een warmteweerstand R van tenminste 3,0 m2.K/W"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij daartoe bestemde formulieren, door het Bureau energie-investeringsaftrek van de Belastingdienst (hierna: Bureau EIA) op 31 maart 1998 ontvangen, hebben appellanten verzoeken gedaan om verklaringen dat de daarbij aangemelde investeringen in het bedrijfsmiddel 'legpluimveestal' onder code 210403 in de Energielijst 1998, investeringen zijn, die zijn aangewezen, als zijnde in het belang van een doelmatig gebruik van energie in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel b, van de Wet IB (hierna: energieverklaring).

- Op 14 september 1998 en 20 oktober 1998 heeft verweerder (desgevraagd) van appellanten nadere gegevens over het bedrijfsmiddel ontvangen, waaronder een opdrachtbevestiging van D d.d. 23 december 1997, alsmede een factuur van voornoemde vennootschap, d.d. 23 december 1997, waarin de rekening van appellanten wordt belast inzake de eerste deelbetaling volgens voornoemde opdrachtbevestiging. In die opdrachtbevestiging staat, onder meer, het volgende vermeld:

" Hiermee bevestigen wij uw opdracht voor de levering en montage van een nieuw te bouwen leghennenstal te C."

- Bij besluiten van 6 juli 1999 heeft verweerder op de verzoeken om energie-verklaringen afwijzend beslist.

- Bij brieven van 30 juli 1999, aangevuld bij brieven van 11 november 1999, hebben appellanten tegen deze besluiten bezwaar gemaakt.

- Op 4 november 1999 zijn appellanten op hun bezwaren gehoord.

- Vervolgens heeft verweerder de bestreden besluiten genomen.

3. De bestreden besluiten

De bestreden besluiten houden, onder meer, het volgende in.

" Ik baseer mij hierbij onder andere op artikel 5, eerste lid, Uitvoeringsregeling. Daar is bepaald dat de verklaring vermeldt in welke aangewezen bedrijfsmiddelen of onderdelen daarvan is geïnvesteerd alsmede het bedrag van de uitgaven ter zake. Bij een dergelijk oordeel dien ik mij derhalve eveneens over het investeringsmoment en de hoogte van de investering uit te laten.

Bovendien dien ik ten aanzien van de investering in het bedrijfsmiddel te bepalen welke Energielijst van toepassing is op de investering in het bedrijfsmiddel. Hiervoor is het noodzakelijk het investeringsmoment te bepalen.

Zoals ik hiervoor bij de toelichting op de energie-investeringsaftrek ook reeds heb aangegeven geeft artikel 11, lid 11, Wet IB aan dat het eerste lid, eerste volzin, onderdeel b, van die wet slechts van toepassing is indien de energie-investering is aangemeld binnen een door de Minister van Financiën te stellen termijn. In artikel 11, lid 12, sub b, Wet IB is bepaald dat bij ministeriële regeling regels gesteld worden met betrekking tot het elfde lid. In artikel 3, lid 1, Uitvoeringsregeling is bepaald dat de termijn bedoeld in artikel 11, lid 11, Wet IB waarbinnen de aangegane verplichtingen dan wel de voortbrengingskosten ter zake van een investering als bedoeld in artikel 2 Uitvoeringsregeling moeten zijn aangemeld, is gesteld op drie maanden. Deze termijn vangt aan, met betrekking tot verplichtingen, bij het aangaan van de verplichtingen.

In artikel 5, derde lid, Uitvoeringsregeling is opgenomen dat een verzoek om een verklaring tevens wordt gedaan bij het aanmeldingsformulier zoals dat bij Bureau EIA wordt ingediend. Het verzoek om een verklaring moet derhalve eveneens binnen drie maanden worden ingediend, zoals bepaald in artikel 3, lid 1, Uitvoeringsregeling. Indien de melding buiten deze termijn wordt ontvangen weiger ik afgifte van de verklaring conform het door mij bestendig gevoerde beleid.

Op grond van het voorgaande ben ik van mening dat ik bevoegd ben om te oordelen over het moment waarop de investeringsverplichting wordt aangegaan en of aan de indieningstermijn is voldaan.

(…)

Ik ben het met uw redenering niet eens omdat uit de opdrachtbevestiging van 23 december 1997 blijkt dat opdracht tot levering van de isolatie reeds voor of op 23 december 1997 werd verstrekt en dat de ondertekening door u van de brief van 23 december 1997 niets meer en niets minder is dan de bevestiging van de eerder gemaakte afspraak tot levering. Van enige vrijblijvendheid aan de zijde van D na 23 december 1997 is mij niets gebleken.

In de brief van 20 april 1998 van de Belastingdienst wordt opgemerkt dat de termijn waarbinnen de melding moet zijn gedaan, afloopt op 31 maart 1998. De Belastingdienst is daarbij echter afgegaan op de door u op het meldingsformulier verstrekte gegevens. Zoals ik hierboven heb uiteengezet blijkt uit de later door u aan mij overgelegde informatie dat u de verplichtingen ten aanzien van de gemelde isolatie niet eerst op 31 december 1997, maar reeds voor of op 23 december 1997 bent aangegaan.

Uit het door u bij de brief van 23 december 1997 van D overgelegde laatste blad, dat in tegenstelling tot de andere bladzijden van die brief niet is genummerd en waarop op 31 december 1997 stempel en handtekening van notaris E te C zijn aangebracht blijkt slechts dat het afschrift van die brief in overeenstemming is met het originele exemplaar daarvan. Op geen enkele manier blijkt daaruit dat, zoals u stelt, de verplichtingen ten aanzien van de isolatie pas op 31 december 1997 zijn aangegaan.

Zoals ik hiervoor heb overwogen heb ik op basis van de door u verstrekte informatie vastgesteld dat u voor of uiterlijk op 23 december 1997 aan D opdracht hebt verstrekt tot levering van onderhavige isolatie. Om voor toepassing van de energie-investeringsaftrek in aanmerking te komen moest de investering in de isolatie uiterlijk op 23 maart 1998 worden gemeld bij het Bureau EIA te Breda. Die melding werd echter pas ontvangen op

31 maart 1998 zodat de melding te laat is gedaan (…)."

Verweerder heeft in de verweerschriften en ter zitting zijn standpunt herhaald.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben ter ondersteuning van de beroepen, samengevat weergegeven, het volgende tegen de bestreden besluiten aangevoerd.

Verweerder komt niet de bevoegdheid toe om te beslissen omtrent het moment van het aangaan door appellanten van de verplichtingen ter zake van de onderhavige isolatie en de tijdigheid van indiening van de verzoeken om energieverklaringen door appellanten bij verweerder. Deze bevoegdheid komt de inspecteur toe. Ingevolge artikel 11, lid 1, letter b, Wet IB is de reikwijdte van de verklaring van verweerder beperkt tot een oordeel over de vraag of de aangemelde investeringen in overeenstemming zijn met de Energielijst, aldus beperkt tot een technische beoordeling.

De fiscaalrechtelijke beoordeling van het moment van het aangaan van de verplichtingen is voorbehouden aan de inspecteur. Dit volgt eveneens uit de Toelichting bij de Uitvoeringsregeling. Ook in de brochure EIA, Energielijst 1998 wordt vermeld dat de inspecteur het tijdstip van het aangaan van verplichtingen beoordeelt, en niet verweerder.

Voorts staat in de ontvangstbevestiging van het Bureau EIA van 4 augustus 1998 vermeld dat de melding voor een technische beoordeling is doorgestuurd naar Senter en dat de inspecteur uiteindelijk beslist of voldaan wordt aan de wettelijke vereisen om voor aftrek in aanmerking te komen. Bovendien heeft verweerder in andere zaken overwogen dat de verklaring een oordeel inhoudt over de vraag of de aangemelde investeringen voldoen aan de technische eisen in de Energielijst 1998 en niet over verdere toepassing van de belastingwetgeving.

In de Uitvoeringsregeling is slechts bepaald dat de aanmelding binnen drie maanden moet zijn gedaan. Terzake van de onderhavige verzoeken ontbreekt een dergelijke bepaling.

Subsidiair hebben appellanten aangevoerd dat op verweerder de bewijslast rust om aan te tonen dat de verplichtingen zijn aangegaan vóór 31 december 1997. Hierin is verweerder niet geslaagd.

Overigens hebben appellanten aannemelijk gemaakt dat de verplichtingen met betrekking tot de onderhavige isolatie eerst op 31 december 1997 zijn aangegaan. In dit verband wordt verwezen naar de accountantsverklaring, inhoudende dat de verplichtingen terzake van de isolatie op 31 december 1997 zijn aangegaan. In die verklaring heeft de accountant aangegeven dat de datum waarop de investeringsverplichtingen zijn aangegaan, door appellanten juist is ingevuld.

Voorts is namens het Bureau EIA appellanten op 21 juli 1998 telefonisch meegedeeld dat de meldingen op tijd, op 31 maart 1998, zijn ontvangen. Dit betekent dat de Belasting-dienst de datum van 31 december 1997 als datum van het aangaan van het aangaan van verplichtingen ziet.

Bovendien staat in de brochure EIA vermeld dat sprake is van het aangaan van een verplichting door bijvoorbeeld het tekenen van een koopovereenkomst. Eerst op 31 december 1997 is hier zodanige overeenkomst tot stand gekomen. Op die datum is over de verplichtingen overeenstemming bereikt tussen appellanten en D en is de overeenkomst door appellanten, ten overstaan van de notaris, ondertekend. Dit blijkt uit de stempel en handtekening van en dagtekening door de notaris. Voordien bestond geen overeenstemming over de aan te gane verplichtingen.

Hiervoor wordt mede steun gevonden in het stuk van 23 december 1997, waarin slechts wordt gesproken over een aanbieding.

Voorts staat in artikel 2.1 van de Metaalunievoorwaarden dat aanbiedingen vrijblijvend zijn (tenzij uitdrukkelijk anders vermeld).

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling ligt allereerst de vraag voor of verweerder de bevoegdheid toekomt om te beslissen omtrent het moment van het aangaan door appellanten van de verplichtingen ter zake van de onderhavige isolatie en de tijdigheid van indiening door appellanten van de, bij de aanmeldingen van de investeringen met betrekking tot die isolatie gedane, verzoeken om energieverklaringen bij verweerder. Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat er sprake is van het aangaan van verplichtingen met betrekking tot de onderhavige isolatie.

Ter zake van voornoemde bevoegdheid overweegt het College, conform vaste jurisprudentie van het College, onder meer no. AWB 99/657 d.d. 10 juli 2001 (te raadplegen op www.rechtspraak.nl onder LJN AB2626), als volgt.

Gelet op het bepaalde in artikel 11, elfde lid, van de Wet IB, is het eerste lid, eerste volzin, sub b, van dat artikel, zoals hiervoor in rubriek 2 weergegeven, slechts van toepassing indien de investeringen in de onderhavige isolatie bij de Minister van Financiën zijn aangemeld binnen een door die Minister te bepalen termijn. Ingevolge het bepaalde in artikel 3, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling, welk artikel is gebaseerd op artikel 11, eerste lid, aanhef en onder b en twaalfde lid van de Wet IB, bedraagt de termijn waarbinnen de aangegane verplichtingen ter zake van die isolatie moeten zijn aangemeld bij de Minister van Financiën, drie maanden. Blijkens het bepaalde in artikel 5, derde lid, van de Uitvoeringsregeling, wordt het verzoek om een energieverklaring gedaan bij de aanmelding van de aangegane verplichtingen dan wel de gemaakte voortbrengingskosten bij de Minister van Financiën.

Naar het oordeel van het College volgt uit tekst en strekking van voornoemde bepalingen dat, aangezien is voorzien dat het verzoek om een energieverklaring wordt gedaan bij de aanmelding van de investering bij de Minister van Financiën, het verzoek om genoemde verklaring evenals de aanmelding, binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen moet zijn gedaan. Verweerder is dus slechts bevoegd een energieverklaring af te geven indien door hem is vastgesteld dat aan alle voorwaarden daarvoor is voldaan. Dit betekent dat verweerder slechts de door appellanten verzochte energieverklaringen kan afgeven, indien de onderhavige isolatie is aangemeld binnen een termijn van drie maanden na het aangaan van verplichtingen ter zake van dat bedrijfsmiddel.

Het vorenstaande betekent dat verweerder in de onderhavige gevallen, zulks ter vaststelling van zijn bevoegdheid tot afgifte van de verzochte energieverklaringen, op goede gronden heeft beslist dat hij dient te toetsen of de aanvragen tijdig, dus binnen voornoemde driemaandentermijn, zijn ingediend en, ter bepaling daarvan, wanneer de verplichtingen ter zake van de betreffende isolatie zijn aangegaan.

Het College ziet derhalve niet in dat verweerder op grond van voornoemde wet- en regelgeving niet de bevoegdheid zou hebben om in de onderhavige gevallen te oordelen over het moment waarop de investeringsverplichtingen zijn aangegaan en of aan voornoemde indieningstermijn van drie maanden is voldaan. Dit laat de bevoegdheid van de Belastingdienst om het moment van aangaan van de verplichtingen fiscaalrechtelijk te beoordelen onverlet.

5.2 Het College ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder terecht heeft beslist dat appellanten de, bij de aanmeldingen van de investeringen met betrekking tot de onderhavige isolatie gedane, verzoeken om energieverklaringen niet tijdig, aldus niet binnen drie maanden na het aangaan van de verplichtingen, hebben gedaan. Het College beantwoordt deze vraag eveneens bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Niet in geschil is dat de onderhavige verzoeken om energieverklaringen door verweerder zijn ontvangen op 31 maart 1998.

Appellanten zijn van mening dat zij de investeringsverplichtingen met betrekking tot de onderhavige isolatie zijn aangegaan op 31 december 1997, aangezien eerst op die datum een overeenkomst betreffende die isolatie tot stand is gekomen.

Het College stelt voorop dat het aan appellanten is om aan te tonen dat de investerings-verplichtingen ter zake lagen op 31 december 1997, althans op een tijdstip gelegen binnen 3 maanden voor 31 maart 1998. Appellanten zijn daarin niet geslaagd.

Het College hecht hierbij beslissende betekenis aan de hiervoor in rubriek 2.2 aangehaalde opdrachtbevestiging, gedateerd 23 december 1997, welke bevestiging door appellanten voor akkoord is ondertekend. Hierbij wordt mede in aanmerking genomen de eerste deelfactuur van D, eveneens gedateerd 23 december 1997, waarin gerefereerd wordt aan die opdrachtbevestiging van 23 december 1997.

De stelling van appellanten dat hun accountant heeft verklaard dat op 31 december 1997 de investeringsverplichtingen ter zake van de isolatie zijn aangegaan, is ontoereikend ter weerlegging van het standpunt van verweerder.

Ook het enkele feit dat op 31 december 1997 notaris E, voornoemde opdrachtbevestiging heeft uitgegeven voor vergeleken afschrift, is hiervoor onvoldoende. Hieruit blijkt immers slechts dat het afschrift van die opdrachtbevestiging in overeenstemming is met het originele exemplaar daarvan. Hieraan doet niet af dat in voornoemde opdrachtbevestiging ook is vermeld dat het hier een aanbieding betreft. De omstandigheid dat de opdrachtbevestiging mede spreekt over een aanbieding heeft er immers niet aan in de weg gestaan dat een overeenkomst tot stand is gekomen. Dat het Bureau EIA in zijn brieven van 20 april 1998 te kennen heeft gegeven dat het meldingsformulier binnen de oorspronkelijke termijn van drie maanden in het bezit moet zijn van het Bureau, te weten uiterlijk op 31 maart 1998, leidt niet tot een ander oordeel. Zulks laat immers onverlet dat verweerder de onderhavige verzoeken ten volle aan het voorschrift van artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling juncto artikel 5, derde lid van de Uitvoeringsregeling kan toetsen. Bovendien is het Bureau EIA tot voornoemd standpunt gekomen op grond van de door appellanten overgelegde meldingsformulieren, waarin zij hebben aangegeven dat zij op 31 december 1997 de onderhavige investeringsverplichtingen zijn aangegaan, terwijl appellanten nadien aan verweerder, voornoemde opdrachtbevestiging d.d. 23 december 1997 hebben overgelegd.

Gelet op het vorenstaande kon verweerder naar het oordeel van het College op goede gronden ervan uitgaan dat aan hetgeen appellanten omtrent de datum van 31 december 1997 hebben aangevoerd, niet de betekenis kan toekomen dat eerst op die datum de investeringsverplichtingen zijn aangegaan met betrekking tot de onderhavige isolatie.

Aldus moet worden uitgegaan van 23 december 1997 als datum waarop verplichtingen zijn aangegaan ter zake van de door appellanten aangemelde investeringen. Aangezien vaststaat dat de onderhavige verzoeken om energieverklaringen door verweerder zijn ontvangen op 31 maart 1998, zijnde meer dan drie maanden nadien, is niet voldaan aan het voorschrift ingevolge artikel 3, eerste lid aanhef en onder a van de Uitvoeringsregeling juncto artikel 5, derde lid van de Uitvoeringsregeling. Gelet daarop kon verweerder beslissen geen energieverklaringen af te geven.

Het hiervoor overwogene leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond moeten worden verklaard.

Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart de beroepen ongegrond.

Aldus gewezen door mr J.A. Hagen, in tegenwoordigheid van mr I.K. Rapmund, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 23 november 2001.

w.g. J.A. Hagen w.g. I.K. Rapmund