Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2001:AD5886

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-11-2001
Datum publicatie
20-11-2001
Zaaknummer
AWB 98/1143
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

-

Wetsverwijzingen
Besluit ex artikel 1 Bestrijdingsmiddelenwet 1962 3 en 5
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JB 2002/13
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

No. AWB 98/1143 15 november 2001

32030

Uitspraak in de zaak van:

Denka International B.V., te Barneveld, appellante,

gemachtigden: ir P.S.R. van Ulden werkzaam bij appellante en mr J.Th. Mulder, advocaat te Delft,

tegen

het College voor de toelating van bestrijdingsmiddelen, verweerder,

gemachtigde: mr J.H. Geerdink, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Op 29 oktober 1998 heeft het College van appellante een beroepschrift ontvangen, waarbij beroep wordt ingesteld tegen een besluit van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport van 18 september 1998 voor zover dit betreft de toelatingsnummers 4035N en 6888N.

Bij dit besluit heeft de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 15 augustus 1997 krachtens de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 (hierna: Wet), waarbij de toelating van de middelen No Fly Aerosol (4035N), Spritex (6888N), Basta (3686N), Insectend (3664N) en Kruidvat Insectenspray (10981N) niet werd verlengd, ongegrond verklaard.

Op 12 maart 1999 heeft de Staatssecretaris van Volksgezondheid, Welzijn en Sport een verweerschrift ingediend.

Op 16 mei 2000 heeft het College een nadere toelichting c.q. aanvulling op het beroepschrift ontvangen. Verweerder heeft hierop gereageerd met een brief, die op

20 juni 2001 door het College is ontvangen en waarbij als bijlage is gevoegd vergaderstuk C-110.5.d, de dato 12 juni 2001.

Op 13 september 2001 heeft het onderzoek ter terechtzitting plaatsgevonden, alwaar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader hebben toegelicht. Namens appellante is tevens verschenen dr W.K. de Raat, namens verweerder waren tevens aanwezig drs H.J. Falke, mr M.K. Polano, alsmede dr ir B.C. Hakkert en dr M.P. van Veen.

Op verzoek van het College en met instemming van verweerder heeft appellante bij brief de dato 14 september 2001 aan het College afschrift gezonden van haar brief de dato 26 mei 1998 aan verweerder.

2. De positie van verweerder

Bij wet van 12 november 1998 (Stb. 689) is de Wet gewijzigd in verband met de instelling van een verzelfstandigd College voor de Toelating van Bestrijdingsmiddelen. Deze wetswijziging is bij besluit van 21 december 1999 (Stb. 587) per 1 januari 2000 in werking getreden.

Uit artikel VI van de wet van 12 november 1998 vloeit voort dat genoemd college de onderhavige procedure met ingang van genoemde datum heeft overgenomen van de Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.

In deze uitspraak is verweerder ter zake van de hoedanigheid die hij bezat voor 1 januari 2000 en in die kwaliteit verrichte handelingen aangeduid als het CTB.

3. De grondslag van het geschil

3.1 Ingevolge artikel 3, aanhef en onder a, sub 3, van de Wet wordt een bestrijdingsmiddel slechts toegelaten, indien op grond van de stand van de wetenschap en technische kennis en aan de hand van onderzoek van de gegevens, bedoeld in artikel 4, tweede lid, van de Wet, met inachtneming van de bij of krachtens artikel 3a van de Wet vastgestelde regels en beginselen voor de beoordeling is vastgesteld dat het bestrijdingsmiddel en zijn omzettingsproducten, wanneer zij overeenkomstig het bepaalde bij of krachtens de Wet wordt gebruikt, geen schadelijke uitwerking heeft op de gezondheid van de mens, hetzij direct, hetzij indirect.

Krachtens artikel 5, tweede lid, van de Wet worden bij de toelating van een bestrijdingsmiddel voorschriften gegeven omtrent de doeleinden waarvoor het middel uitsluitend dan wel niet mag worden gebruikt, alsmede, waar mogelijk, omtrent de toepassing van de beginselen van geïntegreerde bestrijding, en kunnen voorschriften worden gegeven welke onder meer betrekking hebben op de tijden en plaatsen waarop, de klimatologische omstandigheden waaronder, de doseringen waarin, de wijze waarop en de technische hulpmiddelen waarmede het middel uitsluitend dan wel niet gebruikt mag worden, alsmede op de bij het gebruik in acht te nemen veiligheidstermijnen. Het derde lid van genoemd artikel bepaalt dat bij de toelating nadere voorschriften kunnen worden gegeven omtrent de samenstelling, kleur, vorm, verpakking en aanduidingen en vermeldingen op, aan of bij de verpakking van het bestrijdingsmiddel.

Op grond van artikel 10, eerste lid, van de Wet is het verboden te handelen in strijd met de krachtens artikel 5, tweede en derde lid, vastgestelde voorschriften, zij het dat ingevolge het derde lid van artikel 10 van de Wet dat verbod niet geldt voor een particuliere persoon, voor zover het betreft het gebruiken van een bestrijdingsmiddel in een door hem bewoonde ruimte.

3.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is voorzover in deze procedure van belang, toelatinghouder voor de volgende middelen op basis van dichloorvos: No Fly Aerosol (4053N) en Spritex (6888N).

- In vergaderstuk C-56.3.24 de dato 19 februari 1997 heeft verweerder het gezondheidsrisico voor volwassenen en kinderen bij gebruik van bestrijdingsmiddelen op basis van dichloorvos in woon- en verblijfsruimten behandeld. Het vergaderstuk bevat onder meer de volgende passages:

" Gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstelling

Door TNO (1994) is een toelaatbare inhalatoire en dermale belasting voor de beroepsmatige toepasser vastgesteld van 2 mg per dag. Dit komt neer op een toelaatbare inhalatoire belasting van 0,029 mg/kg lichaamsgewicht per dag (Industox spreekt hier ten onrechte van een inwendige dosis). Bij gebruik van een factor voor intraspecies variatie van 10 in plaats van 3 wordt dit 0,0086 mg/kg lichaamsgewicht/dag voor de algemene bevolking.

Schatting van de blootstelling

IndusTox gaat m.b.t. blootstelling uit van de door TNO opgestelde gegevens. Dit houdt in dat voor toepassingen met een spuitbus rekening moet worden gehouden met een gemiddelde concentratie dichloorvos in de binnenhuislucht van ca. 0,08 mg/m³ bij een ventilatieveelvoud van <0,5 per uur (NB. Dit is zeer laag. In de normale toepassingsperiode t.w. de zomer, zal het ventilatieveelvoud hoger zijn). Voor cassettes zijn metingen beschikbaar die waarden leveren tot maximaal 0,06 mg/m³ bij 22°C en een ventilatieveelvoud van 3 per uur. IndusTox stelt dat op basis van deze gegevens rekening moet worden gehouden met een gemiddelde 24 uurs concentratie van meer dan 0,06 mg/m³.

Dezerzijds wordt een gemiddelde waarde van 0,06 mg/m³ beschouwd als een reasonable worst case.

Uitgaande van een ademvolume van 20 m³ per dag voor een volwassene van 70 kilo en een verblijfstijd binnenshuis van 17 uur (= ca. 70% van 24 uur) wordt de geschatte blootstelling voor een volwassene: 0,84 mg dichloorvos per dag of 0,012 mg/kg lichaamsgewicht/dag.

Wordt uitgegaan van het voor beoordeling van risico's voor de algemene bevolking meer gebruikelijk lichaamsgewicht van 60 kg (conform de ADI berekeningen) en de bovengrens van het ademvolume die de Gezondheidsraad aanneemt voor de algemene bevolking met lichte activiteit van 12 m³/dag dan worden deze waarden 0,50 mg dichloorvos per dag of 0,0083 mg/kg lichaamsgewicht/dag.

Uitgaande van een ademvolume van 7,4 m³ per dag voor een kind van 14 kg worden de waarden: 0,31 mg dichloorvos per dag of 0,022 mg/kg lichaamsgewicht per dag.

Bij gebrek aan relevante gegevens kunnen geen uitspraken worden gedaan over dermale en mogelijke orale blootstelling. Gezien het feit dat dichloorvos tijdelijk geabsorbeerd kan worden aan allerlei materialen in de behandelde ruimte moet echter rekening worden gehouden met een significante bijdrage aan de totale blootstelling via de dermale en orale route bij kinderen. (spelen op de grond, inname van stof etc.). Voor volwassen zal de bijdrage via deze routes minder relevant zijn."

Het document bevat de volgende tabel met een overzicht van de berekende overschrijdingsfactoren volgens Industox en het rapport van de Gezondheidsraad uit 1985:

Toelaatbaar Geschatte Geschatte Risicoindex

geachte blootstelling blootstelling 17 uur 24 uur

blootstelling 17 uur 24 uur

(mg/kg lg/d) (mg/kg lg/d) (mg/kg lg/d)

Volwassenen

(Industox) 0,0084 0,012 0,017 1,4 .2,0

Volwassenen

(Gezondheidsraad) 0,0084 0,0083 0,012 1,0 1,4

Kinderen (14 kg) 0,0084 0,022 0,031 2,6 3,6

- In vergaderstuk C-57.3.11 de dato 7 februari 1997 heeft verweerder overwogen dat een waarschuwingszin niet de zekerheid geeft dat kinderen ook in werkelijkheid niet aan het middel worden blootgesteld.

- Bij brief de dato 20 februari 1997 heeft verweerder appellante in kennis gesteld van het voornemen tot beëindiging van de toepassing van bestrijdingsmiddelen op basis van dichloorvos in woon- en verblijfsruimten. Appellante werd in de gelegenheid gesteld binnen vier weken na dagtekening haar zienswijze omtrent de voorgenomen beëindiging kenbaar te maken.

- Appellante heeft met betrekking tot het voornemen tot beëindiging een stuk ingediend getiteld bezwaarschrift. Verweerder heeft appellante bij besluit van 12 mei 1997 niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat nog geen sprake was van een besluit.

- Appellante heeft nadien een reactie aan verweerder met betrekking tot het voornemen de toelating te beëindigen gezonden. Aangezien deze niet binnen de gestelde termijn was ontvangen is zij niet in de besluitvorming betrokken.

- Bij besluiten van 15 augustus 1997 heeft verweerder de toelating van het middel No Fly Aerosol (4053N) geldend tot 1 september 1997, en van het middel Spritex (6888N) geldend tot 1 september 1997, niet verlengd. Deze besluiten bevatten onder meer de volgende passage:

" In C.62.3.6. werd aanvullende gesteld:

Op basis van de meest recente risico-beoordeling dient de in C-57.3.11 berekende overschrijdingsfactor voor spuitbussen te worden bijgesteld aangezien het gezondheidskundig toelaatbaar geachte blootstellingsniveau is gewijzigd van 0,06 mg/m³ naar o,1 mg/m³. Deze wordt nu, bij blootstelling gedurende 17 uur, voor volwassenen 0,9, voor kinderen 1,6; bij blootstelling gedurende 24 uur voor volwassenen 1,2 en voor kinderen 2,2. Hiermee blijft voor spuitbussen het risico voor de mens bij toepassing binnenshuis te hoog en zijn deze middelen niet langer toelaatbaar.

Het College concludeert dat met betrekking tot spuitbussen op basis van dichloorvos voor gebruik in woon- en verblijfruimten door particulieren in de hoorprocedure geen gegevens zijn geleverd die aanleiding geven om het voornemen tot beëindiging van deze toepassingen te heroverwegen."

- Bij brief de dato 24 september 1997, aangevuld bij brief de dato 25 november 1997, heeft appellante bezwaar gemaakt tegen de genoemde besluiten.

- Appellante is op 2 juni 1998 gehoord.

- Bij brief de dato 26 september 1998 heeft de VWS-commissie bezwaarschriften Awb geadviseerd het bezwaarschrift ongegrond te verklaren. In het advies is onder meer het volgende overwogen:

" De commissie constateert voorts dat het ministerie tot het bestreden besluit is gekomen op grond van diverse onderzoeken en evaluaties. Daaruit heeft het ministerie geconcludeerd dat de onderhavige middelen schadelijk zijn voor de mens. Op basis van deze conclusie heeft het ministerie, gezien het bepaalde in de Bestrijdingsmiddelenwet 1962, besloten tot beëindiging van de toelating van de middelen.

Appellanten hebben ter ondersteuning van hun bezwaarschriften een uiteenzetting van onderzoeksresultaten gegeven, die de bezwaren tegen toelating van de middelen zou moeten wegnemen. Het is de commissie evenwel niet gebleken dat op grond van deze onderzoeksresultaten vastgesteld kan worden dat de onderhavige middelen geen schadelijke uitwerking hebben. De commissie merkt in dit verband op dat het ministerie met name ten aanzien van de initiële blootstelling duidelijk heeft gemaakt dat er onvoldoende gegevens beschikbaar zijn. De commissie acht het dan ook aannemelijk dat deze initiële blootstelling schadelijk kan zijn. Het ministerie heeft derhalve, naar de mening van de commissie, kunnen oordelen dat de beschikbare gegevens onvoldoende zekerheid bieden over niet hebben van nadelige effecten op de gezondheid van de mens, met name van kinderen. Hetgeen door appellanten in bezwaar naar voren is gebracht, biedt onvoldoende aanknopingspunten om tot een andere conclusie te komen.

De commissie is in casu ook voor het overige niet gebleken van zodanige feiten of omstandigheden die tot een ander oordeel zouden moeten leiden."

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Het bestreden besluit houdt onder meer het volgende in:

" Ik heb vastgesteld dat het advies van de VWS-commissie bezwaarschriften Awb op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen en kan mij vinden in de overwegingen van de commissie. Ik neem derhalve de overwegingen en de conclusie van het advies over (…)."

Als reactie op de in het door appellante geformuleerde argumenten en de nadere uitwerking daarvan in een brief de dato 15 juni 2000 van appellante aan het College heeft verweerder het College op 20 juni 2001 in kennis gesteld van vergaderstuk C-110.5.d de dato 12 juni 2001. Voor deze reactie heeft verweerder een onafhankelijk oordeel van TNO op haar risicobeoordeling gevraagd. Dit vergaderstuk bevat met betrekking tot de argumenten van appellante de volgende conclusie:

" Door TNO wordt het volgende geconcludeerd:

"De door Denka aangevoerde argumenten ten aanzien van de gebruikte ("nieuwe")grenswaarde zijn in principe juist, in het onderhavige geval verdient het de voorkeur om de grenswaarde en de blootstelling te vergelijken op basis van mg/m³.

Indien er bij gebruik van spuitbussen sprake zou zijn van een (regelmatige ) piekbelasting die wordt gemiddeld over de dag dient opgemerkt te worden dat, bij gebrek aan informatie over mogelijke gezondheidskundige effecten van (dagelijkse) piekbelasting, ook deze piekbelasting (piekconcentratie) niet de concentratie van de gezondheidskundige 24-uurwaarde (0,1 mg/m³) mag overschrijden. Voor een goede evaluatie dient inzicht verschaft te worden in het concentratieverloop over de dag (i.e. hoogte en duur van evenuele piekconcentraties). Indien mocht blijken dat de gezondheidskundige waarde wordt overschreden dient aangetoond te worden dat dit geen nadelige effecten heeft op de gezondheid (d.w.z. afleiden van gezondheidskundige waarde voor piekblootstelling)". Deze metingen/evaluaties zijn voor genoemde toepassing(en) van Denka niet aan het CTB overgelegd.

Het CTB en TNO constateren dat er in de bijlage bij het besluit van 15 augustus 1997 onjuistheid is geslopen in de berekening van de risico-index.

Het CTB wil hieraan ter verduidelijking toevoegen het met DENKA eens te zijn dat de gemiddelde concentratie aan dichloorvos, bij gebruik van spuitbussen, de gezondheidskundige grenswaarde niet overschrijdt. Echter, er bestonden ten tijde van de besluitvorming reeds onzekerheden over het blootstellingspatroon van spuitbussen en de daarbij behorende gezondheidseffecten), (…) waardoor niet kan worden uitgesloten dat de grens van 0,1 mg/m³ bij gebruik van spuitbussen wordt overschreden. In Collegestuk C-62.3.6 is, onder punt 5, aangegeven dat gegevens m.b.t. blootstelling aan dichloorvos bij gebruik van spuitbussen, niet waren geleverd."

Op basis van vergaderstuk C-110.5.d heeft verweerder besloten niet op het bestreden besluit terug te komen.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft ter ondersteuning van het beroep - samengevat - onder meer het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd doordat niet of onvoldoende wordt ingegaan op het bezwaar dat ten onrechte een correctiefactor voor intraspecies variatie is toegepast. Uit onderzoek is gebleken dat de concentraties waarbij negatieve effecten van dichloorvos optreden bij gezonde volwassenen of kinderen of zieken, op hetzelfde niveau liggen. Het toepassen van een correctiefactor voor intraspecies variatie is daarom niet op zijn plaats. Onder gebruikmaking van een correctiefactor 1 in plaats van 10 zullen de risico-indices die door verweerder zijn berekend, een factor 10 lager uitvallen. Omdat deze grenswaarde onverkort voor kinderen geldt behoeft de nieuwe grenswaarde niet eerst per kg. waarde te worden berekend voor volwassenen die vervolgens op kinderen van toepassing wordt verklaard. Bij een verblijfstijd in behandelde ruimtes van 17 of 24 uur resulteert dit voor volwassenen in risico-indices van 0,1 - 0,2 en voor kinderen van 14 kg. in indices van 0,26 - 0,36. Er vindt dan geen enkele overschrijding plaats.

Het is niet goed te zien waarom een wijziging van het wettelijk gebruiksvoorschrift onvoldoende effect zal sorteren. In het wettelijk gebruikvoorschrift wordt reeds de toepassing van het middel in ziekenkamers en ruimten waarin eet- of drinkwaren worden bereid of bewaard uitgezonderd. Een dergelijke uitzondering zou ook kunnen worden gemaakt voor slaapkamers. Hierdoor wordt de bevolking tenminste zeven uur per dag extra beschermd. Kinderen en zieken bevinden zich over het algemeen langer in slaapkamers en genieten extra bescherming met een beperking voor slaapkamers.

Bovendien is het besluit niet op grondslag van het bezwaarschrift genomen. De verwijzing in het bestreden besluit naar de mogelijkheid van een zeer hoge initiële blootstelling is een nieuwe grond voor het besluit de toelatingen te beëindigen. Deze werd pas aangevoerd toen appellante op haar bezwaren werd gehoord en is niet eerder ter sprake gebracht. Appellante kon zich op dit nieuwe argument niet voorbereiden. Indien hiermee wordt erkend dat het primaire besluit onvoldoende was onderbouwd dient een nieuw besluit te worden genomen. Onduidelijk is op welke gegevens deze uitspraak over de initiële blootstelling berust. Appellante bestrijdt de kwalificatie "zeer hoog". Verder bestrijdt appellante dat een mogelijk hoge initiële blootstelling in de huidige praktijk bij de bestudering van gezondheidseffecten van bestrijdingsmiddelen, aanleiding kan zijn voor een andere basis voor risicobeoordeling. Bij de beoordeling van andere bestrijdingsmiddelen worden geen meetgegevens van optredende concentratie en concentratieverloop vereist om voldoende zekerheid te verkrijgen.

Appellante heeft ter terechtzitting op voet van artikel 8:73 van de Awb verzocht verweerder te veroordelen tot vergoeding van de schade die zij heeft geleden doordat er geen reden was de registratietermijn niet te verlengen.

5. De beoordeling van het geschil

Wat betreft appellantes standpunt met betrekking tot de berekening van de risico-indices stelt het College vast dat uit het door verweerder overgelegde vergaderstuk C-110.5.d blijkt, zoals desgevraagd ook uitdrukkelijk door verweerder ter zitting is erkend, dat de berekening hiervan in het bestreden besluit onjuist is. Het beroep moet derhalve reeds hierom gegrond worden verklaard.

Met betrekking tot de argumenten van appellant, die zich richten tegen de afwijzing door verweerder van de suggestie dat het (eventuele) risico voor kinderen tot een aanvaardbaar niveau zou kunnen worden teruggebracht door een zinsnede waarbij uitsluiting van toepassing in de aanwezigheid van kinderen wordt opgenomen in het wettelijk gebruikvoorschrift dan wel in de veiligheidsaanbevelingen op de toelating, overweegt het College als volgt.

Artikel 3, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet spreekt over gebruik overeenkomstig het bepaalde bij en krachtens de wet. In de krachtens deze bepaling gegeven Regeling samenstelling, indeling, verpakking en etikettering bestrijdingsmiddelen, zijn bepalingen opgenomen inzake vermeldingen die ertoe strekken schadelijke uitwerkingen op de gezondheid van de mens en dier tegen te gaan. In verband met deze bepalingen moet worden geoordeeld dat niet ieder potentieel schadelijke uitwerking van het gebruik van een bestrijdingsmiddel dient te leiden tot een weigering van de toelating. Zoals het College reeds eerder oordeelde (uitspraak van 18 juli 2000 in zaken AWB 99/611, 99/612, 99/613 en 99/614) gaat het wettelijk stelsel ervan uit dat het door de Wet beoogde doel, te weten het voorkomen van schadelijke uitwerkingen van bestrijdingsmiddelen op de gezondheid van de mens, onder omstandigheden ook kan worden bereikt door het verbinden van een voorschrift aan een te verlenen (verlenging van een) toelating in plaats van door weigering van een zodanige toelating. Indien zich een dergelijke situatie voordoet, kan een algehele weigering strijd opleveren met het evenredigheidsbeginsel. Met de overweging dat opname van een dergelijke beschermingszin niet de zekerheid kan geven dat kinderen ook in werkelijkheid niet aan het middel worden blootgesteld omdat controle op de naleving van een dergelijk voorschrift ontbreekt en het aan particulieren is toegestaan in afwijking van het voorschrift te handelen, stelt verweerder, zoals het College ook in genoemde eerdere uitspraak heeft overwogen een te vergaande eis. Een dergelijke zekerheid kan immers, als het gaat om een bestrijdingsmiddel voor huishoudelijk gebruik, dat enige schadelijke uitwerking op de gezondheid van de mens kan hebben, niet worden gegeven, hetgeen een categorische weigering van de toelating van dergelijke middelen zou betekenen.

Indien verweerder meent dat sprake is van omstandigheden waaronder, in verband met de ernst van een mogelijke schadelijke uitwerking en de omvang van het risico van een dergelijke uitwerking, een toelating in samenhang met het voorschrijven van een waarschuwingszin waarvan de naleving het aanwezig geachte gezondheidsrisico zou kunnen wegnemen, onverantwoord moet worden geacht, ligt het op zijn weg een op het bestaan van een dergelijke gevaarzetting toegesneden en toereikende motivering te geven. De bestreden beslissing voldoet niet aan deze voorwaarde zodat ook de hierop betrekking hebbende argumenten van appellante doel treffen.

Met betrekking tot hetgeen door verweerder in het bestreden besluit is overwogen ten aanzien van de initiële blootstelling heeft appellante betoogd dat verweerder in een te laat stadium, te weten bij het horen in het kader van de behandeling van het bezwaar, heeft aangevoerd dat sprake zou zijn van een zeer hoge initiële blootstelling om welke reden de toelating niet kon worden verlengd. Aldus heeft verweerder niet besloten op grondslag van het bezwaar. Appellante heeft betoogd hierdoor niet in de gelegenheid te zijn geweest zich op dit argument te kunnen voorbereiden.

Het College stelt dienaangaande vast dat het argument van de initiële blootstelling niet in duidelijk herkenbare vorm aan de orde komt in het voornemen tot beëindiging d.d. 20 februari 1997. Evenmin komt het argument als zodanig aan de orde in vergaderstuk C-56.3.24, dat uitgaat van een gemiddelde 24 uurs concentratie, noch in vergaderstuk C-62.3.6, waarin slechts met betrekking tot spuitbussen wordt geconcludeerd dat in de hoorprocedure geen gegevens zijn geleverd die aanleiding geven het voornemen tot beëindiging van deze toepassingen te heroverwegen. Evenmin had appellante uit laatstgenoemde zinssnede in vergaderstuk V-62.3.6 behoeven te begrijpen, gelet op hetgeen in vergaderstuk C-56.3.24 werd overwogen, dat de initiële concentratie van dichloorvos in geval van spuitbussen naar oordeel van verweerder zou leiden tot risico's voor de volksgezondheid dan wel dat terzake gegevens zouden ontbreken. Onder deze omstandigheden is appellante onvoldoende in de gelegenheid gesteld haar zienswijze naar voren te brengen met betrekking tot feiten die verweerder voor de beslissing op bezwaar van aanmerkelijk belang heeft geacht. Het College acht zulks een ontoelaatbare tekortkoming in de voorbereiding van het bestreden besluit.

Het College neemt voorts in aanmerking dat ter zitting is gebleken dat appellante gegevens die mede de basis vormden van haar bezwaren tegen het bestreden besluit, al in 1993 aan verweerder gezonden en dat appellante verweerder hier bij brief de dato 26 mei 1998 aan heeft herinnerd. Verweerder heeft in vergaderstuk C110.5.d onder verwijzing naar vergaderstuk C-62.3.6 gesteld dat gegevens met betrekking tot blootstelling aan dichloorvos bij gebruik van spuitbussen, niet waren geleverd. Verweerder heeft dan ook niet aangegeven waarom de gegevens die appellante al in 1993 had geleverd, op dit punt onvoldoende zijn of niet de gevolgtrekking zouden rechtvaardigen die appellante hierop meent te kunnen baseren. Naar het oordeel van het College, was het uit een oogpunt van zorgvuldigheid geboden dat verweerder evenbedoelde gegevens van appellante aan een nader onderzoek had onderworpen. Daar komt nog bij dat vastgesteld moet worden dat verweerder ten onrechte appellantes zienswijze omtrent de voorgenomen beëindiging van de toepassing van de onderhavige middelen buiten beschouwing heeft gelaten, door deze zienswijze bij besluit van 12 mei 1997 niet-ontvankelijk te verklaren. Naar het oordeel van het College zou, indien verweerder op basis van de juiste cijfermatige uitgangspunten en met toepassing van de juiste besluitvormingsprocedure tot het nemen van een beslissing omtrent het al dan niet verlengen van de toelating had beslist, dan ook niet bij zijn besluiten van 15 augustus 1997 tot het niet verlengen hebben kunnen besluiten, maar ten minste moeten beslissen dat de toelating zou worden verlengd voor de periode die met de beoordeling van de hiervoor bedoelde gegevens zou zijn gemoeid.

In verband met het boven overwogene komt het College tot de slotsom dat de bestreden beslissing niet met de vereiste zorgvuldigheid is voorbereid en dat de beslissing niet kan worden gedragen door de motivering die daaraan ten grondslag is gelegd. Derhalve moet het bestreden besluit, gelet op artikel 3:2 en op artikel 7:12 van de Awb worden vernietigd en dient verweerder met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak werd overwogen, een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

Met betrekking tot het door appellante ingediende verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 van de Awb, overweegt het College dat uit het voorgaande volgt dat verweerder ten onrechte bij de bestreden beslissing de bezwaren van appellante ongegrond heeft verklaard en voorts ten onrechte de beslissingen, houdende niet verlenging van de toelating van de middelen No Fly Aerosol (4035N) en Spritex (6888N) in stand heeft gelaten. Verweerder is aansprakelijk voor schade die daaruit rechtstreeks voor appellante voortvloeit. Het College stelt echter vast dat de omvang van die schade in betekenende mate afhankelijk is van het door verweerder ter uitvoering van deze uitspraak te nemen besluit. Het College acht het daarom geraden dat verweerder zich bij dat besluit uitspreekt omtrent de vergoeding van schade aan appellante. In verband hiermee houdt het College zijn beslissing inzake de schadevergoeding aan totdat verweerder zich in evenbedoelde zin heeft uitgesproken.

Het College acht termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht thans te veroordelen in de proceskosten tot op heden aan de zijde van appellante. Deze worden op voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht begroot op fl. 1.775,--.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing neemt op het bezwaarschrift van appellante met inachtneming van het in

deze uitspraak overwogene;

- bepaalt dat het ondezoek wordt heropend ter voorbereiding van zijn uitspraak omtrent de schadevergoeding;

- bepaalt dat verweerder aan appellante vergoedt het door haar gestorte griffierecht ten bedrage van fl. 420,-- (zegge:

vierhonderdtwintig gulden);

- veroordeelt verweerder in de kosten tot op heden van de procedure aan de zijde van appellante, welke worden vastgesteld

op fl. 1.775 (zegge: eenduizend-zevenhonderdvijfenzeventig gulden) en dienen te worden betaald door verweerder.

Aldus gewezen door mr B. Verwayen, mr H.C. Cusell en mr M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van S.F.E. Raeven, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 november 2001.

w.g. B. Verwayen w.g. S.F.E. Raeven