Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5889

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
14-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 01/273
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

-

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 01/273 14 november 2001

29010

Uitspraak in de zaak van:

A en B, te C, appellanten

gemachtigde: mr A.P. van Delden, advocaat te Leiden,

tegen

de burgemeester van Naaldwijk, verweerder,

gemachtigde: K. Hoekstra, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Op 12 april 2001 heeft het College van appellanten een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van verweerder van 5 april 2001, dat aan appellanten is verzonden op 6 april 2001.

Bij dit besluit heeft verweerder het door appellanten ingediende bezwaarschrift tegen zijn besluit van 21 februari 2001, waarbij hun aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in hun horeca-inrichting "D" is geweigerd, onder lastgeving tot het verwijderen van de in de inrichting aanwezige kansspelautomaten per 8 maart 2001, op verbeurte van een dwangsom van fl. 500,-- voor elke dag dat de automaten na die datum in de horecagelegenheid van appellanten aanwezig zullen zijn, tot een maximum van fl. 40.000,--, ongegrond verklaard.

Op 11 juni 2001 heeft het College van verweerder een schrijven ontvangen waarin deze mededeelt geen aanleiding te zien tot het indienen van een verweerschrift.

Op 3 oktober 2001 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, alwaar partijen, appellanten in persoon van A en bij gemachtigde, en verweerder bij gemachtigde, hun standpunt nader uiteen hebben gezet.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Wet op de kansspelen, zoals deze per 1 juni 2000 luidt, verder ook: de Wet, is als volgt bepaald:

" Titel Va. Speelautomaten

§ 1. Inleidende bepalingen

Artikel 30

In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(……)

d. hoogdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

e. laagdrempelige inrichting: een inrichting als bedoeld is in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is, of een

inrichting waarin horeca-activiteiten worden verricht en waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is en ingeschreven is bij het Bedrijfschap Horeca.

§ 2. Vergunning tot het aanwezig hebben van speelautomaten

Artikel 30b

1. Het is verboden, behoudens het in deze Titel bepaalde, zonder vergunning van de burgemeester een of meer speelautomaten aanwezig te hebben

a.(…);

b.(…);

c. in niet voor het publiek toegankelijke inrichtingen, waarvoor ingevolge artikel 3 van de Drank- en Horecawet een vergunning voor de uitoefening van het horecabedrijf is vereist of waarvan de ondernemer inschrijfplichtig is bij het Bedrijfschap Horeca.

2. (…)

Artikel 30c

1. De vergunning kan slechts worden verleend, indien zij betreft het aanwezig hebben van een of meer speelautomaten:

a. in een laagdrempelige inrichting;

b. in een hoogdrempelige inrichting;

c. (…)

2. Bij gemeentelijke verordening wordt het aantal speelautomaten vastgesteld waarvoor per inrichting, als bedoeld in het eerste lid, vergunning wordt verleend, met dien verstande dat:

a. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder a, geen vergunning kan worden verleend voor kansspelautomaten;

b. voor een inrichting als bedoeld in het eerste lid, onder b, het aantal kansspel-automaten waarvoor vergunning kan worden verleend, op twee wordt bepaald.

(…)

Artikel 30v

Tegen een op grond van de paragrafen 2, 3 of 4 van deze Titel genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven."

In de Memorie van Toelichting bij het voorstel dat leidde tot de wijziging van Titel Va is met betrekking tot de begrippen hoog- en laagdrempeligheid onder meer het volgende opgemerkt:

" Om een inrichting als hoogdrempelig te kunnen kwalificeren, is de eerste voorwaarde het bezit van een Drank- en Horecawetvergunning. Alle inrichtingen waarvoor een dergelijke vergunning niet verleend is, zijn laagdrempelige inrichtingen. De tweede voorwaarde is dat in de inrichting het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat en er geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Hiermee wordt aangegeven dat enkel in cafés en restaurants kansspelautomaten mogen worden opgesteld. Een café is een inrichting, die door het publiek in de eerste plaats wordt bezocht voor het nuttigen van alcoholhoudende drank. Een restaurant is een inrichting waar maaltijden worden geserveerd. Voor het begrip maaltijd kan worden aangesloten bij de uitleg die het CBB daaraan heeft gegeven. Hiertoe heeft het CBB aansluiting gezocht bij het Besluit vestigingseisen Drank- en Horecawet, dat overigens inmiddels is vervallen. Onder maaltijd wordt verstaan een geheel van warme gerechten, hetwelk tenminste bestaat uit de volgende drie, niet met elkaar vermengde bestanddelen: «vlees, vis, gevogelte of wild» (eventueel te vervangen door andere bestanddelen, in geval van een vegetarisch restaurant), «groente» en «aardappelen, rijst of meelspijzen». Indien de inrichting op verstrekking van maaltijden van deze samenstelling is gericht en niet op merendeels afzonderlijke gerechten, is er sprake van een restaurant. Overigens komt het niet vaak voor dat in restaurants kansspelautomaten staan opgesteld. Indien in een café of restaurant nog andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend, dan wordt de inrichting alsnog als laagdrempelige inrichting gekwalificeerd. Zelfstandige betekenis houdt in dat de activiteit niet uitsluitend ter ondersteuning van het cafébezoek dient en een zelfstandige stroom van bezoekers trekt."

In de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Naaldwijk (hierna: de APV) is het volgende bepaald:

" Artikel 2.3.3.1

Begripsomschrijvingen en opstelplaatsenbeleid

1 Begripsomschrijving:

In dit artikel wordt verstaan onder:

a. Wet: de Wet op de Kansspelen;

b. speelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder a van de Wet;

c. kansspelautomaat: automaat als bedoeld in artikel 30, onder c van de Wet;

d. hoogdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d van de Wet;

e. laagdrempelige inrichting: inrichting als bedoeld in artikel 30, onder e van de Wet.

2 Opstelplaatsenbeleid:

a. In hoogdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee kansspelautomaten;

b. In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan."

In de Gemeentewet is het volgende bepaald:

" Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang.

2. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college van burgemeester en wethouders, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

3. De bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang wordt evenwel uitgeoefend door de burgemeester, indien de toepassing van bestuursdwang dient tot handhaving van regels welke hij uitvoert.

4. (…)"

Tenslotte is in de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) het volgende bepaald:

"Artikel 5:32

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is bestuursdwang toe te passen, kan in plaats daarvan aan de overtreder een last onder dwangsom opleggen.

2. Een last onder dwangsom strekt ertoe de overtreding ongedaan te maken of verdere overtreding dan wel een herhaling van de overtreding te voorkomen.

3. Voor het opleggen van een last onder dwangsom wordt niet gekozen, indien het belang dat het betrokken voorschrift beoogt te beschermen, zich daartegen verzet.

4. Het bestuursorgaan stelt de dwangsom vast hetzij op een bedrag ineens, hetzij op een bedrag per tijdseenheid waarin de last niet is uitgevoerd, dan wel per overtreding van de last. Het bestuursorgaan stelt tevens een bedrag vast waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd. Het vastgestelde bedrag staat in redelijke verhouding tot de zwaarte van het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging.

5. In de beschikking tot oplegging van een last onder dwangsom die strekt tot het ongedaan maken van een overtreding of het voorkomen van verdere overtreding, wordt een termijn gesteld gedurende welke de overtreder de last kan uitvoeren zonder dat een dwangsom wordt verbeurd."

2.2 Bij de beoordeling van het beroep gaat het College uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Appellanten exploiteren een horeca-inrichting in winkelcentrum "E" in Naaldwijk.

- Bij brief van 19 januari 2001 heeft verweerder B - kort gezegd - bericht dat hij de horeca-inrichting van appellanten als laagdrempelig beschouwt en dat desondanks in de inrichting twee kansspelautomaten staan opgesteld; daarmee is een met artikel 2.3.3.2. van de APV strijdige situatie aanwezig. Verweerder geeft aan dat hij gelet hierop voornemens is appellanten een last onder dwangsom op te leggen. Appellanten wordt de gelegenheid geboden om tot 1 februari 2001 op dit voornemen te reageren.

- Op 22 januari 2001 heeft B verweerder om een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten verzocht.

- Bij brief van 25 januari 2001, ingekomen bij verweerder op 29 januari 2001, hebben appellanten gereageerd op het standpunt van verweerder dat hun horeca-inrichting als laagdrempelig is te beschouwen.

- Verweerder heeft het verzoek van appellanten tot verlening van een aanwezigheidsvergunning afgewezen bij besluit van 21 februari 2001, onder oplegging van een last onder dwangsom.

- Tegen dit besluit hebben appellanten op 7 maart 2001 bezwaar gemaakt.

- Op 2 april 2001 zijn appellanten naar aanleiding van hun bezwaren door verweerder gehoord.

- Daarop heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

- Op 11 april 2001 hebben appellanten de president van het College verzocht een voorlopige voorziening te treffen, strekkende tot schorsing van het bestreden besluit. Dit verzoek heeft de president afgewezen bij uitspraak van 24 april 2001.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft in het bestreden besluit als volgt overwogen:

"Zonder aan te tonen, bijvoorbeeld door middel van het overleggen van daar op betrekking hebbende gegevens, stelt u dat uw inrichting een hoogdrempelig karakter heeft als beschreven in artikel 30, onder d van de Wet op de kansspelen. Ik heb daarentegen gesteld en stel dat ook nu dat gelet op de overgelegde spijs- en drankenkaart, de beperkte openingstijden van uw bedrijf (gedurende de openingstijden van 09.00 tot 18.00 uur en op vrijdagen tot 22.00 uur van het winkelcentrum "E"), de situering van uw bedrijf (geen beslotenheid en voor een groot deel deeluitmakend van de openbare ruimte in genoemd centrum) geen sprake is van een restaurant in de zin van de daarover tot nu toe gevormde jurisprudentie. Ik blijf in dat verband bij mijn bij beschikking van 21 februari 2001 ingenomen standpunt dat in uw horecabedrijf weliswaar warme gerechten worden bereid en geconsumeerd, maar dat het om merendeels afzonderlijke gerechten gaat. Verwezen wordt naar de "Handreiking Gemeentelijk Speelautomatenbeleid", uitgebracht door de V.N.G. in 1999, ISBN 90 322 7243 8. Op bladzijde 21, kolom 1, wordt met zoveel woorden gesteld dat sprake is van een restaurant als de inrichting op verstrekking van maaltijden is gericht die bestaan uit drie, niet met elkaar gemengde bestanddelen van de daar genoemde soorten (voorgerecht, hoofdgerecht en nagerecht) en niet op merendeels afzonderlijke gerechten. Wat de karakterisering van uw bedrijf betreft stel ik dat het zou kunnen worden aangeduid als een café annex petit-restaurant. Een dergelijk bedrijf wordt in genoemde uitgave van de V.N.G., mede aan de hand van de gevormde jurisprudentie aangeduid als laagdrempelig.

-

(…)

U gaat ten onrechte uit van een vergunningensysteem waarbij de geldigheidsduur verlengd zou kunnen worden. Dit is onjuist. De Wet op de kansspelen kent niet een dergelijk systeem. Ik verwijs u naar artikel 30d, lid 2, waarin is bepaald dat de vergunning voor bepaalde of onbepaalde tijd wordt verleend. Mijn beleid in dezen is dat aanwezigheidsvergun-ningen de geldigheidsduur van een kalenderjaar hebben. Er is derhalve geen sprake van het verlengen van de geldigheidsduur. De vergunning expireert steeds op 31 december. Een vergunninghouder zal derhalve tijdens het vergunningsjaar reeds voor het volgende kalenderjaar een vergunning dienen aan te vragen zo hij de aanwezigheid van de speelautomaat in zijn bedrijf wenst te continueren. Het spreekt vanzelf dat de beoordeling van een dergelijke aanvraag en de beslissing daarop geschiedt aan de hand van de dan geldende wettelijke bepalingen en de voor die beoordeling en beslissing relevante feiten en omstandigheden waarbij een eerder verleende vergunning geen enkele rol speelt. Derhalve mocht en mag u er niet op vertrouwen dat een verleende vergunning automatisch de garantie geeft dat de voor een volgende jaar gevraagde vergunning ook zal worden verleend.

Met mijn aankondiging, gedaan bij brief van 19 januari 2001, heb ik voldaan aan de verplichting, gesteld in artikel 4:8 van de Algemene wet bestuursrecht.

(…)

Volgens artikel 6:16 van de Algemene wet bestuursrecht schorst het bezwaar niet de werking van het besluit waartegen het is gericht, tenzij bij wettelijk voorschrift anders is bepaald. De Wet op de kansspelen noch de Gemeentewet bevat een bepaling die mijn besluit van 21 februari 2001 schorst nu u bezwaar tegen die beschikking heeft gemaakt. Ik acht het in het kader van het door mij gehanteerde handhavingsbeleid niet gewenst om in een last tot het verwijderen van onwettig aanwezige speelautomaten een tijdstip te bepalen dat verder ligt dan zes weken na de dagtekening van de lastgeving. Ook ben ik het oneens met de stelling dat de rechtsbescherming wordt beperkt. Ter voorkoming daarvan is de mogelijkheid tot het vragen van een voorlopige voorziening in de Algemene wet bestuursrecht gegeven. Het doel van de dwangsom is reeds uit de naam af te leiden.

De hoogte van de opgelegde dwangsom houdt verband met het financiële voordeel dat wordt behaald gedurende het voortduren van de overtreding (de aanwezigheid van de kansspelen).

(…)

Aan het slot van uw bezwaarschrift vermeldt u een viertal horecabedrijven waarin kansspelautomaten aanwezig zouden zijn met legalisatie mijnerzijds. Aangenomen mag worden dat u hiermee een beroep doet op het gelijkheidsbeginsel. Ik merk hierover op dat elke beslissing op een aanvraag om een aanwezigheidsvergunning op zich zelf staat. Feiten en omstandigheden van de aanvraag in kwestie zijn van belang en richting gevend voor de beslissing.

Niettemin heb ik aanleiding op te merken dat de bewering dat sprake zou zijn van aanwezigheidsvergunningen voor speelautomaten in vier horecabedrijven niet juist is. De exploitant van croissanterie "F" heeft naar aanleiding van de door mij gegeven last de aanwezige kansspelautomaat verwijderd. Voorts is de exploitatie van het als derde vermelde bedrijf reeds enige maanden geleden gestaakt en heeft het pand nog geen andere bestemming gevonden.

De resterende twee bedrijven zijn nog onderwerp van onderzoek en zijn de laatste van een alomvattende inspectie op het terrein van de naleving van de Wet op de kansspelen in de kern Naaldwijk.

(…)

Gelet op het voorgaande zijn uw gemaakte bezwaren tegen mijn beschikkingen tot het weigeren van de aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in uw horecabedrijf en tot het geven van de last onder het stellen van een dwangsom tot het verwijderen van de beide in uw bedrijf aanwezige kansspelautomaten ongegrond en handhaaf ik beide beschikkingen. Ik vul de beschikking, waarbij ik de last tot verwijdering van de beide kans-spelautomaten heb gegeven echter aan met de constatering dat de aanwezigheid van die automaten eveneens in strijd is met artike1 30c, lid 2, sub a van de Wet op de kansspelen."

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben het volgende aangevoerd.

De horeca-inrichting van appellanten is, anders dan verweerder meent, hoogdrempelig, nu deze voldoet aan de in artikel 30, onder d, van de Wet gestelde criteria.

Zo beschikken appellanten over de vereiste vergunning ingevolge de Drank- en Horecawet en is de gemiddelde leeftijd van de bezoekers van de horeca-inrichting ver boven de 18 jaar. Appellanten betogen voorts dat het café- of restaurantbezoek in hun horeca-inrichting op zichzelf staat. Er vinden geen andere activiteiten plaats waaraan zelfstandige betekenis kan worden toegekend. In totaal wordt circa 55% van de omzet behaald uit het verstrekken van alcoholhoudende drank en van 3-componentenmaaltijden. Dat op de menukaart broodjes, pannenkoeken, salades en soepen worden aangeboden, verandert volgens appellanten niets aan de hoogdrempeligheid van de inrichting.

Verweerder heeft bij appellanten het vertrouwen gewekt dat de in de inrichting aanwezige kansspelautomaten gehandhaafd mochten blijven. Appellanten voeren daartoe aan dat zij in de periode van november 1998 tot 1 januari 2001 over een aanwezigheidsvergunning voor één kansspelautomaat beschikten en verweerder niet is opgetreden tegen de tweede in die periode in de inrichting aanwezige kansspelautomaat; dit terwijl verweerder daarvan wel op de hoogte was.

Appellanten betogen dat het enkele verstrijken van de geldigheidsduur van de vergunning er onder de bovengenoemde omstandigheden niet toe kan leiden dat aan hen geen nieuwe vergunning meer kan worden verleend, noch dat de aanwezige automaten moeten worden verwijderd. Appellanten zijn vóór het verlopen van de termijn van de laatst verleende vergunning immers in het geheel niet gewezen op de mogelijkheid dat de vergunning wellicht niet zou worden verlengd. Appellanten mochten er op vertrouwen dat op hun verzoek een nieuwe vergunning zou worden verleend, nu dat in het verleden ook steeds gebeurde.

Het handhavingsbeleid van verweerder is in strijd met het gelijkheidsbeginsel, nu in een viertal andere horeca-inrichtingen in de gemeente Naaldwijk - inrichtingen die vergelijkbaar zijn met de inrichting van appellanten - tegen de aanwezigheid van kansspelautomaten niet wordt opgetreden.

De opgelegde dwangsom is gelet op het bovenstaande onrechtmatig.

Het is goede usance dat een bestuursorgaan de werking van een lastgeving opgeschort, althans de begunstigingstermijn verlengt, in het geval dat daartegen bezwaar is aangetekend dan wel een verzoek om voorlopige voorziening tot schorsing van die lastgeving is ingediend. Verweerder heeft dit ten onrechte nagelaten.

Appellanten hebben nog voor het einde van de begunstigingstermijn aan verweerder medegedeeld dat zij de beslissing van de president op hun verzoek om voorlopige voorziening wensten af te wachten alvorens de kansspelautomaten te verwijderen. Wanneer de kansspelautomaten zouden zijn verwijderd binnen de in het besluit in primo gestelde termijn van twee weken, had de behandeling van de voorlopige voorziening geen doel gediend. Immers, het verzoek om voorlopige voorziening behelsde schorsing van de lastgeving. Appellanten betogen dat zij er derhalve op mochten vertrouwen dat verweerder de behandeling van de voorlopige voorziening zou afwachten alvorens over te gaan tot effectuering van het besluit.

Verweerder heeft aan de lastgeving ten onrechte een begunstigingstermijn van slechts twee weken verbonden. Appellanten hebben daardoor versneld - binnen twee weken - gemotiveerd bezwaar moeten indienen. Feitelijk werd hiermee de bezwaartermijn voor appellanten teruggebracht van zes naar twee weken. De bezwaarmogelijkheden van appellanten zijn aldus ten onrechte beknot.

Verweerder laat voorts ten onrechte na te motiveren waarom een dergelijke korte begunstigingstermijn van twee weken is gehanteerd.

Appellanten achten de opgelegde dwangsom van fl. 500,-- per dag met een maximum van fl. 40.000,-- ten slotte disproportioneel hoog.

5. De beoordeling van het geschil

Verweerder heeft in het bestreden besluit zowel zijn beslissing tot weigering van een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in de inrichting van appellanten - welke beslissing zijn grondslag vindt in de titel Va van de Wet - gehandhaafd, als ook zijn beslissing tot oplegging van een last onder dwangsom.

De wetgever heeft aan het College de bevoegdheid toegekend kennis te nemen van beroepen tegen alle op grond van titel Va van de Wet genomen besluiten, zodat het College bevoegd is te beoordelen of de gevraagde aanwezigheidsvergunning terecht is geweigerd. Hoewel de Wet ook besluitvorming kent, die aan een andere beroepsgang is onderworpen, dient in het onderhavige geval aan argumenten ontleend aan de wenselijkheid van concentratie van rechtsmacht, doorslaggevende betekenis te worden gehecht, waar het de bevoegdheid van het College betreft om kennis te nemen van beroepen tegen handhavingsbeslissingen, die onlosmakelijk zijn verbonden met besluiten op grond van Titel Va van de Wet. Het College acht zich derhalve tevens bevoegd te oordelen over de rechtmatigheid van de opgelegde last onder dwangsom.

Met betrekking tot de door appellanten aangevoerde argumenten tegen de weigering van de gevraagde vergunning, overweegt het College, dat de stelling, dat hier sprake is van een hoogdrempelige horeca-inrichting, niet overtuigend is. Het College overweegt hiertoe dat uit de menukaart van de horeca-inrichting blijkt dat het merendeel van de door appellanten aangeboden spijzen "kleine etenswaren" betreft (belegde broodjes, stokbroodjes, eiergerechten, soepen, tosti's, salades en pannenkoeken). Dat, zoals appellanten onder verwijzing naar omzetcijfers over het jaar 2000 aanvoeren, 55% van de omzet zou worden gehaald met de verkoop van alcoholische dranken en drie-componentenmaaltijden, laat onverlet dat in ieder geval 45% en daarmee een betekenend deel van de omzet wordt behaald met onder meer de verkoop van genoemde "kleine etenswaren". Verweerder is er dan ook terecht vanuit gegaan dat de verkoop van deze "kleine etenswaren" een zelfstandige betekenis toekomt, zodat reeds hierom van een laagdrempelige inrichting sprake is. In de ter zitting bezichtigde foto's van de inrichting kan het College zeker geen aanleiding vinden om toch van een hoogdrempelige inrichting uit te gaan. Voor verlening van de door appellanten gevraagde aanwezigheidsvergunning heeft verweerder derhalve terecht geen plaats aanwezig geacht.

Het College overweegt voorts dat gelet op het bepaalde bij artikel 125 van de Gemeentewet in samenhang gelezen met artikel 5:32 van de Awb aan verweerder de bevoegdheid toekomt om bestuursdwang toe te passen. In de plaats hiervan kan verweerder een last onder dwangsom opleggen.

Het College stelt vast dat verweerder, gelet op de illegale situatie, bevoegd was bestuursdwang toe te passen en derhalve ook bevoegd om in plaats daarvan een last onder dwangsom op te leggen.Van een bijzondere reden om van handhavingsmaatregelen af te zien, is het College niet gebleken. Voorzover appellanten aanvoeren dat zij op grond van de ervaringen uit de voorgaande jaren mochten verwachten, dat verweerder van handhaving zou afzien, merkt het College op, dat de Wet met ingang van 1 juni 2000 de gemeenten minder eigen beleidsruimte laat dan waarover zij voor die tijd beschikten. Reeds hierom kan een voor die tijd opgebouwde verwachting nadien niet zonder meer aan verweerder worden tegengeworpen. Verweerder heeft dan ook niet onrechtmatig gehandeld door in het belang van de handhaving van de wettelijke voorschriften een last onder dwangsom op te leggen.

Tegenover het betoog van appellanten dat verweerder in strijd met het gelijkheidsbeginsel handelt, in die zin dat tegen de aanwezigheid van kansspelautomaten in vier andere horeca-inrichtingen niet wordt opgetreden, staat de voldoende gemotiveerde betwisting hiervan door verweerder in het bestreden besluit.

Het College dient vervolgens te beoordelen of verweerder bij de bestreden beslissing kon vasthouden aan de begunstigingstermijn die is vermeld in het besluit in primo.

Het College acht de door verweerder op grond van artikel 5:32, vierde lid, van de Awb gestelde begunstigingstermijn van veertien dagen niet onredelijk kort. Hierbij neemt het College in aanmerking dat genoemde verwijdering eenvoudig te verwezenlijken is, geen substantiële kosten met zich brengt en zonder problemen weer ongedaan zou kunnen worden gemaakt als het bestreden besluit zou worden vernietigd.

Het College is tenslotte niet gebleken dat de hoogte van de opgelegde dwangsom niet in verhouding zou staan tot het geschonden belang en de beoogde werking van de dwangsomoplegging. Een dwangsom mag, om aan zijn doel te voldoen, zeker zo hoog zijn, dat daarmee de winst, die bij voortzetting van de onrechtmatige situatie verkregen kan worden, ruim wordt overschreden.

Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr D. Roemers, mr C.J. Borman en mr W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr Th.J. van Gessel, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 14 november 2001.

w.g. D. Roemers w.g. Th.J. van Gessel